Italiaans/Les02

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Italiaans

Inleiding
  1. Inleiding op de cursus
Lessen
  1. Alfabet en uitspraak
  2. Regelmatige werkwoorden
  3. Lidwoorden en venire
  4. Voltooid tegenwoordige tijd en delend lidwoord
  5. Wederkerende werkwoorden
  6. Bijvoeglijk naamwoord, bezittelijk voornaamwoord
  7. Andare, teksten lezen en klokkijken
  8. Getallen, tenere en dovere
  9. Voorzetsel, rimanere, uscire en stare
  10. Meewerkend voorwerp, vraagwoorden en dare
  11. Bijwoord, onbepaald voornaamwoord, toekomende tijd
  12. Gebiedende wijs, rangtelwoorden
  13. Verleden tijd
  14. Vergelijking en bere
  15. Ci en ne
  16. Onvoltooid deelwoord
  17. Persoonlijk voornaamwoord
  18. Congiuntivo en passivum
  19. Condizionale en voegwoorden
  20. Afsluitend examen
  21. Einde
Toetsen
  1. Toets les 2 en 3
  2. Eindexamen
  3. Luistertoets
Overig
  1. Nuttige woorden
  2. Grammatica
  3. Grammatica-overzicht
  4. Woordenlijst
  5. Cultuur en eetgewoonten van Italië
  6. Huurcontract
  7. Meningen
  8. Antwoordenboek
Auteurs
  1. Dion
  2. Hansmuller


<Inhoudsopgave - Inleiding - Les 1 - Les 2 - Les 3>

Onderwerp van les 2[bewerken]

Les 2 (Lezione Due) van de cursus Italiaans gaat over de vervoeging van regelmatige werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Ook leert u twee onregelmatige werkwoorden: essere (zijn) en avere (hebben) en een klein aantal woorden. Zie de woordenlijst onderaan als de volgende tekst niet duidelijk wordt.

Tekst: Un incontro (een ontmoeting)[bewerken]

Gianni: Salve! Sono Gianni, Lei come si chiama?
Carla: Buongiorno! Mi chiamo Carla. Benvenuto in Italia, Gianni! Parli italiano?
Gianni: No, non parlo bene italiano ! Oggi partiamo per la Svizzera.
Carla: Bene. Hai due pani e latte per mio padre?
Gianni: No, ho un pane e un litro di latte.
Carla: E acqua?
Gianni: Scusi, che cosa?
Carla: Acqua?!
Gianni: No, non ho acqua, ma grazie.
Carla e Gianni: Ci vediamo!

salve = Hallo, Dag

oggi = (uitspraak: oh-dsjie, korte o) vandaag

per mio padre = voor mijn vader

ma = maar

>> Zie verder de woordenlijst onderaan.


Opdracht: Vertaal dit tekstje over Gianni (uitspraak Dzjanni=Giovanni=Johan=Jan) en Carla.

De regelmatige werkwoorden[bewerken]

In het Italiaans zijn er drie infinitiefuitgangen van het regelmatige werkwoord, namelijk:

-are
-ere
-ire

Van de werkwoorden op -ire is er ook een aantal afwijkende, maar ze zijn toch regelmatig.

  • In afwijking van het Frans is de beleefdheidsvorm U ondergebracht bij de derde persoon enkelvoud (hij/zij/het), en dus niet bij de tweede persoon meervoud ('jullie'). Voorbeeld: 'Parla olandese" = U/hij/zij/het praat Nederlands.
  • De klemtoon is vet aangegeven. De werkwoordstammen zijn parl, pag, cred, part, cap.
  • Het is alleen bij nadruk nodig om het persoonlijk voornaamwoord (ik = io, jij = tu (uitspraak "toe"), hij = lui ("loe-ie") enzovoorts te gebruiken, aan de uitgang van het werkwoord wordt de persoon herkend! Parlo = ik praat/spreek, Io parlo = IK praat/spreek.
parlare
(spreken)
pagare¹
(betalen)
credere
(geloven)
partire
(vertrekken)
capire²
(begrijpen)
ik (io) parlo pago credo parto capisco
jij (tu) parli paghi credi parti capisci (uitspraak kapiesjie)
hij/zij/u (lui/lei) parla paga crede parte capisce (uitspraak kapiesje)
wij (noi) parliamo paghiamo crediamo partiamo capiamo
jullie (voi) parlate pagate credete partite capite
zij (loro) parlano pagano credono partono capiscono

¹: Bij werkwoorden die eindigen op -gare of -care wordt er in de 2e persoon enkelvoud en 1e persoon meervoud een "h" ingevoegd. Dit is om een verandering van uitspraak te voorkomen. De "g" of "gh" blijft dus uitgesproken als een Franse "g" zoals in garçon en de "ch" als onze "k".

