Nederlands/Grammatica/Werkwoorden/Regeltjes voor dt

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inleiding[bewerken]

Lezen[bewerken]

Schrijven[bewerken]

Spreken en luisteren[bewerken]

Grammatica[bewerken]

Spelling[bewerken]

Toets[bewerken]

Fictie[bewerken]

Toetsenbank Nederlands[bewerken]

Centraal Schriftelijk Eindexamen[bewerken]



De dt-regels vormen een verzameling regels voor de spelling van werkwoorden, die bepalen of een werkwoordsvorm op een d of een t eindigt.

Tegenwoordige tijd[bewerken]

Standaard altijd "stam + t"[bewerken]

De tegenwoordige tijd beschrijft handelingen of toestanden waar op dit moment sprake van is. Voor het bepalen of een woord op een d of een t moet eindigen, is de tegenwoordige tijd het meest eenvoudig te begrijpen. De regel is dat in het enkelvoud de 1e persoon vervoegd wordt met de stam, en de 2e en 3e persoon met de stam +t.

Hieronder volgt een voorbeeld met de vijf werkwoorden: "wandelen", "zingen", "typen", "vinden" en "worden".

Wandelen Zingen Typen Vinden Worden
stam wandel- zing- typ- vind- word-
ik stam ik wandel ik zing ik typ ik vind ik word
jij stam+t ;
stam jij?
jij wandelt;
wandel jij?
jij zingt;
zing jij?
jij typt;
typ jij?
jij vindt;
vind jij?
jij wordt;
word jij?
gij stam+t ;
stam+t gij?
gij wandelt;
wandelt gij?
gij zingt;
zingt gij?
gij typt;
typt gij?
gij vindt;
vindt gij?
gij wordt;
wordt gij?
hij stam+t hij wandelt hij zingt hij typt hij vindt hij wordt

Het volgende voorbeeld is met de werkwoorden: "leven", "pakken" en "verhuizen".


Leven Pakken Verhuizen
stam leev- pak- verhuiz-
ik stam ik leef ik pak ik verhuis
jij stam+t ;
stam jij?
jij leeft;
leef jij?
jij pakt;
pak jij?
jij verhuist;
verhuis jij?
gij stam+t ;
stam+t gij?
gij leeft;
leeft gij?
gij pakt;
pakt gij?
gij verhuist;
verhuist gij?
hij stam+t hij leeft hij pakt hij verhuist

Voor ieder van bovenstaande vervoegingen in de tabel geldt, dat de persoonsvormen bestaan uit stam of stam+t. Bovenaan ieder rijtje vervoegingen is de "stam" van het werkwoord te vinden. Deze bestaat ruwweg uit het hele werkwoord, min de letters "-en" (bij leev en bij pak is dit niet helemaal het geval; er komt een klinker bij en er verdwijnt een medeklinker.

In de bovenstaande tabel staat in feite het volgende: Bij de "ik-vorm" (eerste persoon enkelvoud, je spreekt over jezelf) bestaat de persoonsvorm alleen uit de stam. Bij de "jij-vorm" (tweede persoon enkelvoud, je spreekt tegen iemand) zijn er twee mogelijkheden: Komt de persoon "jij" in de zin vóór de persoonsvorm "wandelen", dan gebruik je stam+t. Komt de persoon echter ná de persoonsvorm, zoals in een vraagzin, dan gebruik je alleen de stam. Bij de "gij-vorm" (tweede persoon enkelvoud) gebruik je altijd stam+t. Bij de "hij-vorm" (derde persoon enkelvoud, je spreekt tegen iemand over iemand anders), gebruik je altijd stam+t.

Ter illustratie:

  • Ik zing graag een liedje onder de douche.
    Persoon: "ik", werkwoord: "zingen", alleen de "stam" gebruiken levert "zing".
  • Jij zoekt straks vast het eerste kievitsei.
    Persoon: "jij", werkwoord: "zoeken", de persoonsvorm komt in de zin pas ná de persoon, dus "stam+t" gebruiken levert "zoekt"
  • Harm werkt op de boerderij.
    Persoon: "Harm", werkwoord: "werken", Harm is iemand anders, dus wordt de "hij-vorm" gebruikt, ofwel altijd "stam+t"
  • Het gebeurt voor je er erg in hebt.
    Persoon: "Het", werkwoord: "gebeuren", 'Het' is iets/iemand anders, dus wordt de "hij-vorm" gebruikt, ofwel altijd "stam+t"
  • Kijk je ook wel eens naar Samson en Gert?
    Persoon: "jij", werkwoord: "kijken", de persoonsvorm komt in de zin vóór de persoon, dus "stam" gebruiken levert "kijk"
  • Vindt je vader het eigenlijk wel goed als we komen?
    Een instinker; de persoon in dit voorbeeld is niet "je", maar "je vader". Je vader is iemand anders (hij), dus wordt de "hij-vorm" gebruikt, ofwel altijd "stam+t". Als ezelsbruggetje kan je "je"-situaties voor jezelf verduidelijken door altijd te proberen om "je" voor "jij" te vervangen. Als de "jij" constructie dan niet klopt, is het bijna altijd "stam+t".

