Nederlands/Grammatica/Werkwoorden/Samengestelde werkwoorden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inleiding[bewerken]

Lezen[bewerken]

Schrijven[bewerken]

Spreken en luisteren[bewerken]

Grammatica[bewerken]

Spelling[bewerken]

Toets[bewerken]

Fictie[bewerken]

Toetsenbank Nederlands[bewerken]

Centraal Schriftelijk Eindexamen[bewerken]



Sommige Nederlandse werkwoorden zijn samengesteld. Veruit de meeste van deze werkwoorden zijn scheidbaar, maar sommige - nl. die welke beginnen met een voorvoegsel (prefix) - zijn onscheidbaar.

Scheidbaar[bewerken]

Samengestelde werkwoorden beginnen met een beklemtoond voorzetsel, zelfstandig naamwoord of ander soort woord. Het eerste deel maakt deel uit van de infinitief: doorlopen, autorijden. Dit voorzetsel, zelfstandig naamwoord enz. heeft dan tevens de klemtoon. Zo'n samengesteld werkwoord wordt in de zin vaak gescheiden:

  • Loop jij eens door!
  • Ik ben doorgelopen.

Het is niet altijd even eenvoudig een voorzetsel of zelfstandig naamwoord te herkennen. Zo is bij doorzetten duidelijk sprake van een beklemtoond voorzetsel, maar bij doorzien (met klemtoon op zien) is dat niet het geval. Vormen van de aantonende wijs zijn daarom respectievelijk zet door en doorzag.

Versteende, niet-scheidbare vormen[bewerken]

Er zijn ook werkwoorden die op het eerste gezicht samengesteld lijken (en dit meestal van oorsprong ook zijn), maar waarvan de delen nimmer gescheiden worden doordat de combinatie inmiddels is versteend. Hierdoor kent ook de verleden tijd een normale zwakke vervoeging. Het gaat onder andere om stofzuigen, zweefvliegen, voetballen. Men beschouwt de verbuigingen stofzuigde, gevoetbald enz. dan ook als correct. Deze werkwoorden gedragen zich dus gewoon als niet-samengestelde werkwoorden.

Onscheidbaar[bewerken]

De meest voorkomende voorvoegsels bij onscheidbare werkwoorden zijn: ver-, be-, onder-, ont-, ge- en her-.

  • De vervoeging van een werkwoord met een voorvoegsel gaat in de regel op dezelfde manier als die van het werkwoord zonder voorvoegsel. De verleden tijd van vriezen is bijv. vroor, de verleden tijd van bevriezen is daarom bevroor.
  • Heeft het werkwoord zelf een ander (onbeklemtoond) voorvoegsel, dan vervalt het voorvoegsel ge- van het verleden deelwoord. Het verleden deelwoord van bevriezen is dus niet gebevroren, maar bevroren. Dit is bijvoorbeeld ook zo in de vormen verblijvenverbleven, maar niet bij scheidbaar samengestelde werkwoorden, zoals afblijvenafgebleven. Een voorbeeld van een werkwoord waarbij het vaak misgaat is verbaliseren, waarvan het eerste deel niet het voorvoegsel ver- is. Het verleden deelwoord is daarom niet verbaliseerd maar geverbaliseerd.

Een ander problematisch werkwoord is afgelasten, dat vooral in de voltooide tijd voorkomt: afgelast. De lettergreep ge- lijkt op het voorvoegsel van het verleden deelwoord, maar komt ook in andere werkwoordsvormen voor. Met andere woorden, het voorvoegsel ge- maakt al deel uit van de andere vormen van het werkwoord en daardoor komt er (als gevolg van het zogeheten haplogie-verschijnsel) in de voltooide vormen geen voorvoegsel ge- meer bij.

Werkwoorden met een zelfstandig naamwoord of een werkwoord als voorvoegsel krijgen soms een andere vervoeging of kunnen helemaal niet worden vervoegd. In plaats daarvan valt men dan terug op een omschrijving. Voorbeelden van zulke combinaties "zelfstandig naamwoord + werkwoord" die zich als werkwoord volledig laten vervoegen zijn raadplegen, kennisnemen en paardrijden. Werkwoorden als zweefvliegen, wedstrijdzeilen en buikspreken lenen zich echter niet voor verbuiging (ze kennen dus alleen maar een infinitief), of ze kennen alleen maar een tegenwoordige tijd naast de infinitief (ik zweefvlieg).

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.