Italiaans/Les12

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Italiaans

Inleiding
  1. Inleiding op de cursus
Lessen
  1. Alfabet en uitspraak
  2. Regelmatige werkwoorden
  3. Lidwoorden en venire
  4. Voltooid tegenwoordige tijd en delend lidwoord
  5. Wederkerende werkwoorden
  6. Bijvoeglijk naamwoord, bezittelijk voornaamwoord
  7. Andare, teksten lezen en klokkijken
  8. Getallen, tenere en dovere
  9. Voorzetsel, rimanere, uscire en stare
  10. Meewerkend voorwerp, vraagwoorden en dare
  11. Bijwoord, onbepaald voornaamwoord, toekomende tijd
  12. Gebiedende wijs, rangtelwoorden
  13. Verleden tijd
  14. Vergelijking en bere
  15. Ci en ne
  16. Onvoltooid deelwoord
  17. Persoonlijk voornaamwoord
  18. Congiuntivo en passivum
  19. Condizionale en voegwoorden
  20. Afsluitend examen
  21. Einde
Toetsen
  1. Toets les 2 en 3
  2. Eindexamen
  3. Luistertoets
Overig
  1. Nuttige woorden
  2. Grammatica
  3. Grammatica-overzicht
  4. Woordenlijst
  5. Cultuur en eetgewoonten van Italië
  6. Huurcontract
  7. Meningen
  8. Antwoordenboek
Auteurs
  1. Dion
  2. Hansmuller


<Inhoudsopgave - Les 11 - Les 12 - Les 13>

Onderwerp van les 12[bewerken]

Deze les (Lezione Dodici) gaat over de gebiedende wijs, nationaliteiten en rangtelwoorden. Ook het werkwoord ´sapere´ (weten) zal behandeld worden.

Gebiedende wijs[bewerken]

De gebiedende wijs of imperatief (l'imperativo in het Italiaans) wordt gebruikt om een bevel te geven, bijvoorbeeld:

 Luister, Peter!

of:

 Zit, Nero!

In het Nederlands is er maar 1 vorm voor de gebiedende wijs. In het Italiaans zijn er 5. Alleen de 1e persoon enkelvoud heeft (vanzelfsprekend) geen gebiedende wijs-vorm. Hier zijn ze in een tabelletje weergegeven, de -are, -ere en -ire vorm en de twee onregelmatige werkwoorden essere en avere.

parlare credere partire essere avere
1e persoon enkelvoud - - - - -
2e persoon enkelvoud parla credi parti sii abbi
3e persoon enkelvoud parli creda parta sia abbia
1e persoon meervoud parliamo crediamo partiamo siamo abbiamo
2e persoon meervoud parlate credete partite siate abbiate
3e persoon meervoud parlino credano partano siano abbiano

Hieronder een aantal voorbeeldzinnen met een gebiedende wijs (Imperativo in het Italiaans)

 Sii paziente, Pedro! : Wees geduldig, Pedro!
 Parlate Italiano, Pedro e Carla! : Spreek Italiaans, Pedro en Carla!
 Partite in Italia, tutti e due! : Vertrek naar Italië, allebei!
 Non fumiamo! Fa male alla salute! : Wij roken niet! Dat is slecht voor de gezondheid!
 Spegniamo la luce se andiamo via per un pó! : Wij doen het licht uit als we even weggaan!

Rangtelwoorden[bewerken]

Rangtelwoorden gebruik je als je wilt rangschikken, bijvoorbeeld hier:

 Juve is eerste geworden, Milan tweede, Napoli derde.....

