Nederlands/Grammatica/Bijwoorden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
  • Een bijwoord zegt iets over een werkwoord, bijvoorbeeld hoe iemand iets doet. Voorbeeld:
Hij rijdt voorzichtig.

In dit voorbeeld zegt voorzichtig iets over rijden, namelijk: hij rijdt voorzichtig.

Verwar een bijwoord dus niet met een adjectief. Adjectieven zeggen iets over zelfstandige naamwoorden (bv.: boek, tafel, jongen, ...); bijwoorden staan nooit bij een zelfstandig naamwoord (zelfst. nmw.).

Een "bijwoord" dat bij een zelfst. nmw. staat (deze formulering klopt eigenlijk niet, omdat een bijwoord nooit bij een zelfst. nmw. kan staan), wordt een bijvoeglijk naamwoord (= adjectief).


  • Het kan echter ook zijn dat een bijwoord iets zegt over een adjectief (= bijvoeglijk naamwoord). Voorbeeld:
Hij is heel groot.

Het bijwoord is in dit voorbeeld heel (en niet groot). Heel zegt iets over groot. Het bijvoeglijk naamwoord groot zegt op zijn beurt iets over zijn, namelijk: hij is groot..

Je kan bijwoorden onderscheiden van adjectieven, doordat ze steeds dezelfde spelling hebben (en dus in dezelfde vorm voorkomen). Adjectieven daarentegen passen zich aan aan het woord waar ze bij horen.

Bijwoord Adjectief
Hij stapt snel. Hij heeft een snelle stap.
Haar dochter is ziek. Haar zieke dochter.
De hond blaft erg luid. Wat een erg verhaal!


Hoewel de grenzen tussen de verschillende soorten bijwoorden soms niet scherp te trekken zijn, zijn er toch een aantal verschillende soorten aan te wijzen

Adjectivale bijwoorden[bewerken]

Dit zijn bijwoorden die ofwel gelijkluidend zijn met bijvoeglijke naamwoorden of er met een achtervoegsel van afgeleid zijn. Het woord snel hierboven is een voorbeeld van het eerste.

Voorzetselbijwoorden[bewerken]

Veel, maar niet alle voorzetsels kunnen als bijwoord gebruikt worden. Soms veranderen ze van vorm, bijvoorbeeld tot wordt toe en met wordt mede of mee. Voorzetselbijwoorden spelen een belangrijke rol in de Nederlandse grammatica omdat zij zich met andere elementen verenigen kunnen, bijvoorbeeld

  1. met werkwoorden: mee + gaan => meegaan (Scheidbare en onscheidbare werkwoorden)
  2. met bijwoorden van plaats: hier + mee => hiermee (Voornaamwoordelijke bijwoorden)
  3. met een ander voorzetselbijwoord: achter + in => achterin (Samengesteld voorzetselbijwoord)

In alle drie deze gevallen kan sprake zijn van scheidbaarheid.

Sommige voorzetsels zoals gedurende of via kunnen niet als bijwoord gebruikt worden. Daartegenover staat dat er een aantal voorzetselbijwoorden zijn zoals af en heen die niet als voorzetsel gebruikt kunnen worden

Voegwoordelijke bijwoorden[bewerken]

Deze bijwoorden kunnen aan de ene zin toegevoegd worden om een verband met een andere zin aan te geven. Anders dan de echte voegwoorden staan zij vaak niet op de 'las' tussen de twee zinnen. Woorden als desondanks, immers:

Hij was erg nat geworden. Hij hield desondanks niet op met zoeken
Hij is een koppig persoon. Hij was er immers niet mee opgehouden.

Voornaamwoordelijke bijwoorden[bewerken]

Deze bijwoorden nemen de plaats in van de combinatie voorzetsel + voornaamwoord. Anders dan in andere Germaanse talen, waar ze weinig productief meer zijn, zijn ze in het Nederlands een belangrijk en actief deel van de grammatica.

Qua vorm bestaan ze uit een locatief bijwoord + een voorzetselbijwoord, bijvoorbeeld in plaats van met + het gebruiken we ermee. Met en het worden dus kruiselings vervangen, het persoonlijk voornaamwoord het door het overeenkomstig locatief er en het voorzetsel met door het voorzetselbijwoord mee.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.