Italiaans/Les13

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Italiaans

Inleiding
  1. Inleiding op de cursus
Lessen
  1. Alfabet en uitspraak
  2. Regelmatige werkwoorden
  3. Lidwoorden en venire
  4. Voltooid tegenwoordige tijd en delend lidwoord
  5. Wederkerende werkwoorden
  6. Bijvoeglijk naamwoord, bezittelijk voornaamwoord
  7. Andare, teksten lezen en klokkijken
  8. Getallen, tenere en dovere
  9. Voorzetsel, rimanere, uscire en stare
  10. Meewerkend voorwerp, vraagwoorden en dare
  11. Bijwoord, onbepaald voornaamwoord, toekomende tijd
  12. Gebiedende wijs, rangtelwoorden
  13. Verleden tijd
  14. Vergelijking en bere
  15. Ci en ne
  16. Onvoltooid deelwoord
  17. Persoonlijk voornaamwoord
  18. Congiuntivo en passivum
  19. Condizionale en voegwoorden
  20. Afsluitend examen
  21. Einde
Toetsen
  1. Toets les 2 en 3
  2. Eindexamen
  3. Luistertoets
Overig
  1. Nuttige woorden
  2. Grammatica
  3. Grammatica-overzicht
  4. Woordenlijst
  5. Cultuur en eetgewoonten van Italië
  6. Huurcontract
  7. Meningen
  8. Antwoordenboek
Auteurs
  1. Dion
  2. Hansmuller


<Inhoudsopgave - Les 12 - Les 13 - Les 14>

Onderwerp van les 13[bewerken]

Deze les (Lezione Tredici) gaat over alle verleden tijden van het Italiaans, dat wil zeggen de passato prossimo, de passato remoto, de imperfetto, de trapassato remoto en de trapassato prossimo.

Verleden tijden[bewerken]

Het Italiaans kent maar liefst vijf verleden tijden:

 Passato prossimo: Voltooid tegenwoordige tijd ik heb het gedaan

 Passato remoto: Voltooid tegenwoordige tijd ik heb het gedaan

 Imperfetto: Onvoltooid verleden tijd ik deed het

 Trapassato remoto: Voltooid verleden tijd ik had het gedaan

 Trapassato prossimo: Voltooid verleden tijd ik had het gedaan

Alle verleden tijden die u nog niet gehad heeft, zullen worden behandeld. Sommige verleden tijden, zoals de trapassato remoto, worden zelden gebruikt, maar toch moet u ze kunnen herkennen.

Vanaf nu worden alleen de Italiaanse namen van de verleden tijden gebruikt!

Passato prossimo: Voltooid tegenwoordige tijd[bewerken]

De passato prossimo is een tijd die gebeurtenissen en acties uit een recent of ver verleden beschrijft, waarvan de gevolgen nog steeds merkbaar zijn in het heden. De passato remoto beschrijft ook gebeurtenissen en acties uit een recent of ver verleden. Echter, de gevolgen van deze gebeurtenissen zijn niet direct of expliciet waarneembaar. We beginnen met een tabel met de basisregel. Vet is hier de uitgang, NIET de klemtoon.

parlare credere partire essere avere
(io) parlai credei partii fui ebbi
(tu) parlasti credesti partisti fosti avesti
(lui/lei) parlò credé partì fu ebbe
(noi) parlammo credemmo partimmo fummo avemmo
(voi) parlaste credeste partiste foste aveste
(loro) parlarono crederono partirono furono ebbero

Onregelmatige vormen[bewerken]

Hier zijn de vormen van de 10 belangrijkste werkwoorden met een onregelmatige passato remoto:

dare dire dovere fare piacere potere sapere vedere venire volere
(io) diedi dissi dovei feci piacqui potei seppi vidi venni volli
(tu) desti dicesti dovesti facesti piacesti potesti sapesti vedesti venisti volesti
(lui/lei) diede disse dovè fece piacque potè seppe vide venne volle
(noi) demmo dicemmo dovemmo facemmo piacemmo potemmo sapemmo vedemmo venimmo volemmo
(voi) deste diceste doveste faceste piaceste poteste sapeste vedeste veniste voleste
(loro) diedero dissero dovettero fecero piacquero poterono seppero videro vennero vollero

meer zullen nog volgen...

