Nederlands/Grammatica/Werkwoorden/Vervoeging

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inleiding[bewerken]

Lezen[bewerken]

Schrijven[bewerken]

Spreken en luisteren[bewerken]

Grammatica[bewerken]

Spelling[bewerken]

Toets[bewerken]

Fictie[bewerken]

Toetsenbank Nederlands[bewerken]

Centraal Schriftelijk Eindexamen[bewerken]



Nederlandse werkwoorden worden vervoegd naar wijs, persoon en tijd.

Wijs[bewerken]

De wijs van het werkwoord geeft de relatie tot de werkelijkheid weer. De vervoeging naar wijs is in het Nederlands niet erg uitgebreid wat het aantal vormen betreft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Frans en Duits.

Aantonende wijs[bewerken]

  • De meest voorkomende wijs is de aantonende wijs of indicatief. De aantonende wijs geeft aan dat de handeling vanuit het oogpunt van de spreker "werkelijk" plaatsheeft, dan wel plaats heeft gevonden of nog plaats zal vinden. Deze wijs wordt vervoegd in alle werkwoordstijden en met alle onderwerpen. De aantonende wijs is als in de volgende tabel:
Persoon Tegenwoordige tijd (alleen van regelmatige werkwoorden) Verleden tijd (alleen van zwakke werkwoorden)
Stemhebbend Stemloos
1e persoon enkelvoud (ik) stam (1) stam + de stam + te
2e persoon enkelvoud (jij, je) stam + t (2) stam + de stam + te
idem, met pers vnw na het werkwoord stam + t (2) stam + de stam + te
2e persoon enkelvoud (gij, ge) stam + t (2) stam + det stam + tet
3e persoon enkelvoud (hij, zij, ze, het, men, u) stam + t (2) stam + de stam + te
1e persoon meervoud (wij) infinitief stam + den stam + ten
2e persoon meervoud (jullie) infinitief, verouderend: stam + t (2) stam + den stam + ten
3e persoon meervoud (zij, ze) infinitief stam + den stam + ten
  1. Eindigt de stam op -aa, dan valt een a weg in de spelling terwijl de klinker hetzelfde wordt uitgesproken als in de infinitief. Dit is het geval bij de infinitieven 'gaan' en 'staan'
  2. Eindigt de stam op -t, dan wordt er geen extra t meer toegevoegd.
  3. Heeft het werkwoord een voorzetsel of zelfstandig naamwoord, dan komt dit in de aantonende wijs als apart woord ná de persoonsvorm, bijvoorbeeld: loop door, liepen door. Dit wordt in de tabel verder niet vermeld.
  4. Waar 'infinitief' staat wordt de infinitief zonder voorzetsel of zelfstandig naamwoord bedoeld, dus niet doorlopen, maar lopen door.

Gebiedende wijs[bewerken]

De gebiedende wijs geeft een bevel van de spreker weer. De gebiedende wijs wordt niet vervoegd naar tijd, de vervoeging naar persoon is beperkt tot het onderscheid enkelvoud-meervoud: "maak!" (enkelvoud) en "maakt (u)!" (meervouds- of beleefdsheidsvorm).

De gebiedende wijs heeft is in het Nederlands qua vorm verder gelijk aan de stam en de ik-vorm van het werkwoord. Voorbeelden:

  • "Ga weg!"
  • "Doe eens gewoon!"

Soms wordt een onderwerp toegevoegd:

  • "Kom jij eens hier"

Worden meerdere personen aangesproken, dan is de gebiedende wijs qua vorm gelijk aan de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Voorbeelden:

  • "Komt allen!" (gebiedende wijs van "Allen komen.")

In de praktijk wordt deze vorm niet veel meer gebruikt. Soms gebruikt men alleen de meervoudsvorm als het verschil onhoorbaar is, en dat is niet consequent. Bijvoorbeeld:

  • "Vermijdt het hoogseizoen, ga in het voorjaar op vakantie."

