Italiaans/Les11

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Italiaans

Inleiding
  1. Inleiding op de cursus
Lessen
  1. Alfabet en uitspraak
  2. Regelmatige werkwoorden
  3. Lidwoorden en venire
  4. Voltooid tegenwoordige tijd en delend lidwoord
  5. Wederkerende werkwoorden
  6. Bijvoeglijk naamwoord, bezittelijk voornaamwoord
  7. Andare, teksten lezen en klokkijken
  8. Getallen, tenere en dovere
  9. Voorzetsel, rimanere, uscire en stare
  10. Meewerkend voorwerp, vraagwoorden en dare
  11. Bijwoord, onbepaald voornaamwoord, toekomende tijd
  12. Gebiedende wijs, rangtelwoorden
  13. Verleden tijd
  14. Vergelijking en bere
  15. Ci en ne
  16. Onvoltooid deelwoord
  17. Persoonlijk voornaamwoord
  18. Congiuntivo en passivum
  19. Condizionale en voegwoorden
  20. Afsluitend examen
  21. Einde
Toetsen
  1. Toets les 2 en 3
  2. Eindexamen
  3. Luistertoets
Overig
  1. Nuttige woorden
  2. Grammatica
  3. Grammatica-overzicht
  4. Woordenlijst
  5. Cultuur en eetgewoonten van Italië
  6. Huurcontract
  7. Meningen
  8. Antwoordenboek
Auteurs
  1. Dion
  2. Hansmuller, werkte vier jaar in Rome


<Inhoudsopgave - Les 10 - Les 11 - Les 12>

Onderwerp van les 11[bewerken]

Deze les (Lezione Undici) gaat over de bijwoorden, de onbepaalde voornaamworden, het werkwoord ´dire´ (zeggen) en de toekomende tijd. Natuurlijk ook weer woorden.

Het bijwoord[bewerken]

Er is een hoofdregel voor het bijwoord (l'avverbio in het Italiaans):

vrouwelijke vorm enkelvoud van het bijvoeglijk naamwoord + -mente

Voorbeeld:

  libero --> liberamente 
  vero --> veramente


Maar deze regel geldt lang niet altijd. Vaak wordt gewoon het mannelijk bijvoeglijk naamwoord als bijwoord gebruikt.

Voorbeeld:

poco --> poco

troppo --> troppo

lontano --> lontano


Maar let op, soms betekent een bijwoord iets anders dan het overeenkomende bijvoeglijk naamwoord:

Voorbeelden:

Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord
forte sterk luid
molto veel heel, erg, veel
parecchio heel wat behoorlijk lange tijd, heel wat
piano vlak zacht, langzaam
spesso dik vaak

Als het bijvoeglijk naamwoord en het overeenkomende bijwoord iets anders betekenen, staan ze beide in de woordenlijst.

Ook zijn er een bijwoorden die een totaal andere vorm hebben:

Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord
goed buono bene
slecht cattivo male

presto = spoedig

Nog twee belangrijke bijwoorden:

su = boven

giù = beneden

Het onbepaald voornaamwoord[bewerken]

Onbepaalde voornaamwoorden (i pronomi indefiniti in het Italiaans) zijn woorden die iets 'vaags' aanduiden. Als je in het Nederlands bijvoorbeeld zegt: Ik zal iedereen die kaart sturen, wie bedoel je dan met iedereen? "Iedereen" is hier een voorbeeld van een onbepaald voornaamwoord.

Een aantal Italiaanse onbepaalde voornaamwoorden:

Alcuni Enige, enkele
Ciascuno/a Elk, ieder *
Nessuno/a Niemand *
Niente, nulla Niets
Ogni Ieder
Qualche Enige
Tutto Alles
Tutti(-e) Allen
Tutto/a/i/e + lidwoord Hele (bij plaatsnamen geen lidwoord)
Tutti e due Allebei (mannelijk of een gemengde groep)
Tutte e due Allebei (vrouwelijk)

*: Als het woord erna met een klinker begint, vervalt de o of a.