Hier volgen twee voorbeelden die het verschil tussen de passato prossimo en de passato remoto benadrukken.

Onjuist is:

 Ieri due alunni marinarono la scuola.

Juist is:

 Ieri due alunni hanno marinato la scuola,

welke kan worden vertaald als: 'gisteren hebben twee leerlingen de school overgeslagen'. Of, iets vrijer vertaald: 'gisteren hebben twee leerlingen gespijbeld'.

Onjuist is:

 L'anno scorso sono andato in Sicilia.

Juist is:

 L'anno scorso andai in Sicilia,

welke kan worden vertaald als: 'vorig jaar ben ik naar Sicilië gegaan/geweest'. Let op: hoewel 'L'anno scorso sono andato in Sicilia' strict genomen grammaticaal fout is, zullen de meeste Italianen dit toch zo in de spreektaal gebruiken.

Imperfetto[bewerken]

Het imperfetto wordt gebruikt als het Latijnse imperfectum, dat wil zeggen bij:

  • Een gewoonte / een herhaalde handeling:

La mattina andavo in spiaggia (andare). 's morgens ging ik naar het strand.

  • Een actie die open is, doorloopt of zeer lang duurt (langer dan 10 jaar):

Bevevamo molto vino (bere). Wij dronken veel wijn.

  • Bij de woorden 'sempre', 'spesso', en 'di solito', wordt de imperfetto bijna altijd gebruikt:

Di solito, chi ti accompagnava a scuola (accompagnarsi)? Doorgaans, wie vergezelde jou naar school?

  • Een beschrijving van (een ding of persoon) : humeur, karakter, fysieke verschijning, situatie, het weer of de temperatuur:

Lui era molto stanco (essere). Hij was erg moe. (fysieke verschijning)

  • Een beschrijving over de kindertijd zoals: Da bambino/a... , Quando ero piccolo/a... , Da giovane ... , Da ragazzo/a ... :

Da bambino io guardavo molto la TV (guardare). Als kind keek ik veel TV.

  • Een feit of situatie uit het verleden (zonder dat het duidelijk wordt dat de actie al is afgelopen of op een speficiek tijdstip plaatsvond = passato prossimo)
  • Bij het woord ' mentre' wordt de imperfetto bijna altijd gebruikt:

Mentre aspettavo il treno, ho incontrato Roberto (aspettare). Terwijl ik wachtte op de trein, ontmoette ik Roberto. > Let op: in deze zin worden twee vormen gebruikt, namelijk: het imperfetto (verleden tijd) -aspettavo en de Passato Prossimo (voltooid tegenwoordige tijd) -ho incontrato

Hier een tabel:

parlare credere partire essere bere fare dire
(io) parlavo credevo partivo ero bevevo facevo dicevo
(tu) parlavi credevi partivi eri bevevi facevi dicevi
(lui/lei) parlava credeva partiva era beveva faceva diceva
(noi) parlavamo credevamo partivamo eravamo bevevamo facevamo dicevamo
(voi) parlavate credevate partivate eravate bevevate facevate dicevate
(loro) parlavano credevano partivano erano bevevano facevano dicevano

In het imperfetto wordt 'avere' gewoon als een '-ere' vervoegd!

Trapassato remoto[bewerken]

Het trapassato remoto is een voltooid verleden tijd, het beschrijft namelijk een handeling voorafgaand aan een andere handeling in het verleden.

Het trapassato remoto wordt gevormd door:

  Vorm van passato remoto van 'essere/avere' + voltooid deelwoord.

Bij het beantwoorden van de vraag of een werkwoord met de passato remoto van 'essere' of 'avere' wordt vervoegd, moet je denken aan de werkwoorden van het passato prossimo. Als een werkwoord in het passato prossimo met 'avere' wordt vervoegd, gebeurt dat ook in het trapassato remoto. 'Met essere' hetzelfde.