Ook voor de beleefdheidsvorm wordt de vorm met -t gebruikt. Bovendien wordt hier het woord u toegevoegd.

  • "Leest u maar." (gebiedende wijs van "U leest.")

Het wederkerend voornaamwoord van u zou zich moeten zijn:

  • "Weest u zich bewust." (gebiedende wijs van "U bent zich bewust.")
  • "Schaamt u zich!" (gebiedende wijs van "U schaamt zich.")

In de praktijk wordt zich echter vaak vervangen door u. Dan vervalt het andere u en bovendien de -t van het werkwoord:

  • "Wees u bewust."
  • "Schaam u!"
"weest u" en "schaamt u" zijn meervoudsvormen.

Aanvoegende wijs[bewerken]

De aanvoegende wijs kan een wens, aansporing of onmogelijkheid weergeven. Het gebruik van de aanvoegende wijs is in het Nederlands - in tegenstelling tot veel andere Indo-Europese talen - zeer beperkt. De aanvoegende wijs in het Nederlands kent enkel nog in het enkelvoud een zichtbaar en hoorbaar verschil met de aantonende wijs. Het enkelvoud wordt gevormd door de -n van de infinitief weg te laten: "Leve de koningin", "Hij ruste in vrede", "Men neme een ons suiker", "Het zij zo". Met behulp van de context kunnen we een meervoud onderscheiden, bijvoorbeeld: "Leven de kinderen" en "Mogen zij rusten in vrede" zijn aanvoegend. Het Nederlands kent ook de aanvoegende wijs in de verleden tijd: "Ware het niet dat ...", "als het ware", "hadde hij niet...". De meeste vormen van de aanvoegende wijs gelden als verouderd, en de aanvoegende wijs in de verleden tijd wordt - buiten "ware(n)" - niet meer gebruikt.

Onbepaalde wijs[bewerken]

  • De onbepaalde wijs in engere zin kent slechts één vorm: maken, zijn enz. In het Nederlands bestaan echter ook samengestelde vormen, zoals: gemaakt (te) hebben of gepakt (te) zullen worden.

De onbepaalde wijs of infinitief wordt nooit vervoegd. Er zijn echter wel voltooide, toekomstige en lijdende vormen van het werkwoord met de betekenis van infinitief. Deze worden gevormd met enkele hulpwerkwoorden en een (meestal verleden) deelwoord: gezien te zullen worden of gepakt te zijn. In deze vorm is het werkwoord een zelfstandig werkwoord. Om een doel aan te geven wordt het grammaticaal partikel (om) te toegevoegd:

hij hoopt te komen
hij was bang (om) gepakt te zullen worden

In combinatie met de hulpwerkwoorden zitten, liggen, lopen, staan en zelfs hangen ontstaat een gezegdeconstructie:

ik liep te denken
de was hing te drogen

De onbepaalde wijs kan ook een opdracht of verplichting uitdrukken:

dat is nog te regelen

De onbepaalde wijs kan ook als het hoofdwerkwoord van een beknopte bijzin dienen:

hij vond het verschrikkelijk plotseling zonder geldige reden ontslagen te zijn
door een hond gebeten te zijn is geen pretje
na hem gezien te hebben liep zij naar huis.

De infinitief is tevens de vorm waarin het werkwoord als lemma in woordenboeken is opgenomen.

Vervoeging naar persoon[bewerken]

In het Nederlands wordt een werkwoord vervoegd naar het onderwerp; hiermee wordt aangegeven of de handeling wordt uitgevoerd door de spreker (de eerste persoon), de aangesprokene (de tweede persoon), of een ander of iets anders (de derde persoon). Ook bestaat er een verschil tussen enkelvoudige en meervoudige onderwerpen. Samen leveren deze (twee maal drie) zes vervoegingsvormen in de stellende en vragende vorm:

  enkelvoud meervoud
stellend vragend stellend vragend
eerste persoon ik speel speel ik? wij / jullie / zij spelen
verouderd: jullie speelt
spelen wij / jullie / zij ?
tweede persoon jij speelt
u speelt
gij speelt
speel jij?
speelt u?
speelt gij?
derde persoon hij / zij / het speelt speelt hij / zij / het?