Toekomende tijd[bewerken]

De toekomende tijd wordt gebruikt als men iets wil zeggen dat in de toekomst gebeurt: parlerò di te, ik zal over je praten, je noemen. Elke infinitiefuitgang heeft andere uitgangen voor de toekomende tijd. In het Italiaans heet de toekomende tijd de futuro. Hier in een tabelletje:

parlare
praten
credere
geloven
partire
vertrekken
essere
zijn
avere
hebben
io parlerò crederò partirò sarò avrò
tu parlerai crederai partirai sarai avrai
lui/lei parlerà crederà partirà sarà avrà
noi parleremo crederemo partiremo saremo avremo
voi parlerete crederete partirete sarete avrete
loro parleranno crederanno partiranno saranno avranno

Zoals gewoonlijk zijn er ook een aantal licht afwijkende vormen:

(van deze werkwoorden is de 1e persoon enkelvoud toekomstige tijd gegeven)

  • andare - andrò (gaan)
  • bere - berrò (drinken)
  • dire - dirò (zeggen)
  • dovere - dovrò (moeten)
  • fare - farò (doen)
  • potere - potrò (kunnen)
  • sapere - saprò (weten)
  • stare - starò (staan enz.)
  • venire - verrò (komen)
  • volere - vorrò (willen)

Voorbeeld in een zin:

 Potrò comprare la casa : Ik zal het huis kunnen kopen.

De toekomende tijd wordt ook gebruikt om een verwachting uit te drukken, een voorbeeld:

 Quanti studenti hai nella tua classe? Saranno circa 25 studenti : Hoeveel studenten heb je in jouw klas? Het zullen ongeveer 25 studenten zijn.

Het werkwoord ´dire´ (zeggen)[bewerken]

Het werkwoord ´dire´ betekent ´zeggen´.

Hieronder het rijtje

dire
(io) dico
(tu) dici
(lui/lei) dice
(noi) diciamo
(voi) dite
(loro) dicono

Het voltooid deelwoord van ´dire´ is detto´ (gezegd) en ´dire´ wordt gewoon met ´avere´ vervoegd: Ho detto niente (Ik heb niks gezegd).

Woorden[bewerken]

De klemtoon is vet aangegeven.

426. adorare = aanbidden, heel erg houden van

427. annunciare/annunziare = aandienen,aankondigen

428. l'immagine v = het beeld, maar la statua = het standbeeld

429. la bestia = het beest

430. il cimitero = de begraafplaats

431. l'attore = de acteur

432. applaudire = applaudisseren, klappen

433. attuale = actueel

434. accettare = aannemen

435. il teatro = het theater, de schouwburg

436. l'olivo m = de olijfboom

437. la biblioteca = de bibliotheek

438. la pianta = de plant

439. la campagna = het platteland

440. il bagno = het baden, toilet/wc, de badkamer

441. presto = snel

442. la pernice = de patrijs

443. la pera = de peer

444. il parlamento = het parlement

445. l'ape v = de bij

446. la zona = het gebied

447. lo scopo = het doel

448. l'ago m = de naald

---. il cognome = het naamwoord, de bijnaam

449.

450. caldo = warm

451. aggressivo = aggressief

452. la lumaca = de slak

453. il serpente = de slang

454. buttare = gooien

455. il granaio = de graanschuur, silo

456. circa = circa

457. rovesciare = omkeren, omgooien

458. sorridere = glimlachen

459. lo specchio = de spiegel

460. la cozza = de mossel

461. a casa = thuis

462. a che ora? = hoe laat?

