Naar inhoud springen

Volk, kerk en magie 1500-1700/Kerk en volk

Uit Wikibooks
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

10. Kerk en volk

Kerk

[bewerken]

Tussen 1500 en 1700 waren in Engeland de meeste mensen lid van de Anglicaanse Kerk. De anglicanen waren gedoopt.[1] en werden geacht elke zondag naar de kerk te gaan[2]

In de kerk zaten de mannen aan de ene kant en de vrouwen aan de andere. De ongetrouwde en de getrouwde vrouwen zaten apart van elkaar. De rijken zaten vooraan. Soms moesten de armen opstaan en buigen als de landadel binnenkwam. Het kwam zelfs voor dat de hogere standen op een andere dag ter communie gingen dan het lagere volk en dat ze betere wijn kregen bij de communie. Boven aan de hiërarchie stond God waarvoor men de hoed moest afnemen en knielen. Hij werd als een autoritaire vader beschouwd.

De Anglicaanse Kerk had niet alleen een rol in de geestelijke wereld, maar ook in de materiële wereld. Zo was ze grootgrondbezitter en zaten er bisschoppen in het hogerhuis. De geestelijkheid had een groot aandeel in de censuur van de pers (al na 1550 waren er kranten verschenen), in het verlenen van vergunningen aan schoolmeesters en doktoren en in het bestuur van de universiteiten.

Een parochie was in Engeland niet alleen een kerkelijke eenheid, maar als civil parish tevens de kleinste bestuurlijke eenheid van het wereldlijke bestuur. Het kerkgebouw was niet alleen een plaats waar de erediensten werden opgedragen, het was ook een plaats waar mensen elkaar konden ontmoeten of zaken met elkaar deden. Dat was niet alleen bij de anglicaanse Kerk zo, maar ook bij de sekten (zoals de quakers, de ranters en de seekers).

De Anglicaanse Kerk kreeg haar geld niet zozeer van schenkingen maar van tienden (een feodale belastingheffing), kerkbelasting en leengelden die de parochianen aan de Kerk moesten betalen voor de pacht van kerkelijke landerijen en goederen.

De Anglicaanse Kerk was (in tegenstelling tot het volkgeloof) een instituut met een systematische theologie en een hiërarchie. Ze had veel sociale functies en was de hoedster van de morele normen. Toch ondervond zij concurrentie van de magiërs, astrologen en dergelijke waar het volk ondanks alles heen bleef gaan.

Kerkelijke gerechtshoven

[bewerken]

Echtelieden die vaak ruzie hadden met elkaar of overspel pleegden, ruziezoekers, roddelaars, dronkelappen, vloekers, mensen die op de zon- en feestdagen werkten, of rente vroegen aan de mensen aan wie ze geld uitleenden, konden voor een kerkelijk gerechtshof gedaagd worden en veroordeeld worden tot:
1) Openlijk tegenover hun buren hun fouten belijden. Deze straf kon overigens ook door de wereldlijke rechter opgelegd worden.
2) Openbare boetedoening: de veroordeelde moest dan in de kerk of op de markt gaan staan, gekleed in een wit laken, met een staf in de hand en een bord om zijn nek waarop zijn wandaden stonden vermeld terwijl het volk hem uitjouwde.
3) Excommunicatie. De lichte vorm van excommunicatie betekende dat men de sacramenten[3] niet ontvangen mocht.
4) De zware vorm betekende dat men door de gemeenschap uitgestoten werd. Niemand mocht meer met deze uitgestotenen eten of werken. Ze mochten niet meer voor een gerechtshof getuigen en als ze stierven werden ze in ongewijde aarde begraven. Deze mensen konden dus geen werk meer vinden, geen beroep meer uitoefenen en geen handel meer drijven. Ze waren werkeloos en vervielen tot de bedelstaf.
5) Gevangenis of de schandpaal.

Bemiddelen

[bewerken]

De middeleeuwse katholieke parochiegeestelijke moest, behalve geestelijke en kerkelijke leiding geven, ook nog de onderlinge geschillen tussen zijn parochianen beslechten. Men zag liever niet dat de mensen naar de (kerkelijke) rechtbank gingen maar naar de pastoor die dan probeerde de onderlinge ruzie te sussen. En dit werd, na de reformatie, ook van een goede dominee verwacht. Zowel de pastoor als de dominee won hiertoe vaak raad in bij een aantal verstandige mensen.