De meervoudsvormen van het werkwoord zijn identiek voor alle personen en in de tegenwoordige tijd gelijk aan de infinitief. Samengestelde werkwoorden worden echter gescheiden: meegaan - wij gaan mee. Er is verder nog een enkele uitzondering: wezen - wij zijn.

Geslacht[bewerken]

Er bestaat in het Nederlands - anders dan in sommige andere talen - geen congruentie van de werkwoordsvorm met het geslacht van andere zinsdelen (bijv. het onderwerp). Wel wordt in de tweede persoon enkelvoud een verschil gemaakt tussen de vormen waarbij het onderwerp voor of achter het werkwoord staat, zoals aangegeven in de tabel.

Actief / passief[bewerken]

Werkwoorden kunnen in het Nederlands in de bedrijvende vorm (actief) of de lijdende vorm (passief) staan. Beide vormen kunnen gemaakt worden in alle werkwoordstijden en met alle onderwerpen. Met de bedrijvende vorm wordt uitgedrukt dat het onderwerp de handelende persoon (of zaak) is; met de lijdende vorm wordt de zaak omgedraaid: het onderwerp ondergaat dan de handeling.

De lijdende vorm wordt gemaakt door het voltooid deelwoord te combineren met een hulpwerkwoord (het "hulpwerkwoord van de lijdende vorm"). In onvoltooide tijden is dit het werkwoord "worden", in voltooide tijden "zijn".

Bijvoorbeeld: In de zin "Ik maak een lamp" duidt maak een handeling aan die door het onderwerp, ik, wordt uitgevoerd. Dit is de bedrijvende vorm.
In de zin "De lamp wordt gemaakt" duidt wordt gemaakt een handeling aan die door het onderwerp, de lamp wordt ondergaan. Dit is de lijdende vorm.
Andere voorbeelden: "Ik heb geslagen" - "Ik ben geslagen"; "Ik stuurde" - "Ik werd gestuurd"

Deelwoorden[bewerken]

Het Nederlands kent twee verschillende deelwoorden, het tegenwoordig of onvoltooid deelwoord en het voltooid deelwoord. Deze deelwoorden kunnen beide gebruikt worden als bijvoeglijk naamwoord of als bijwoord. Voltooide deelwoorden hebben daarbij altijd een passieve betekenis, onvoltooide deelwoorden altijd een actieve:

  • De bedankte man. (voltooid, als bijvoeglijk naamwoord)
  • De bedankende man. (onvoltooid, als bijvoeglijk naamwoord)
  • Bedankt liep hij over straat (voltooid, als bijwoord)
  • Bedankend liep hij over straat (onvoltooid, als bijwoord)

Ze kunnen ook beide in het gezegde gebruikt worden voor het vormen van de tijden. Het onvoltooid deelwoord wordt in deze vorm echter amper nog gebruikt.

Het deelwoord wordt zo genoemd omdat het werkwoordelijke en naamwoordelijke aspecten combineert. In het Nederlands worden deelwoorden gebruikt om samengestelde verleden tijden te vormen (voltooid deelwoord) en om beknopte bijzinnen te maken. Daarnaast kan een deelwoord gebruikt worden als bijvoeglijk naamwoord en als bijwoord. Een als bijwoord gebruikt deelwoord wordt ook wel gerundium genoemd.
Het Nederlands kent twee deelwoorden:

  • Het onvoltooid deelwoord|onvoltooid of tegenwoordig deelwoord; gevormd door een -d aan de onbepaalde wijs toe te voegen. Bijvoorbeeld: "makend", "gaand". Een eventueel voorzetsel of zelfstandig naamwoord gaat daaraan vooraf. De enige uitzondering is het tegenwoordig deelwoord van de infinitief wezen: zijnd.
  • Het voltooid deelwoord wordt gevormd door ge- vóór de stam en -d, -t of -en áchter de stam toe te voegen (onregelmatigheden voorbehouden). Bijvoorbeeld: "gemaakt", "gezegd". Een eventueel voorzetsel of zelfstandig naamwoord gaat daaraan vooraf. Heeft het werkwoord zelf al een prefix. dan vervalt ge-.