Voorbeeld:

 Ebbi comprato i pomodori e ho chiuso la porta.

Vertaling:

 Ik had tomaten gekocht en ik heb de deur gesloten.

Trapassato prossimo[bewerken]

Het trapassato prossimo is, net als het trapassato remoto, een voltooid verleden tijd. Het trapassato prossimo wordt als volgt gevormd:

 Vorm van imperfetto van 'essere/avere' + voltooid deelwoord.

Hierbij geldt hetzelfde als bij het trapassato remoto wat betreft de regels voor 'essere/avere'.

Voorbeeld:

 Ieri ero andato in Italia, là ho avuto le pizze. 

Vertaling:

 Gisteren was ik naar Italië gegaan, daar heb ik pizza's gehad.


Woordenlijst[bewerken]

De klemtoon wordt vet aangegeven.

551. la pioggia (uitspraak la pjoh-dsja) - de regen

552. dal cuore - vanuit het hart, van harte

---. il sole - de zon

554. il binario - het perron

555. dai! - kom op! schei uit!

556. sparito/a - weg, kwijt, verdwenen

557. la strada principale - de hoofdstraat

558. il semaforo - het verkeerslicht

559. il telefonino - het mobieltje

560. il meccanico - de monteur (van een werkplaats)

561. il mal di testa - de hoofdpijn

562. co - zo

---. la polizia - de politie

564. caldo/a - warm, heet

565. la benzina - de benzine

566. il motore - de motor

567. l'ospedale v - het ziekenhuis, het hospitaal

568. la gente - de mensen, men

569. la foto (mv. le foto) - de foto

570. lentamente - langzaam

571. in viaggio - op reis, onderweg

572. la buca delle lettere - de brievenbus

573. la cartolina - de ansichtkaart

574. la stazione - het station

575. bellissimo/a - erg/zeer mooi

576. l'andata e ritorno v - het retourtje

577. il problema - het probleem

578. l' ultimo/a - de laatste

579. proibito - verboden

580. la fermata - de stop, de halte

581. meglio - beter (uitspraak: meljo)

582. finito/a - klaar, afgelopen

583. terribile - verschrikkelijk

584. un raffreddore - een verkoudheid

585. la bistecca - de biefstuk

586. il bicchiere - het glas, de beker

587. l'insalata v - de salade

588. l'appuntamento m - de afspraak

589. pronto! - klaar, hallo (wanneer u de telefoon opneemt)

590. la settimana prossima - volgende week

591. interessante - interessant

592. stasera - vanavond

593. il francobollo - de postzegel

594. fare le spese - boodschappen doen (far = fare, wordt vervoegd als fare)

595. la televisione - de televisie

---. il centro - het centrum

597. fa freddo/fa caldo - het is koud/het is warm

---. la posta - het postkantoor, de post

599. dunque - dus, in dat geval

Oefeningen[bewerken]

1. Lees de volgende tekst en beantwoord daarna de vragen in het Italiaans.

Drenthe

La Drenthe è una provincia dei Paesi Bassi situata nel nord-est della nazione, fra le province olandesi di Overijssel (a sud), Frisia (ad ovest) e Groninga (a nord) e la Germania (Bassa Sassonia) (ad est). Il suo capoluogo è Assen.

Storia

Nel corso della storia la Drenthe è sempre stata un'area rurale scarsamente abitata, il che ha fatto sì che fosse spesso una parte sottovalutata o addirittura ignorata dei Paesi Bassi. Ciononostante, la Drenthe è stata popolata fin dalla preistoria. Le prove più tangibili di questo fatto sono i dolmen costruiti attorno al 3500 AC: 52 dei 54 dolmen dei Paesi Bassi si trovano nella Drenthe, concentrati nella parte nord-orientale della provincia.

Dopo essere stata soggetta per lungo tempo ai vescovi di Utrecht, nel XV secolo la Drenthe fu unita al resto delle Fiandre, finendo sotto il controllo della famiglia imperiale degli Asburgo. Dopo il passaggio delle Fiandre sotto il dominio spagnolo (1558), la Drenthe prese parte alla ribellione che portò alla proclamazione della Repubblica delle Sette Province Unite (1579). La Drenthe entrò a far parte della nuova Repubblica, anche se non ottenne lo status di provincia fino al 1 gennaio 1796 (durante l'effimera Repubblica Batava).