Oorbiecht

[bewerken]

In de Middeleeuwen had de biechteling weinig privacy: de biechtstoel werd pas in de zestiende eeuw uitgevonden. De katholiek biechtte gemiddeld ongeveer drie keer per jaar zijn zonden op aan de biechtvader. Daarna gad de biechtvader de biechteling de absolutie en een boetedoening, meestal bestaande uit een aantal gebeden die de biechteling moest zeggen.

De middeleeuwse katholieke biechteling vertelde alles wat hem hinderde aan de pastoor, ook wereldlijke problemen. Meestal vertelde hij meer over de zonden van zijn buren dan over zijn eigen zonden. Als hij misdaden had begaan, biechtte hij die ook op. Pas in de achttiende eeuw mocht de pastoor in dat geval dan niet meer vragen naar de namen van zijn medeplichtigen. De katholieke priester wist de meest intieme zaken van zijn biechtelingen, ook over hun seksuele leven.

Hoewel veel katholieken de biecht als weinig meer dan een plichtpleging beschouwden:

  • Kon de katholieke priester bemiddelen bij diefstal, als hij én het slachtoffer én de dief te biechten kreeg. Soms kon daardoor gestolen goed teruggegeven worden.
  • Door de biecht en de daarbij horende boetedoening en door de controle die de geestelijkheid hierdoor over haar parochianen had, kon de geestelijkheid de normen die zij onderwees ook handhaven.

Omdat de anglicanen, net als de andere protestanten, de oorbiecht hadden afgeschaft[4], wist de dominee niet meer zo goed wat er in zijn gemeente speelde en kon hij niet zo goed bemiddelen in conflicten. De anglicaanse kerkelijke rechtbanken kregen het daardoor steeds drukker. Het schijnt zelfs zo te zijn geweest dat het afschaffen van de biecht geleid heeft tot meer voor- en buitenhuwelijkse zwangerschappen. De katholieke biecht werkte, wat betreft sturing van het seksuele gedrag, waarschijnlijk toch beter dan het beroep dat de protestanten deden op het geweten van hun gelovigen.

Als vervanging van de biecht konden de anglicanen bij hun geestelijken terecht voor raad, advies en troost. De anglicaanse geestelijke kende, net als de katholieke, het biechtgeheim. Ook depressieve mensen en mensen die zelfmoord wilden plegen, gingen soms naar een geestelijke. De dominee's losten de morele problemen van hun gelovigen, die om raad kwamen vragen, meestal op door middel van scherpzinnige theologische redeneringen. Toch werd de leemte, ontstaan door het verdwijnen van de biecht, niet helemaal opgevuld. Er waren anglicaanse geestelijken die te dom waren om raad te geven en er waren er die zo rechtzinnig in de leer waren dat ze niets anders konden doen dan hun gelovigen bang te maken. Veel anglicaanse geestelijken vonden het dan ook jammer dat de magie van de katholieke biecht verdwenen was. En veel anglicaanse leken gingen liever naar een dorpstovenaar om raad te vragen.

Van de anglicanen werd, net als van de andere protestanten, verwacht dat zij vaak hun eigen geweten zouden onderzoeken op mogelijke fouten en zonden. Een van de methodes om zelfonderzoek te plegen, was door al hun twijfels in een geestelijk dagboek op te schrijven. Zo ontstond het puriteinse dagboek of autobiografie.[5]

Kerkbezoek

[bewerken]

Tegen 1700 ging in Frankrijk bijna 99% van de contragereformeerde gelovigen naar de kerk. Tussen 1600 en 1700 bleef in Engeland echter soms wel meer dan de helft van alle anglicaanse gelovigen weg uit de mis.

