Italiaans/Les18

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Italiaans

Inleiding
  1. Inleiding op de cursus
Lessen
  1. Alfabet en uitspraak
  2. Regelmatige werkwoorden
  3. Lidwoorden en venire
  4. Voltooid tegenwoordige tijd en delend lidwoord
  5. Wederkerende werkwoorden
  6. Bijvoeglijk naamwoord, bezittelijk voornaamwoord
  7. Andare, teksten lezen en klokkijken
  8. Getallen, tenere en dovere
  9. Voorzetsel, rimanere, uscire en stare
  10. Meewerkend voorwerp, vraagwoorden en dare
  11. Bijwoord, onbepaald voornaamwoord, toekomende tijd
  12. Gebiedende wijs, rangtelwoorden
  13. Verleden tijd
  14. Vergelijking en bere
  15. Ci en ne
  16. Onvoltooid deelwoord
  17. Persoonlijk voornaamwoord
  18. Congiuntivo en passivum
  19. Condizionale en voegwoorden
  20. Afsluitend examen
  21. Einde
Toetsen
  1. Toets les 2 en 3
  2. Eindexamen
  3. Luistertoets
Overig
  1. Nuttige woorden
  2. Grammatica
  3. Grammatica-overzicht
  4. Woordenlijst
  5. Cultuur en eetgewoonten van Italië
  6. Huurcontract
  7. Meningen
  8. Antwoordenboek
Auteurs
  1. Dion
  2. Hansmuller


<Inhoudsopgave - Les 17 - Les 18 - Les 19>

Onderwerp van les 18[bewerken]

Deze les (Lezione Diciotto) gaat over de congiuntivo en het passivum. Een werkwoordenles dus.

Congiuntivo[bewerken]

De congiuntivo, conjunctief of aanvoegende wijs wordt slechts in een paar gevallen gebruikt. Het is echter wel belangrijk en ook best moeilijk. De congiuntivo wordt gebruikt om te zeggen dat een uitspraak subjectief is, dus in geval van twijfel of onzekerheid en staat meestal in de bijzin.

Anders dan in het Nederlands wordt in de italiaanse spreektaal de congiuntivo regelmatig gebruikt, bijvoorbeeld in Mi scusi, un' informazione (Dat u mij verontschuldige (=pardon), mag ik u iets vragen). Ook na bepaalde werkwoorden en in uitdrukkingen wordt de congiuntivo gebruikt.

De congiuntivo wordt gebruikt bij

  1. een verzoek
  2. subjectieve uitspraken (twijfel/onzekerheid), dus bijvoorbeeld na de werkwoorden credere en pensare. (hier kan de indicativo soms ook gebruikt worden). Het gaat om een mening of veronderstelling.
  3. een wil, hoop of wens
  4. een gevoel of toestand
  5. onpersoonlijke uitdrukkingen
  6. enkele voegwoorden, daarover meer in de volgende les.
  7. een manier of omstandigheid

Voorbeelden:

Credo che tu abbia ragione : Ik geloof dat je gelijk hebt

Penso che siano malati : Ik denk dat ze ziek zijn

Er zijn vier tijden van de congiuntivo:

  1. Congiuntivo presente
  2. Congiuntivo passato
  3. Congiuntivo imperfetto
  4. Congiuntivo trapassato

Vet wordt hieronder gebruikt om de uitgangen te verduidelijken, niet om de klemtoon aan te geven. De vervoegingen zijn:

Congiuntivo Presente[bewerken]

parlare credere partire essere avere
(io) parli creda parta sia abbia
(tu) parli creda parta sia abbia
(lui/lei) parli creda parta sia abbia
(noi) parliamo crediamo partiamo siamo abbiamo
(voi) parliate crediate partiate siate abbiate
(loro) parlino credano partano siano abbiano

Congiuntivo Passato[bewerken]

De congiuntivo passato wordt gevormd door:essere/avere in congiuntivo presente + voltooid deelwoord.

parlare credere partire
(io) abbia parlato abbia creduto sia partito
(tu) abbia parlato abbia creduto sia partito
(lui/lei) abbia parlato abbia creduto sia partito
(noi) abbiamo parlato abbiamo creduto siamo partiti
(voi) abbiate parlato abbiate creduto siate partiti
(loro) abbiano parlato abbiano creduto siano partiti

Congiuntivo Imperfetto[bewerken]

parlare credere partire essere avere
(io) parlassi credessi partissi fossi avessi
(tu) parlassi credessi partissi fossi avessi
(lui/lei) parlasse credesse partisse fosse avesse
(noi) parlassimo credessimo partissimo fossimo avessimo
(voi) parlaste credeste partiste foste aveste
(loro) parlassero credessero partissero fossero avessero

Congiuntivo Trapassato[bewerken]

De congiuntivo trapassato wordt gevormd door: Essere/Avere in de congiuntivo imperfetto + voltooid deelwoord

parlare credere partire
(io) avessi parlato avessi creduto fossi partito
(tu) avessi parlato avessi creduto fossi partito
(lui/lei) avesse parlato avesse creduto fosse partito
(noi) avessimo parlato avessimo creduto fossimo partiti
(voi) aveste parlato aveste creduto foste partiti
(loro) avessero parlato avessero creduto fossero partiti

Passief[bewerken]

Het passief of het passivo is de lijdende vorm. Het is niet bekend wie de handeling uitvoert. Het subject ondergaat de handeling. Het Italiaanse passief wordt gevormd door een vorm van essere of venire + voltooid deelwoord Voorbeeld:

La porta è aperta. (De deur is geopend.)
La porta viene aperta. (De deur wordt geopend.)

Hoe dit werkt, kan ik laten zien door een tabelletje:

Indicativo
Tijd essere venire
Presente è aperto viene aperto
Passato prossimo è stato aperto  
Imperfetto era aperto veniva aperto
Trapassato prossimo era stato aperto  
Passato remoto fu aperto venne aperto
Trapassato remoto fu stato aperto  
Futuro sarà aperto verrà aperto
Congiuntivo
Presente sia aperto venga aperto
Passato sia aperto  
Imperfetto fosse aperto venisse aperto
Trapassato fosse stato aperto  
<Inhoudsopgave - Les 17 - Les 18 - Les 19>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.