Voorbeelden:

  • werken - gewerkt
  • doorwerken - doorgewerkt
  • verwerken - verwerkt.

Vervoeging naar tijd[bewerken]

Behalve naar het onderwerp wordt het werkwoord ook vervoegd naar de tempus. Het Nederlands kent de volgende werkwoordstijden:

  • De belangrijkste vorm is de onvoltooid tegenwoordige tijd. Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. Bijvoorbeeld: Ik maak.
  • De tweede vorm is de onvoltooid verleden tijd. Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond en waarvan het "afgerond zijn" niet nadrukkelijk aanwezig is. Bijvoorbeeld: Ik maakte.
  • De voltooid tegenwoordige tijd (vtt) wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. Voor deze vorm wordt het voltooid deelwoord gecombineerd met de tegenwoordige tijd van een van de hulpwerkwoorden "hebben" of "zijn". Bijvoorbeeld: Ik heb gemaakt/Ik ben gegaan.
  • De voltooid verleden tijd (vvt) wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in een nog verder verleden plaatsvonden en op het moment in het verleden waarnaar wordt verwezen al afgerond waren. Voor deze vorm wordt het voltooid deelwoord gecombineerd met de verleden tijd van een van de hulpwerkwoorden "hebben" of "zijn". Bijvoorbeeld: Ik had gemaakt/Ik was gegaan.

De werkwoordsstam is ook van belang voor het vervoegen van het werkwoord in de verleden tijd, met name waar het de archaïsche tweede persoon enkelvoud betreft: gij. Deze vervoeging komt in het Noord-Nederlands niet veel meer voor, behalve in een vorm als gij waart.

Hiernaast kennen we ook de vier toekomende vormen van deze tijden. Deze worden gemaakt door een combinatie van het hulpwerkwoord "zullen" met

  • de infinitief; bij onvoltooide tijden
  • het voltooid deelwoord plus de infinitief van het hulpwerkwoord "hebben" of "zijn"; bij voltooide tijden.

Bijvoorbeeld: Ik zal maken, Ik zou gegaan zijn.

Verleden tijd; sterke en zwakke werkwoorden[bewerken]

De begrippen sterk en zwak slaan op de manier waarop de verleden tijd en het voltooid deelwoord worden gevormd. Bij zwakke werkwoorden gebeurt dit door middel van een achtervoegsel. Kenmerkend is hierbij dat de klinker van de stam van elke vorm hetzelfde is. Sterke werkwoorden krijgen geen achtervoegsel, maar kennen in plaats daarvan in de verleden tijd en het voltooid deelwoord klinkerwisseling in de stam (ook wel ablaut geheten), die vaak ook gemakkelijk is af te leiden uit de tegenwoordige tijd. De verledentijdsstam is bij sterke werkwoorden gelijk aan de eerste persoon enkelvoud in de verleden tijd.

Daarnaast zijn er werkwoorden waarin behalve de klinker nog meer verandert in de stam, bijv. zijn (was/waren) en komen (kwam). Ook zijn er van oudsher zwakke werkwoorden waarbij in de verleden tijd gaandeweg specifieke veranderingen zijn opgetreden, zoals zeggen, kunnen en willen: zegde(n) werd zeide(n), en in de verleden tijd enkelvoud is bovendien mettertijd de uitgang -de weggevallen, net als bij kondekon).[1]

Twee gangbare voorbeelden van zwakke werkwoordsvormen zijn: maakten, gemaakt en hoorden, gehoord.

soort stam onvoltooid verleden tijd voltooid deelwoord
zwak op -t werken werkte gewerkt
zwak op -d spelen speelde gespeeld

Twee gangbare voorbeelden van sterke werkwoordsvormen zijn: schreven, geschreven en boden, geboden.

soort stam onvoltooid verleden tijd voltooid deelwoord
sterk gaan ging gegaan
sterk vinden vond gevonden
sterk slapen sliep geslapen

Als deze vormen bekend zijn, kan in principe elke andere vorm worden afgeleid. Voor de tegenwoordige tijd worden de regels gevolgd van de eerste tabel op deze pagina. Voor de verleden tijd wordt voor het enkelvoud de bovenstaande vorm gebruikt en voor het meervoud de bovenstaande vorm +-(e)n.