Een opmerkelijk verschijnsel in de tabel is dat bij leven en verhuizen de stammen "leev-" en "verhuiz-" op een v en een z eindigen, terwijl dit niet is terug te zien in de vervoegingen. Omdat de letters v en z moeilijk zijn uit te spreken aan het eind van een woord, zijn ze bij de ik-, de jij- en de hij-vorm door een f en een s vervangen, de zogeheten eindklankverscherping.

Uitzonderingen op "stam + t"[bewerken]

Op de "stam+t"-regel zijn twee uitzonderingen:

  • Werkwoorden waarvan de stam op een -t eindigt, zoals zitten, "zetten", mesten, lanterfanten. Volgens de stam+t-regel zou te verwachten zijn dat er, net als bij (hij) loop+t ook (hij) zitt zou ontstaan. Er is echter afgesproken dat een medeklinker aan het eind van een woord niet wordt verdubbeld in de spelling.
  • De onregelmatige werkwoorden. Hierboven hebben we ons steeds beperkt tot werkwoorden waarbij de stam bij de ik-, de jij-, de hij- en de u-vorm niet verandert. Dit zijn de zogenaamde "regelmatige werkwoorden". Het Nederlands kent echter ook zeven onregelmatige werkwoorden, waarbij de stam wél verandert. Twee voorbeelden zijn de werkwoorden "zijn" en "hebben". In plaats van "ik zij, jij zijt, hij zijt" en "hij hebt" hebben deze woorden hun eigen vervoegingen namelijk "ik ben, jij bent, hij is" en "hij heeft".
  • De werkwoorden "kunnen", "mogen", "zullen" en "willen". Niet alleen ondergaat, behalve bij "willen", de stam een verandering van de klank: "ik kan", "ik mag" en "ik zal", maar kent de 2e persoon zowel de mogelijkheid oorspronkelijke stam+t, als de vorm van de 1e persoon: "jij/u kan/kunt" etc. De 3e persoon wordt vervoegd als de 1e, dus "hij kan", "hij mag" etc. In delen van Nederland is de vorm "wilt" desondanks gebruikelijk, maar "wil" wordt als correct gezien.[1]

Verleden tijd[bewerken]

De moeilijkheden met d en t beginnen bij de verleden tijd.

De basisvorm van de verleden tijd staat, per werkwoord, op één van de drie volgende manieren in relatie tot de stam:

  1. De verleden tijd wordt gevormd door de uitgang "-de" achter de stam
  2. De verleden tijd wordt gevormd door de uitgang "-te" achter de stam
  3. De verleden tijd is een nieuw woord geworden (meestal met dezelfde medeklinkers als de stam en andere klinkers)

We kijken eerst naar dezelfde regelmatige werkwoorden als in de vorige paragraaf; daarna leggen we uit hoe de basisvorm van de verleden tijd ontstaat.

Wandelen Zingen Typen Vinden Worden Leven Pakken Verhuizen
stam wandel- zing- typ- vind- word- leev- pak- verhuiz-
basisvorm wandelde (1) zong (3) typte (2) vond (3) werd (3) leefde (1) pakte (2) verhuisde (1)
ik basisvorm ik wandelde ik zong ik typte ik vond ik werd ik leefde ik pakte ik verhuisde
jij basisvorm;
basisvorm jij?
jij wandelde;
wandelde jij?
jij zong;
zong jij?
jij typte;
typte jij?
jij vond,
vond jij?
jij werd;
werd jij?
jij leefde,
leefde jij?
jij pakte;
pakte jij?
jij verhuisde,
verhuisde jij?
gij basisvorm+t;
basisvorm+t gij?
gij wandelde(t);
wandelde(t) gij?
gij zongt;
zongt gij?
gij typte(t);
typte(t) gij?
gij vondt,
vondt gij?
gij werdt;
werdt gij?
gij leefde(t),
leefde(t) gij?
gij pakte(t);
pakte(t) gij?
gij verhuisde(t);
verhuisde(t) gij?
hij basisvorm hij wandelde hij zong hij typte hij vond hij werd hij leefde hij pakte hij verhuisde

De werkwoorden (1) en (2), waarbij de verleden tijd gevormd wordt door -de(n) of de "stemloze tegenhanger" -te(n) achter de stam te zetten, worden ook wel "zwakke werkwoorden" genoemd. De werkwoorden (3), waarbij de verleden tijd een nieuw woord is geworden, noemt men ook wel "sterke werkwoorden". Deze laatste groep kan in het dt-verhaal buiten beschouwing gelaten worden.