463. la lattuga = de kropsla ( l'insalata (v) = de salade)

464. il gesto = het gebaar

465. Austria = Oostenrijk

466. Austriaco = Oostenrijker

467. la cenere = de as

468. la sorella = de zus

469. il fratello = de broer

470. accendere = verbranden, aansteken (l'accendino = aansteker)

471. il piano = de verdieping (il pianoforte = de piano)

472. ingrandire = vergroten

473. l'armadio m = de kast

474. la castagna = de kastanje

475. il castagno = de kastanjeboom

476. la madre = de moeder

477. il padre = de vader

478. il gabbiano = de zeemeeuw

479. la foca = de zeehond

480. la sabbia = het zand

481. la balena = de walvis

482. talvolta = soms

483. il tipo = de soort, de kerel

484. il becco = de bek, de snavel

485. la parola = het woord

486. il dizionario = het woordenboek

487. il verme = de worm

488. il pappagallo = de papegaai

489. il popolo = het volk

490. sopratutto = vooral

491. la fronte = het voorhoofd

492. avantieri = eergisteren

493. dopodomani = overmorgen

494. il fungo = de paddestoel

495. la pagina = de pagina, de bladzijde

496. la penna = de pen, pastasoort

497. la menta = de (peper)munt

498. l'albicocca v = de abrikoos

499. accettare = accepteren

500. il sonno = de slaap

U kent al een half duizend woorden!

Oefeningen[bewerken]

1. Lees de volgende tekst en beantwoord daarna de vragen:

Il Camping Marinella si trova direttamente sul mare; Con una superficie pianeggiante erbosa di 15.000 m; 130 piazzole numerate con prese di corrente, acqua e scarichi; Posti auto ombreggiati; 3 gruppi di servizi igienici completamente rinnovati; Servizi handicappati; Acqua calda nelle docce; Lavatrici e lavatoi biancheria; Infermeria assistenza medica; Vigilanza notturna;

S.S. Adriatica, 16 - 61100 Pesaro (PU)

1.1. Wat voor prijzen hanteert de camping?

A. Actuele prijzen
B. Hoge prijzen
C. Staat niet in de tekst.

1.2. Wat voor plaatsen biedt de camping?

A. 15000 plaatsen aan zee.
B. 3 plaatsen voor groepen.
C. 130 plaatsen met aansluitingen voor water, elektriciteit en afvoer.

1.3. Waar ligt de camping, denk je?

1.4. Heeft de camping voorzieningen voor gehandicapten?

A. Ja
B. Nee

1.4. Wat zijn 'servizi igienici' en wat is ermee gebeurd?


2. Maak van de volgende bijvoeglijke naamwoorden een bijwoord:

1. libero

2. buono

3. poco

4. male

5. aggressivo


3. Vertaal de volgende onbepaalde voornaamwoorden.

Italiaans-Nederlands

1. nessuno

2. tutte e due

3. ognuno

Nederlands-Italiaans

1. allen

2. niemand

3. allebei


4. Zet de volgende werkwoorden in de toekomende tijd:

1. essere, 2de persoon enkelvoud

2. accendere, 3e persoon meervoud

3. buttare, 2de persoon meervoud

4. avere, 1e persoon enkelvoud

5. adorare, 1e persoon meervoud

6. dire, 3e persoon enkelvoud

7. parlare, 3e persoon enkelvoud

8. capire, 1e persoon enkelvoud

9. ingrandire, 3e persoon meervoud

10. rovesciare, 2e persoon enkelvoud


5. Vertaal de volgende zinnen in het Italiaans:

1. Ik keer het kaartje om.

2. Jij zal niet huilen.

3. Zeg jij dat mijn moeder goed is?

4. Daar zijn een zeehond, een walvis en een zeemeeuw.

5. In de kast zal een slang zijn!


6. Vertaal de volgende zinnen in het Nederlands.

1. Ho un padre, una madre e tre sorelle.

2. La foca è libera.

3. Lo specchio brutto nell'armadio.

4. Il popolo dice: 'Siamo liberi'.

5. Ho detto che la balena è buona.

De antwoorden zijn hier te vinden: Antwoorden van les 11


<Inhoudsopgave - Les 10 - Les 11 - Les 12>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.