  • Sommigen gingen niet naar de kerk omdat die te klein was of te ver weg.
  • De autoriteiten probeerden om het kerkbezoek bij de burgerij af te dwingen maar of de armen al dan niet naar de kerk kwamen, interesseerde bijna niemand. Soms werden ook de armsten gedwongen om naar de kerk te gaan onder het dreigement dat anders hun bedeling (financiële ondersteuning) werd ingehouden.
  • De meeste armen gingen dan ook niet geregeld naar de kerk. Ze moesten bijna altijd werken en ze hadden geen goeie kleren om aan te trekken voor de mis. Vaak stonden ze echter ook onverschillig en zelfs vijandig ten opzichte van hun geloof.
  • Sommigen mochten de kerk niet in omdat men bang was dat ze de pest hadden.
  • Velen waren geëxcommuniceerd. De geëxcommuniceerden en hun gezinnen mochten de kerk niet meer bezoeken. Rond 1620 betrof dit bijna 15% van de totale bevolking van Engeland.

Van de mensen die wel naar de mis gingen, gingen velen met tegenzin en zij gedroegen zich niet zoals van hen verwacht werd. Zij rochelden en spuwden, zaten te breien en te klessebessen, tapten schuine moppen, vielen in slaap en soms schoot er een zijn pistool af. Er werden dan ook veel aanklachten bij de kerkelijke rechtbanken gedeponeerd tegen dit soort lieden. En dan was het in de anglicaanse Kerk nog zo dat de eredienst in de volkstaal werd gehouden.[6]

De preken gingen niet alleen maar over de godsdienst maar ook over de moraal, de politiek en de economie. Vaak waren de preken langdradig. Zo gauw de preek begon, verlieten de meeste gelovigen de kerk om naar de kroeg te gaan.[7] De weinige gelovigen die de preek wél bijwoonden, beledigden en bespotten de anglicaanse pastoor soms. Veel preken waren veel te geleerd voor het gewone volk.[8] Men riep vanuit de kerk wel eens naar de anglicaanse pastoor dat hij op moest houden met zaniken omdat de meiden moesten gaan melken. De hogere standen ergerden zich uiteraard over dit wangedrag van het volk. Zij konden lezen en hadden geld om boeken te kopen, dus zij zaten vaak tijdens de mis vroom uit hun missalen te bidden, daarbij gestoord door de activiteiten van het analfabete volk. Het volk verliet de kerk vaak onder gevloek en getier om naar het bierhuis te gaan, waar men de anglicaanse pastoor op een weinig vleiende manier ging imiteren.

Hoewel veel anglicanen een broertje dood hadden aan het misbezoek, deed haast iedereen mee aan kerkelijke rituelen als de doop, het huwelijk en de gewijde begrafenis.

Heidenen

[bewerken]

Veel Engelsen op het platteland wisten helemaal niets van de grondbeginselen van het christendom. Er waren zelfs geestelijken die de tien geboden en het onzevader niet eens kenden. Het al dan niet aanwezig zijn van kennis over het christendom hing ervan af of de plaatselijke predikant ijverig of lui was, of er al dan niet scholen in de streek waren, en of de landadel de Anglicaanse Kerk steunde.

In de bergstreken en in de heide- en bosgebieden, waar de mensen vaak in hutten leefden en werkeloos waren, waar ze haverbrood aten en zure wei en geitenmelk dronken, was de onwetendheid over het geloof het grootst. Velen hadden nog nooit van Christus gehoord en waren niet gedoopt. Vaak waren er in dit soort streken ook maar weinig kerken. Feitelijk waren deze mensen nog heidenen.

In dorpen met akkerbouw ging het doorgaans wat beter met de kennis over het geloof. Toch zou ook daar een aanzienlijk deel van de laagste klassen niet eens gedoopt zijn. Nu was een en ander in de Middeleeuwen ook al zo geweest maar de reformatie had deze toestand niet weten te verbeteren ondanks dat er periodes van grote evangelisatiedrift waren geweest. In het begin van de negentiende eeuw was de toestand nog precies hetzelfde.[9]

Baruch Spinoza.

Scepticisme en atheïsme

[bewerken]

Al in de late Middeleeuwen stonden enkele aristocratische intellectuelen sceptisch tegenover het geloof. In de Renaissance kwamen er nog wat sceptici bij, zoals de humanisten en de Franse libertijnen. Hun ideeën werden versterkt door die van Hobbes (1588-1679) en Spinoza (1632-1677). Godsdienst was voor de sceptici alleen nog maar een middel waarmee de elite het volk zover kon krijgen zich goed te gedragen. Zij ontkenden:

Sommigen twijfelden zelfs aan het bestaan van God en de duivel en werden daarmee atheïsten.