Rangtelwoorden zijn vrij simpel (behalve bij de eerste wordt alleen de mannelijke vorm gegeven):

Nederlands Italiaans Italiaanse
afkorting
eerste primo/prima 1o, 1a
tweede secondo 2o
derde terzo 3o
vierde quarto 4o
vijfde quinto 5o
zesde sesto 6o
zevende settimo 7o
achtste ottavo 8o
negende nono 9o
tiende decimo 10o
elfde undicesimo 11o
twaalfde dodicesimo 12o
enzovoorts
twintigste ventesimo 20o
dertigste trentesimo 30o
enzovoorts
honderdste centesimo 100o
duizendste millesimo 1000o
enzovoorts

Nationaliteiten[bewerken]

Hier leert u de namen van een aantal landen en hun bewoners. De klemtoon is vet aangegeven.

Algeria - algerino/ -ina Algerije - Algerijn(se)
America - americano/ -ana Amerika - Amerikaan(se)
Australia - australiano/ -ana Australië - Australiër/Australiaanse
Belgio - belga/-a België/Belg
Brasile - brasiliano/ -ana Brazilië - Braziliaan(se)
Cipro - cipriota Cyprus - Cyprioot
Danimarca - danese Denemarken - Deen(se)
Filippine - filippino/ -ina Filippijnen - Filippijner(se)
Francia - francese Frankrijk - Fransman/Française
Germania - tedesco/ a Duitsland - Duitser/Duitse
Giappone - giapponese Japan - Japanner/Japanse
Inghilterra - inglese Engeland - Engelsman/Engelse
Italia - italiano/ -ana Italië - Italiaan/Italiaanse
Marocco - marocchino/ -ina Marokko - Marokkaan(se)
Messico - messicano/ -ana Mexico - Mexicaan(se)
Olanda - olandese Nederland - Nederlander/Nederlandse
Polonia - polacco/ a Polen - Pool(se)
Portogallo - portoghese Portugal - Portuge(e)s(e)
Russia - russo Rusland - Rus/Russische
Senegal - senegalese Senegal - Senegale(e)s(e)
Spagna - spagnolo Spanje - Spanjaard/Spaanse
Svizzera - svizzero Zwitserland - Zwitser(se)
Tunisia - tunisino/ -ina Tunesië - Tunesiër/Tunesische
Turchia - turco Turkije - Turk(se)
Venezuela - venezuelano/ -ana Venezuela - Venezolaan(se)
Vietnam - vietnamita Vietnam - Vietnamees/Vietnamese

1. De laatste vormen in het Italiaans zijn natuurlijk ook als bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken. Ze worden dan wel verbogen.

2. Let goed op de vorm van Duitsland (Germania) - Duitser (tedesco). Het lijkt totaal niet op elkaar.

3. Een Belg is, man of vrouw, een belga. In het meervoud is er wel verschil: i belgi (de mannen) en le belghe (de vrouwen).

Het werkwoord ´sapere´ (weten)[bewerken]

Het rijtje gaat als volgt (io, tu enz. alleen nodig bij nadruk):

sapere
weten
(io) so
(tu) sai
(lui/lei) sa
(noi) sappiamo
(voi) sapete
(loro) sanno

Het voltooid deelwoord van sapere is saputo (geweten) en ´sapere´ wordt gewoon met ´avere´ vervoegd. Ho saputo tutto: ik heb alles geweten.

Woorden[bewerken]

De klemtoon is vet aangegeven.

501. annullare = annuleren

502. l’apparecchio m = het apparaat

503. l'appartamento m = het appartement

504. ovest = west(en)

505. nord = noord(en)

506. est = oost(en)

507. sud = zuid(en)