De sterke vervoeging is naar alle waarschijnlijkheid de oudste. In het Nederlands zijn tot op heden zeven klassen sterke werkwoorden te onderscheiden:

Klasse 1[bewerken]

Dit is de grootste klasse, die zo'n 45 wortels en met alle scheidbare en niet-scheidbare voorvoegsels erbij zo'n 300 werkwoorden in totaal bevat. De onbepaalde wijs en de tegenwoordige tijd bevatten de stamklinker ij, die in de verleden en voltooide vormen verandert in een lange e:

blijven - bleef - gebleven
verkrijgen - verkreeg - verkregen
ingrijpen - greep in - ingegrepen

Veel werkwoorden met ij in de stam horen tot deze subgroep. De volgende werkwoorden worden echter volledig zwak vervoegd:

gijpen, hijgen, ijken, ijlen, inlijven, krijsen, lijmen, lijnen, pijpen, prijken, prijzen (in bet. "van een prijs voorzien"), rijmen, rijpen, verstijven, vijlen. [2]
Klasse 2[bewerken]

In deze klasse, naar grootte de derde, worden de verleden en voltooide vormen gekenmerkt door een lange o. De onbepaalde wijs heeft ofwel ie ofwel ui:

bieden - bood - geboden
kruipen - kroop - gekropen
Klasse 3[bewerken]

Deze klasse is de tweede naar grootte en wordt gekenmerkt door een korte klinker i of e gevolgd door een nasaal of liquide (m,n,ng,l,r) in de onbepaalde wijs. In de andere tijden verandert de klinker in een korte o:

klimmen - klom - geklommen
melken - molk - gemolken

Een kleine groep heeft een ie gekregen in de verleden tijd, waarschijnlijk onder invloed van klasse 7:

bederven - bedierf- bedorven
Klasse 4[bewerken]

In deze vrij kleine klasse is er nog een verschil bewaard gebleven tussen de klinker van het enkelvoud en meervoud van de verleden tijd:

breken - brak - braken - gebroken
spreken - sprak - spraken - gesproken
steken - stak - staken - gestoken

Het Nederlands is een van de weinige talen waarin van dat verschil nog iets te merken is.

Klasse 5[bewerken]

Ook in deze klasse is er nog verschil tussen enkelvoud en meervoud van de verleden tijd, net als in de vorige klasse, maar het deelwoord heeft een e:

geven - gaf - gaven - gegeven
Klasse 6[bewerken]
dragen - droeg - gedragen
slaan - sloeg - geslagen
laden - laadde - geladen (vgl Duits: lud)
ervaren - ervoer/ervaarde - ervaren
varen - voer (de vorm "vaarde" is niet officieel erkend) - gevaren

Onder invloed van deze klasse zijn enkele werkwoorden die oorspronkelijk zwak waren in de verleden tijd sterk geworden:

vragen - vroeg - gevraagd (vgl Duits: fragte)
jagen - joeg/jaagde[3] - gejaagd
Klasse 7[bewerken]

In deze klasse is de klinker van het deelwoord dezelfde als van de onbepaalde wijs. De stamklinker van de verleden tijd is -i- of -ie-. Afhankelijk van uit welke klasse het werkwoord oorspronkelijk stamt is de andere klinker tamelijk verschillend:

-aa-
slapen - sliep -geslapen
-a-
vallen - viel -gevallen
-an-
vangen - ving - gevangen
-oe-
roepen - riep - geroepen