Ook onder het volk waren velen sceptisch. Dit blijkt uit wat ons is nagelaten uit de verslagen van kerkelijke rechtbanken waar veel "ongelovigen" voor moesten verschijnen. Deze volksmensen betwijfelden of er eigenlijk wel een God was. Zij betwijfelden of er entiteiten waren die men niet kon zien. Anderen geloofden dat God misschien wel de wereld geschapen had, maar zich daarna van zijn Schepping terug had getrokken. Zij dachten dat de hel en de hemel misschien alleen maar een soort metaforen waren of alleen maar in de verbeelding bestonden. Misschien was iemand met wie het heel slecht ging, in zekere zin wel in de hel omdat zijn leven een "hel" was. De sektariërs hadden tussen 1640 en 1660 sympathie voor bepaalde delen van het scepticisme.

Tussen 1500 en 1700 werden sceptische denkbeelden als ketterij gezien en zwaar bestraft. De hogere standen hechtten aan het geloof in hemel en hel omdat daardoor de lagere standen zich, uit angst voor de hel, goed gedroegen. Tussen 1548 en 1612 werden er in Engeland minstens acht mensen op de brandstapel gezet omdat zij niet wensten te geloven in de Heilige Drieëenheid. Men kan zich dus voorstellen dat veel meer mensen sceptische ideeën hadden dan uit de overgebleven verslagen van kerkelijke rechtbanken blijkt, maar er wijselijk hun mond over hielden. De kerkelijke rechtbanken veroordeelden alleen die mensen die hun denkbeelden luide van de daken schreeuwden. Pas in 1677 werd in Engeland de brandstapel afgeschaft. Daarna kon men voor zijn sceptische of atheïstische denkbeelden alleen nog maar geëxcommuniceerd worden.

Onverschilligheid

[bewerken]

Het grootste deel van het volk interesseerde zich echter totaal niet voor dit soort theologische vraagstukken. Als ze maar te eten en te drinken hadden. De desinteresse in de religie zou onder het 'grauw' wel eens zeer groot kunnen zijn geweest. Een aanzienlijk deel van de bevolking beschouwde de geïnstitutionaliseerde religie met gevoelens die varieerden van onverschilligheid tot afkeer.

Sommigen denken dat de religieuze onverschilligheid toenam na de reformatie omdat toen de morele eenheid binnen de samenleving zou zijn verdwenen, want:

  • Er kwamen veel, onderling rivaliserende godsdiensten.
  • Er kwam een toenemende verstedelijking. Alleen in de dorpen zou nog de morele eenheid behouden zijn gebleven dus daar bleef ook de institutionele religie bestaan.
  • Er kwam een toenemende industrialisatie die tegen 1800 uitmondde de industriële revolutie.

We weten echter niet hoe groot de morele eenheid binnen de middeleeuwse maatschappij was. We weten evenmin in hoeverre de middeleeuwer (on)geïnteresseerd was in godsdienst.

Noten

[bewerken]
  1. De Anglicaanse Kerk herstelde de doop echter in ere.
  2. Katholieken waren verplicht de mis bij te wonen op zon- en feestdagen.
  3. Mis en communie, doopsel, vormsel, biecht, heilig oliesel, huwelijk en wijding tot diaken, priester of bisschop.
  4. De protestanten schaften verder het sacrament van de biecht en de ziekenzalving af.
  5. Ontstaan dagboeken en autobiografieën.
  6. Bij de katholieken werd de mis in het Latijn gelezen, mogelijk misdroegen de gelovigen zich daar nog ernstiger.
  7. Ooit vervloekte een anglicaanse pastoor de mensen die uit zijn veel te lange preken wegliepen.
  8. Sommige anglicaanse pastoors hoopten promotie te krijgen als ze maar geleerde preken hielden.
  9. Het kan echter ook zo zijn dat veel theologen in hun verontwaardiging de zaak overdreven.
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.