Poco prima della Seconda guerra mondiale il governo olandese costruì un campo profughi vicino alla cittadina di Westerbork, nella Drenthe. Questo campo era originariamente destinato agli ebrei in fuga dalla Germania nazista, ma durante l'occupazione tedesca (1940-1945) i tedeschi lo trasformarono in un vero e proprio campo di concentramento, dove vennero imprigionati gli ebrei olandesi (fra cui Anna Frank ed Helga Deen), prima di essere trasportati nei campi di sterminio in Germania e Polonia.

Politica

Il consiglio provinciale (Provinciale Staten) ha 51 seggi, ed è presieduto da un Commissario della Regina, (attualmente - 2005 - Relus ter Beek). Come nel resto dei Paesi Bassi, il consiglio provinciale viene eletto dagli abitanti, mentre il Commissario viene nominato dalla Regina e dal governo nazionale (la cosiddetta Corona). Con diciannove seggi, il partito laburista olandese (PvdA) è il principale partito del consiglio.

Gli affari quotidiani della provincia sono curati dal Gedeputeerde Staten, anch'esso presieduto dal Commissario; i suoi membri (gedeputeerden) possono essere paragonati a dei ministri.

Municipalità

A causa di una riorganizzazione negli anni '90, il numero delle municipalità della Drenthe è stato ridotto a dodici, per cui gran parte delle municipalità sono composte da diverse città e villaggi. Elenco delle municipalità della Drenthe.

Geografia

Oltre al capoluogo Assen, gli altri centri urbani principali della provincia sono Emmen, Meppel e Hoogeveen. Il territorio piatto della Drenthe consiste principalmente di terreno incolto (generalmente utilizzato per l'allevamento) e non ha fiumi o laghi importanti.

Economia

L'agricoltura è un'importante fonte di lavoro, anche se zone industriali si trovano nei pressi delle città. La tranquillità della provincia sta attraendo un numero sempre maggiore di turisti.


1.1. Wat is Drenthe altijd al geweest?

1.2. Wat zijn 'dolmen'? (Antwoord in het Nederlands)?

1.3. Waarvan is Drenthe lang onderdeel geweest?

1.4. Hoeveel zetels heeft de PvdA (Antwoord in cijfers!)?

1.5. Wat gebeurde er door een reorganisatie in Drenthe?

1.6. Wat heeft Drenthe volgens het kopje 'Geografia' niet?

1.7. Waardoor wordt de rust verstoord?

2. Zet de werkwoorden in de gevraagde tijd en persoon.


1. Parlare (1e persoon enkelvoud, passato remoto)

2. Essere (2e persoon meervoud, trapassato prossimo)

3. Partire (2e persoon enkelvoud, imperfetto)

4. Capire (3e persoon meervoud, trapassato remoto)

5. Avere (3e persoon meervoud, futuro)

6. Piangere (1e persoon meervoud, passato prossimo)


3. Vertaal de volgende zinnen van het Nederlands naar het Italiaans.

1. Jullie gaven een ansichtkaart. (2x)

2. Het is verboden naar het station te gaan.

3. Ik doe volgende week boodschappen in het centrum.

4. Eergisteren had ik hem gezien en gisteren heb ik jou gezien!

5. Ik sprak altijd over computers, maar nu spreek ik over mijn mobieltje.


4. Vertaal de volgende zinnen uit het Italiaans in het Nederlands.

1. Sul binario, avevo mangiato le arancie, e nel treno ho mangiato le fragole.

2. Andavo sempre all' ospedale per il mio raffreddore e il mio mal di testa.

3. Sono alla posta per le sue lettere.

4. Il francobollo è sporco.

5. Ho un appuntamento con Lei.


De antwoorden zijn hier te vinden.


<Inhoudsopgave - Les 12 - Les 13 - Les 14>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.