Ook deze klasse is enigszins aan slijtage onderhevig. De verleden tijd met -ie- in de stam wordt soms vervangen door een zwakke vorm:

raden - ried / raadde - geraden
wassen - wies - gewassen ("groeien")[4]
wassen - wies / waste - gewassen ("schoonmaken")

Onregelmatige werkwoorden[bewerken]

Naast sterke en zwakke werkwoorden kent het Nederlands ook onregelmatige werkwoorden, die soms ook in de tegenwoordige tijd afwijkende vormen kennen. De belangrijkste zijn: hebben, zijn, willen, zullen, mogen en kunnen. Voor de vorming van de verleden tijd en het voltooid deelwoord zijn hier weinig regels te geven; soms is sprake van een gedeeltelijk weggevallen uitgang -t(e)(n)/ d(e)(n).

Toekomende tijd[bewerken]

De toekomende tijd wordt in het Nederlands gevormd door middel van het hulpwerkwoord zullen. Tussen haakjes staat steeds de alternatieve Latijnse benaming.

Onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (futurum)[bewerken]

De o.t.t.t. wordt samengesteld door het hulpwerkwoord zullen te combineren met een infinitief. In bijna alle gevallen drukt het een handeling uit die in de toekomst plaatsvindt. De benaming "tegenwoordig toekomende" wijst erop dat het spreekmoment samenvalt met het uitgangspunt van waaruit men de tijdsverhoudingen bekijkt.

Voorbeelden:

  • Hij zal meedoen aan de schaakwedstrijd.
  • De raad zal te zijner tijd beslissen.

In enkele gevallen drukt de o.t.t.t. een belofte uit (1) of een waarschijnlijkheid (2):

  1. Ik zal mijn best doen.
  2. Ik zal rond kwart over drie arriveren.

In combinatie met de infinitief van gaan drukt de o.t.t.t. een handeling uit die in een verdere toekomst ligt, dan met (alleen) een andere infinitief.

  • Ik zal gaan promoveren.
Voltooid tegenwoordig toekomende tijd (futurum exactum)[bewerken]

De v.t.t.t. wordt samengesteld door het hulpwerkwoord zullen, het voltooid deelwoord van een werkvoord dat de handeling uitdrukt en een infinitief van hebben of zijn. Het drukt een handeling uit die in de toekomst voltooid zal zijn en het vervangt min of meer de voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.) die hetzelfde kan uitdrukken.

  1. Het doel zal volgende week bereikt zijn.
  2. Het doel is volgende week bereikt.
  1. Hij zal morgen weggelopen zijn.
  2. Hij is morgen weggelopen.
Onvoltooid verleden toekomende tijd (futurum praeteriti)[bewerken]

De o.v.t.t. stelt men samen met zou(den) en een infinitief. Het drukt een handeling uit die vanuit het verleden in de toekomst plaatsvindt. Aangezien het uitgangspunt om de tijdsverhoudingen te bepalen hier het verleden is, spreekt men over een "verleden toekomende" tijd

  • Op 20 maart jongstleden zou ik hem aanvankelijk ontslaan.
  • Op zijn volgende verjaardag zou hij 100 worden.

Een indirecte rede kan ook weer omgezet worden in een directe rede met de o.v.t.t.

  1. Peter zei: “Ik zal je schoenen poetsen.”
  2. Peter zei dat hij mijn schoenen zou poetsen.
Voltooid verleden toekomende tijd (futurum exactum praeteriti)[bewerken]

De v.v.t.t. wordt samengesteld door het hulpwerkwoord zou(den), samen met hebben of zijn en een voltooid deelwoord. De v.v.t.t. drukt een handeling uit die vanuit het verleden gezien in de toekomst zou plaatsvinden.

  • Op 20 maart jongstleden zou ik aanvankelijk ontslagen zijn.
  • Op zijn volgende verjaardag zou hij 100 jaar geweest zijn.