508. la rondine = de zwaluw

509. l’anima v = het wezen

510. tranquillo = rustig

511. insieme = samen

512. composta = samengesteld

513. il carbone = de steenkool

---. il latte = de melk

515. il progetto = het plan, het ontwerp, het project

516. l’animale m = het dier

517. il professore = de docent, professor

518. discutere = discussiëren

---. la cosa = het ding, de zaak

520. da capo = opnieuw

---. il negozio = de winkel

522. sentire = horen

523. il topo = de muis

524. nudo = naakt

525. il passero = de mus

526. avvicinarsi wed. = naderen

527. la cascata = de waterval

528. il cammino = de weg

529. il fulmine = de bliksem

530. la fattoria = de boerderij

531. i genitori = de ouders

532. antico = ouderwets

533. la bisnonna = de overgrootmoeder

534. il bisnonno = de overgrootvader

535. migliorare = verbeteren

536. il corso = de cursus

537. davanti = vooraan

538. il presidente = de president

539. il programma = het programma

540. lo squalo = de haai

541. la lampadina = de lamp

---. la terra = het land

543. dimostrare = laten zien

544. il contadino = de boer

545. la scala = de trap

546. l’ufficio m = het kantoor

547. la sedia = de stoel

548. il castello = het kasteel

549. il frumento = de tarwe

550. troppo = te

U kent nu 550 woorden.

Oefeningen[bewerken]

1. Lees de volgende tekst en beantwoord daarna de vragen.

Il Belgio

Il Belgio (België in neerlandese, Belgique in francese, e Belgien in tedesco) è uno stato dell'Europa Occidentale. Confina a nord con i Paesi Bassi, a est con la Germania e con il Lussemburgo, a sud e sud-ovest con la Francia e a nord-ovest si affaccia sul Mare del Nord. Situato al confine tra l'Europa germanofona e l'area linguistica e culturale romanza, il Belgio è diviso in tre regioni. A settentrione le Fiandre la cui popolazione di lingua neerlandese comprende circa il 58% della popolazione totale e a sud la Vallonia con il 32% della popolazione complessiva. Nel mezzo è situata la regione della città di Bruxelles, ufficialmente bilingue e nella quale risiede il 10% della popolazione.

Uit: de Italiaanse Wikipedia

1.1. Wat zou het werkwoord 'confinare' (regel 2) betekenen?

1.2. Wat is er bijzonder aan de ligging van België?

1.3. In welk deel woont het grootste deel van de Belgische bevolking?

A: Vlaanderen
B: Wallonië
C: Brussel

1.4. Wat betekent 'bilingue' (regel 7)?

2. Schrijfopdracht. Stuur een brief naar een Italiaanse camping waarin je aangeeft met hoeveel mensen je komt en hoe lang je blijft. De camping ligt aan zee, in Lazio. Min. 5 zinnen.

3. Op herhaling!

Noteer de juiste spelling van de werkwoorden.

1. Essere, 1e persoon enkelvoud, futuro

2. Parlare, 3e persoon meervoud, passato prossimo

3. Bruciare, 2e persoon meervoud, presento

4. Dormire, 2e persoon enkelvoud, passato prossimo

5. Amare, 1e persoon meervoud, futuro

4. Nationaliteiten. Vul de goede vorm in

a. Nationaliteiten bij landen:

1. Germania

2. Tunisia

3. Spagna

b. Landen bij nationaliteiten

1. Americano

2. Messicana

3. Portoghese


5. Imperativo. Vertaal de volgende vormen:

1. Sii liberamente!

2. Ama lei, Ludo!

3. Parlate Italiano, Ianna e Carla!

4. Apprendi i libri!

5. Partano nella Svizerra, tutti e due!

6. Vertaal de volgende zinnen in het Italiaans:

1. Mijn grootouders zijn ouderwets.

2. Wij hebben jullie tweede kind gezien.

3. In Toscane zijn er veel wegen.

4. Italië heeft een president en veel boeren.

5. Ik ruik de geur van een lekker brood en pizza.

7. Vertaal de volgende zinnen in het Nederlands:

1. Il primo appartamento è pieno.

2. Ho visto due negozi in questo paese.

3. Sulla fattoria, c'è tanto frumento e ci sono pochi passeri.

4. Gli animali del bosco sono molto vecchi.

5. Annullo quel corso, non ho il tempo.

De antwoorden zijn hier te vinden


<Inhoudsopgave - Les 11 - Les 12 - Les 13>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.