Bij de "gij-vorm" wordt er steeds een extra t aan de basisvorm gevoegd. Veel dagelijks gebruikers laten de t echter weg bij de zwakke werkwoorden (gij pakte in plaats van gij paktet; de officiële vorm is echter altijd met t, dus gij paktet); bij de sterke werkwoorden blijft de t altijd verplicht (dus gij hadt zoals gij liept).

Wanneer wordt er nu -de en wanneer -te gebruikt? Hierbij wordt gelet op de twee-nalaatste letter van de infinitief (dat is niet altijd dezelfde als de laatste letter van de stam). De uitgang -te(n) komt voor als deze letter stemloos is. Bij alle andere zwakke werkwoorden eindigt de verleden tijd op -de(n). Op grond van deze regel is het straf+te, leef+de, las+te, verhuis+de. De laatste letter van de stam van leven is een f en die van verhuizen is een s, maar er wordt gelet op de v en z in de infinitief.

Ter illustratie:

  • Je wandelde na afloop van je werk meteen de kroeg in.
    Persoon: "Je", werkwoord: "wandelen", de "stam" eindigt op een "l" (wandel-), en die zit niet in 't Kofschip
  • Ik leefde helemaal op toen ik bezoek kreeg in het ziekenhuis.
    Persoon: "Ik", werkwoord: "leven", de "stam" eindigt op een "v" (leev-), en die zit niet in 't Kofschip
  • De scholier typte zijn verslag letterlijk over van Wikipedia.
    Persoon: "de scholier", werkwoord: "typen", de stam eindigt op een "p" (typ-), en die zit wél in 't Kofschip
  • De wikipediaan zette de bloemetjes buiten tijdens de wikimeet.
    Persoon: "de wikipediaan", werkwoord: "zetten", de stam eindigt op een "t" (zet-), en die zit wél in 't Kofschip.

Voltooid deelwoord[bewerken]

Wie uit de voeten kan met het samenstellen van de onvoltooid verleden tijd, kan nu ook met het voltooid deelwoord uit de voeten. Het voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden eindigt op een -d als de verleden tijd -de(n) heeft, en op een -t als de verleden tijd -te(n) heeft: gewandeld, gefietst, verhuisd, gebeurd.

Ter illustratie:

  • Je bent na afloop van je werk meteen de kroeg in gewandeld
    Persoon: "Je", deelwoord: "wandelen", de "stam" eindigt op een "l" (wandel-) en die zit niet in 't Kofschip.
    Ook: wandelen - wandelde, dus gewandeld
  • Vorige week ben ik naar Almere verhuisd
    Persoon: "Ik", deelwoord: "verhuizen", de "stam" eindigt op een "z" (verhuiz-) en die zit niet in 't Kofschip.
    Ook: verhuizen - verhuisde, dus verhuisd
  • Het ongeluk is gebeurd vóór iemand er erg in had.
    Persoon: "het ongeluk", deelwoord: "gebeuren", de stam eindigt op een "r" (gebeur-) en die zit niet in 't Kofschip.
    Ook: gebeuren - gebeurde, dus gebeurd
  • De schrijver had zijn hele werkstuk getypt op een antieke Remington.
    Persoon: "de schrijver", deelwoord: "typen", de stam eindigt op een "p" (typ-) en die zit wél in 't Kofschip.
    Ook: typen - typte, dus getypt
  • Hij voelt zich gepakt door de belastingdienst.
    Persoon: "hij", deelwoord "pakken", de stam eindigt op een "k" (pak-) en die zit wél in 't Kofschip.
    Ook: pakken - pakte, dus gepakt

Ezelsbruggetjes[bewerken]

't Kofschip of 't fokschaap[bewerken]

Als de laatste letter van de stam van het werkwoord een stemloze medeklinker is - dus p, t, k, f, s, sj, ch of x - krijgt de verleden tijd -te(n) en het voltooid deelwoord -t.

De meeste van deze medeklinkers staan in "'t kofschip" of "'t fokschaap". De medeklinkers sj en x - die er niet in staan-, zijn veelal van vreemde oorsprong.

Bijvoorbeeld:

  • Relaxen → Ik relaxte
  • Douchen → Ik douchte
  • Crashen → Ik crashte

Anderstaligen die Nederlands leren, gebruiken vaak "soft ketchup" als ezelsbruggetje.

Andere voorbeelden[bewerken]

  • Beven (.. [beven] voor iets)
  • Drinken (.. [drinken] koffie / thee / limonade)
  • Horen (.. [horen] iets)
  • Lopen (.. [lopen] naar ..)

Noot

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.