Ook kan een directe rede omgezet worden in een indirecte rede:

  1. Peter zei vorige week: “Ik zal volgende week je schaatsen geslepen hebben.”
  2. Peter zei dat hij deze week mijn schaatsen zou hebben geslepen.

Totaaloverzicht van de tijden[bewerken]

Met de bovenstaande richtlijnen kunnen van een onovergankelijk werkwoord in totaal 8 werkwoordstijden gevormd worden. Als het werkwoord overgankelijk is, komen daar nog 8 tijden van de lijdende vorm bij en zijn er dus 16 vormen:

Tijd Actief Passief
Onvoltooid tegenwoordige tijd Ik bedank. Ik word bedankt.
Onvoltooid verleden tijd Ik bedankte. Ik werd bedankt.
Voltooid tegenwoordige tijd Ik heb bedankt. Ik ben bedankt.
Voltooid verleden tijd Ik had bedankt. Ik was bedankt.
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd Ik zal bedanken. Ik zal bedankt worden.
Onvoltooid verleden toekomende tijd Ik zou bedanken. Ik zou bedankt worden.
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd Ik zal bedankt hebben. Ik zal bedankt zijn.
Voltooid verleden toekomende tijd Ik zou bedankt hebben. Ik zou bedankt zijn.

De voltooide tijden worden gevormd met een van de hulpwerkwoorden "zijn" of "hebben", gevolgd door het voltooid deelwoord. Voor de toekomende tijd wordt gebruik gemaakt van het hulpwerkwoord "zullen", in combinatie met de infinitief en eventueel het voltooid deelwoord (voor de voltooide tijden). Vaker echter wordt de toekomende tijd gewoon met een tegenwoordige tijd uitgedrukt:
Dat doe ik morgen wel.

De keuze tussen het hulpwerkwoord "hebben" of "zijn" is werkwoordsafhankelijk. Bij de meeste werkwoorden wordt altijd "hebben" gebruikt, een kleinere groep wordt met "zijn" vervoegd. Een nog kleiner aantal werkwoorden kan met beide werkwoorden vervoegd worden, wat soms een klein betekenisverschil oplevert.

Vervoeging met zowel hebben als met zijn :

'Wij hebben gefietst' en 'wij zijn gefietst' zijn beide juist; er is wel een licht betekenisverschil. In 'wij hebben gefietst' gaat het om de handeling, in 'wij zijn gefietst' om het einddoel. Het is dus: 'Wij zijn naar het station gefietst' en 'Wij hebben gisteren een heel eind gefietst.' Dit verschil speelt ook bij andere werkwoorden die een beweging aangeven: (mee)lopen, (mee)rijden, reizen, varen, enz.

Naast deze groep 'bewegingswerkwoorden' is er nog een groep werkwoorden die met zowel hebben als zijn vervoegd kunnen worden: werkwoorden die zowel overgankelijk (met een lijdend voorwerp) als onovergankelijk (zonder lijdend voorwerp) gebruikt kunnen worden: genezen, stoppen, trouwen, veranderen, verteren, enz. Met lijdend voorwerp worden deze werkwoorden vervoegd met hebben zonder lijdend voorwerp met zijn: 'De dokter heeft hem genezen', 'Hij is genezen', 'Het succes heeft haar erg veranderd', 'Zij is erg veranderd.'

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Dit verschijnsel wordt in de taalkunde "apocope" genoemd. Vgl. ook equivalente Duitse vormen: sagte(n), konnte(n), wollte(n) (Nederlands; (ik) wolde > woude > wou).
  2. Werkwoorden met ei in de stam (bijv. neigen) zijn in de regel uitsluitend zwak. Een enkele uitzondering hierop (m.n. zeiken) is ontstaan door analogie met de sterke werkwoorden uit klasse I.
  3. Hier is tevens een licht verschil in gebruik: in figuurlijke zin wordt vooral joeg gebruikt.
  4. Dit werkwoord zit onder andere in volwassen, maar komt in modern Nederlands vrijwel niet meer voor.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.