Nederlands/Grammatica/Persoonlijke voornaamwoorden/Hen, hun of zij

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inleiding[bewerken]

Lezen[bewerken]

Schrijven[bewerken]

Spreken en luisteren[bewerken]

Grammatica[bewerken]

Spelling[bewerken]

Toets[bewerken]

Fictie[bewerken]

Toetsenbank Nederlands[bewerken]

Centraal Schriftelijk Eindexamen[bewerken]



Eerste hulp bij Nederlands
Eerste hulp bij Nederlands


Keer terug naar het menu "Eerste hulp" door hier te klikken

Het juiste gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden zij (ze), hen en hun is een aanhoudende bron van verwarring. Kortweg is hen de accusatiefvorm en hun de datiefvorm of genitiefvorm (bezittelijk voornaamwoord).

Het woordje hun is dus volgens de officiële grammatica's een bezittelijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud en een persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon meervoud bij het meewerkend voorwerp. Na een voorzetsel en als lijdend voorwerp dient men hen te gebruiken, de onderwerpsvorm is zij.

Dit onderscheid tussen een datief- en accusatiefvorm komt in (geschreven) Nederlands alleen voor bij de derde persoon meervoud. Ter vergelijking: mij/me, jou/je, hem, haar, ons, jullie kunnen alle zowel als accusatief alsook als datief worden gebruikt.

De onderwerpsvorm derde persoon meervoud is zij, maar die vorm valt samen met het persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud vrouwelijk. Om verwarring te voorkomen treft men in niet-standaardtaal ook wel vormen als zullie aan, samengesteld uit zij + lui, en hullie, uit hun + lui. Ook hullie komt dialectisch voor (cfr. het Afrikaanse "hulle"). Het is afgeleid van "hunlieden", en valt daarmee in dezelfde categorie als "jullie" (uit "gijlieden, jijlieden"). In de standaardtaal is hullie incorrect.

Overzicht van de hoofdregels[bewerken]

De voornaamwoorden van de derde persoon meervoud hebben zoals voor alle personen drie vormen:

Het gebruik van deze vormen kan men begrijpen door ze te vergelijken met de overeenkomstige vormen van de mannelijke derde persoon enkelvoud:

  • onderwerpsvorm: hij
  • bezitsvorm: zijn
  • voorwerpsvorm: hem

Doordat er hier maar één voorwerpsvorm is, leidt het gebruik niet tot verwarring. Vergelijk nu:

(onderwerpsvorm)  Hij eet een appel   →   zij (ze) eten een appel
(bezitsvorm)  Ik zie zijn boek   →   ik zie hun boek

Bij het gebruik van de voorwerpsvorm moeten enkele gevallen onderscheiden worden. In het enkelvoud staat er steeds hem. Maar in het meervoud kan er hen, hun of ze staan.

Jan helpt hem
betreft het personen, dan →   Jan helpt hen of Jan helpt ze
betreft het dieren of dingen, dan →   Jan helpt ze
Jan geeft hem water
betreft het personen, dan →   Jan geeft hun water of Jan geeft ze water
betreft het dieren of dingen (planten), dan →   Jan geeft ze water
Jan geeft water aan hem
betreft het personen, dan →   Jan geeft water aan hen of Jan geeft water aan ze
betreft het dieren of dingen (planten), dan →   Jan geeft water aan ze

Na voorzetsels gebruiken we in het Nederlands altijd hen of ze:

Het is door hem geschilderd   →   het is door hen geschilderd
Er was achter hem nog plaats   →   er was achter hen nog plaats

De uitzondering in de derde persoon meervoud maakt het moeilijker maakt dan in de andere personen:

Jan geeft een boek aan mij = Jan geeft mij een boek
Jan geeft een boek aan haar = Jan geeft haar een boek
Jan geeft een boek aan ons = Jan geeft ons een boek

maar let op:

Jan geeft een boek aan hen = Jan geeft hun een boek

Onduidelijkheid en discussie[bewerken]

Voor veel mensen is het niettemin onduidelijk of in bepaalde contexten hen of hun gebruikt dient te worden. Vaak kan zo'n zin anders worden geschreven, waardoor dit dilemma omzeild wordt. Zo kan "ik rook volgens hen te veel" prima worden herschreven tot: "Zij vinden dat ik te veel rook".

Tegenwoordig vervaagt met name in de gesproken taal dit onderscheid tussen de voorwerpsvormen hen en hun dan ook steeds meer. Het is in de spreektaal eigenlijk heel gewoon om hun ook te gebruiken na een voorzetsel of als lijdend voorwerp (waar het dus volgens het bovenstaande hen zou moeten zijn), en andersom ook om hen te gebruiken waar strikt genomen hun de juiste vorm zou zijn (bijv. Ik geef hen advies). Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst kan in dit soort gevallen meestal niet worden gesproken van een fout, omdat het gebruik ervan aan het evolueren is en het onderscheid hen vs. hun van zichzelf eigenlijk al geheel kunstmatig is; het is in de 17e eeuw bedacht door Christiaen van Heule in zijn werk De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst (1625)[1]) .