²: Er zijn twee vormen van werkwoorden op -ire. De eerste, zoals partire, is de gangbare. Bij werkwoorden als capire moet men echter de tweede manier gebruiken

Geen persoonlijk voornaamwoord nodig[bewerken]

Zoals u ziet is het persoonlijk voornaamwoord steeds tussen haakjes gezet in de rijtjes. Het is alleen nodig in het Italiaans als er nadruk op ligt of voor de duidelijkheid.

De onregelmatige werkwoorden essere en avere[bewerken]

In deze les leert u twee onregelmatige werkwoorden: zijn en hebben. Net als bij de vorige werkwoorden leert u alleen de onvoltooid tegenwoordige tijd. Persoonlijke voornaamwoorden als io/tu (ik/jij) enz. zijn alleen nodig bij nadruk en staan daarom tussen haakjes. De klemtoon is vet aangegeven.

essere
(zijn)
avere
(hebben)
(io) sono ho
(tu) sei hai
(lui/lei) è ha
(noi) siamo abbiamo
(voi) siete (uitspreek si-e-te) avete
(loro) sono hanno

De persoonlijke voornaamwoorden[bewerken]

De persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp worden in het Italiaans alleen gebruikt als er nadruk op ligt, met uitzondering van 'Lei'. Om welke persoon het gaat, horen we aan de werkwoordsuitgangen.

io (uitspraak ie-jo) ik
tu (uitspraak toe) jij, je
lui (uitspraak loe-ie) hij
lei zij, ze
Lei u (let op de hoofdletter L)
noi wij, we
voi jullie
loro zij, ze (meervoud)
Loro u (meervoud)

Woordenlijst[bewerken]

De klemtoon is vet aangegeven. Een taal spreken begint met

0. /no = ja/nee (let op het accent in sì, want si zonder accent betekent 'zich' of 'men'.)
Scusi = (uitspraak: skoesi, letterlijk:) excuseer = sorry, pardon, neemt u mij niet kwalijk

1. Benvenuto! = Welkom!

2. Mi chiamo... = (uitspraak: mi kiamo..) Ik heet...

3. Come ti chiami? = (uitspraak: kommè ti kiami..) Hoe heet jij?

4. Come si chiama? = Hoe heet hij/zij/u?

5. Come stai? = Hoe gaat het met je?

6. Come sta? = Hoe gaat het met u/haar/hem?

7. Ciao! = Hallo! (Tegen vrienden en (vreemde) kinderen, niet tegen vreemde volwassenen! Gebruik dan Buongiorno!= goedendag)

8. Ci vediamo!/Arrivederci!/ArrivederLa! = Tot ziens! (De laatste vorm is beleefd, 'La' is lijdend voorwerpsvorm van u.)

9. Grazie! = (spreek uit: graa-tsie-e, 'ie' zijn in het Italiaans twee losse klinkers!) Dank u wel!

10. No grazie = Nee, dank u (wel)

11. il latte = de melk, un litro di latte = een liter melk

12.l'acqua v = het water

13. il pane = het brood

14. parlare = praten/spreken

15. credere = geloven

16. partire = vertrekken

17. capire = begrijpen

18. pensare = denken

19. costare = kosten

20. piacere = houden van, lekker vinden. Wordt gebruikt bijvoorbeeld mi piace il pane = ik vind het brood lekker. Letterlijk: mij behaagt het brood.

21. la Svizzera = Zwitserland

22. l'Italia v = Italië

23. Come? = Hoe? Wat?

24. Che cosa? = Wat? (la cosa = het ding/de zaak)

25. Dove? = Waar?

26. Chi? = Wie?

27. Zero = nul = 0

28. Uno = één = 1

29. Due = twee = 2

30. Tre = drie = 3

31. Quattro = vier = 4

32. Cinque = (tsjien-kwe) vijf = 5

33. Sei = zes = 6

34. Sette = zeven = 7

35. Otto = acht = 8

36. Nove = negen = 9

37. Dieci = (di-ee-tjsi) tien = 10

38. e = en (uitspraak: 'ee', pas op: è met accent = hij/zij/het/U is)

39. La fragola = de aardbei

40. Bene = goed (korte e)

U kent al 40 woorden!

Oefeningen[bewerken]

Vul de gevraagde vorm van het werkwoord in:

Ik praat

Wij begrijpen

Zij hebben

Jullie zijn

Zij vertrekt


2. Vertaal de volgende woorden en zinnen in het Nederlands:

1. Come ti chiami?

2. Mi chiamo Jan.

3. Hai l’acqua?

4. Abbiamo il pane?

5.Il pane e l'acqua.


3. Vertaal de volgende woorden en zinnen in het Italiaans:

1. Ik heb de aardbei.

2. Hoe heet zij? Zij heet Paola

3. Ik praat goed Italiaans.

4. Wat? Het kost €5,-

5. Jullie hebben water.


De antwoorden zijn hier te vinden: Italiaans/Antwoorden_Les02


<Inhoudsopgave - Inleiding - Les 1 - Les 2 - Les 3>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.