Vaak kunnen hun en hen gewoon vervangen worden door ze, al is dit qua stijl iets informeler:

  • Ik help ze (in plaats van Ik help hen)
  • Ik geef ze een boek (in plaats van Ik geef hun een boek)
  • Ik geef ze een snoepje. (in plaats van hun)
  • Ik heb ze gisteren gezien. (in plaats van Ik heb hen gisteren gezien)

Echter, als de klemtoon op hen of hun ligt kan dit niet: ik help hen en niet jullie kan niet geformuleerd worden als *ik help ze en niet jullie. Dit gebruik is overigens niet aan te bevelen in formele teksten zoals sollicitatiebrieven, omdat het tot de informele taal behoort.

Wat wèl algemeen als fout geldt, is het in delen van Nederland voorkomende gebruik van hun als onderwerp: *hun hebben. In de jaren twintig van de twintigste eeuw is dit gebruik van hun voor het eerst opgetekend. Het moet in precies dezelfde context gezien worden als het bovengenoemde zullie en hullie: bedoeld om verwarring met het enkelvoudige zij te voorkomen. Na de oorlog moet dit gebruik zich in brede kringen verspreid hebben, al hoort men er pas in de jaren tachtig met enige regelmaat van. Opmerkelijk is dat ook oudere sprekers het zijn gaan overnemen.

Henzelf en hunzelf[bewerken]

Bij hen en hun horen ook de woorden henzelf en hunzelf. Deze worden gebruikt als versterkte vorm van hen en hun:

  • Ze willen geen autogordels om, maar dat is gevaarlijk voor henzelf.
  • Ik heb hunzelf geen cent gegeven, maar alles aan hun ouders toevertrouwd.

Als de schrijver het woorddeel -zelf sterk wil benadrukken, dan kan hij of zij het ook los schrijven van hen of hun:

  • ... dat is gevaarlijk voor hen zélf.
  • Ik heb hun zélf geen cent gegeven.

Deze spelling kan echter in sommige zinnen tot dubbelzinnigheid leiden, zoals uit het laatste voorbeeld blijkt. Bedoelt de spreker "ik geef het zelf?" of "ik geef het hunzelf"?

Henzelf en hunzelf zijn niet de wederkerende of wederkerige voornaamwoorden van hen en hun. Daarvoor gebruiken we zichzelf (wederkerend) en elkaar (wederkerig):

  • De minnaars geven elkaar een kusje. Ze geven elkaar de schuld. (wederkerig)
  • De directeuren geven zichzelf een bonus. Ze geven zichzelf de schuld. (wederkerend)

Het wederkerend gebruik van hunzelf (ze geven hunzelf een bonus) is streekgebonden (dialectaal).

"Ze" als alternatief voor "hen/hun"[bewerken]

De onverbogen voorwerpsvorm ze wordt altijd gebruikt als er wordt verwezen naar iets anders dan mensen of dieren. Met hen en hun wordt bij voorkeur altijd naar mensen verwezen, als verwijzing naar dieren klinken deze vormen minder gewoon. Daarnaast vindt zoals gezegd het gebruik van ze voor personen in het hele Nederlandse taalgebied steeds meer ingang, aanvankelijk in de spreektaal, maar langzaamaan ook in de schrijftaal. De "hen/hun"-kwestie wordt aldus handig gemeden.

Na een voorzetsel is de vorm 'ze' echter voor personen nog niet echt gebruikelijk, in ieder geval niet in de schrijftaal. Maar voor niet-personen dus wel, daar is het doorgaans zelfs de enige mogelijkheid:

Voorbeelden:

  • Ik heb in de vakantie voor ze gezorgd. (voor de planten; hen is hier onmogelijk)
  • Ik denk de hele dag aan ze. (de konijntjes; hen is hier twijfelachtig)

Vroeger[bewerken]

Tot en met de negentiende eeuw werd ook haar gebruikt als vrouwelijke meervoudsvorm.

  • Nadat de vrouwen uit het gezelschap zich verzameld hadden, werd haar een cadeau aangeboden.<ref>Haar / hen (vrouwelijk meervoud). Taaladvies.net, geraadpleegd op 20 mei 2010.</ref>

Een voorstel van P.C. Hooft om hum in te voeren — in navolging van het Duitse [datief (enkelvoud) ihm — voor de 'meewerkende' derde persoon enkelvoud heeft nooit ingang gevonden in de Nederlandse taal.

Zie ook[bewerken]


Bronnen, noten en/of referenties
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.