Volk, kerk en magie 1500-1700/Kerk tegen witte magie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

14. Kerk tegen witte magie

Katholieken bestreden witte volksmagie[bewerken]

Al vanaf de vestiging van de Kerk in de vroege Middeleeuwen bestreed zij de witte volksmagie (en uiteraard de zwarte magie nog meer). Zij verbood:

  • Het offeren aan heidense godheden en het vereren van heidense bronnen en bomen.
  • Tovenarij, waarzeggerij en het doen van toekomstvoorspellingen.
  • Bezweringen, het oproepen van geesten en het gebruiken van tovercirkels.
  • Het maken van liefdesdrankjes.
  • Het gebruik van magie om gestolen goederen terug te krijgen en het gebruiken van 'sleutel en boek' en 'schaar en zeef'.
  • Het gebruik van edelstenen, geneeskrachtige amuletten en spiegels of kristallen bollen.
  • Het opstellen van horoscopen.

In de dertiende eeuw werden in een jaarlijks terugkerend ritueel alle tovenaars tegelijkertijd vanaf de preekstoel geëxcommuniceerd. In de late Middeleeuwen werden regelmatig tovenaars en hun klanten voor kerkelijk rechtbanken gedaagd. Priesters werden nog lang daarna geacht de biecht te gebruiken om hun kudde te overreden niet meer naar volksmagiërs te gaan.

In de zestiende en zeventiende eeuw werd deze strijd voortgezet.

  • De Kerk vond het correct om zieken met medicijnen te genezen. Als men daar ook nog bij zou bidden, zou dat de werking van de medicijnen verbeteren. Maar de bewering dat amuletten of geschreven dan wel uitgesproken woorden genezende kracht zouden hebben, vond de Kerk verdacht.
  • De Kerk vond het correct om bijvoorbeeld het weer te voorspellen op grond van waarnemingen aan de natuur. Maar de bewering dat het weer werd bepaald door de dag waarop de Kerst was gevallen, vond de Kerk verdacht.

De Kerk vond dat bovennatuurlijke manifestaties alleen maar afkomstig konden zijn van ofwel God ofwel de duivel. Als vrome mensen geregeld naar de mis gingen en veel baden, konden zij daar een bovennatuurlijk resultaat van verwachten. Door de voorspraak van heiligen in te roepen, mochten zij op bovennatuurlijke hulp hopen. Dat was het werk van God. De bovennatuurlijke resultaten van de magiër waren echter het werk van de duivel met wie de magiër een verbintenis had gesloten. De Kerk bestreed alle handelingen die zonder aanwijsbare natuurlijke oorzaken wonderbaarlijke effecten leken op te leveren. Zelfs de kunsten van goochelaars werden soms als verdacht beschouwd.

  • De Kerk maakte dus uit wanneer iets van God kwam en wanneer het bijgeloof was en het werk van de duivel.
  • De Kerk maakte uit wanneer iets een 'natuurlijke' oorzaak was.
    • Geestelijken die beïnvloed waren door het neoplatonisme, schreven echter heel veel toe aan de natuur. De wapenzalving vonden zij een natuurlijk fenomeen want het ging hierbij om onzichtbare 'trillingen' die door de lucht van het wapen naar het slachtoffer gingen.
    • Geestelijken die beïnvloed waren door Aristoteles schreven veel minder toe aan de natuur. De wapenzalving vonden zij verdacht, want Aristoteles had aangetoond dat er geen 'werking op afstand' kon bestaan. Aangezien deze aristotelische geestelijken niet twijfelden aan de werking van de wapenzalving, kon het alleen maar het werk van de duivel zijn[1].

Protestanten bestreden witte volksmagie[bewerken]

  • De protestanten riepen dat de magie een overblijfsel was van paaps bijgeloof dat door de reformatie al veel terrein had verloren.
  • De contrareformatorische katholieken beweerden daarentegen dat de tovenarij juist door het protestantisme zo sterk was opgekomen.

Niets wijst er echter op dat de magie na de reformatie meer of minder aanhangers en beoefenaars had.

De protestanten, en in Engeland de anglicanen bestreden:

  • De volksmagie die was afgeleid van heidense gebruiken[2][3].
  • De middeleeuwse katholieke magie[4][5][6].
  • De volksmagie die was afgeleid van de katholieke magie, zoals van christelijke gebeden en rituelen.

De protestantse theologen dachten verschillend over de witte volksmagie:

  • Een groep protestantse theologen dacht dat de volksmagie met haar toverspreuken totaal onwerkzaam was en dat alle zogenaamde resultaten op niets dan inbeelding berustten.
  • Een andere groep theologen dacht, dat er wel degelijk resultaten waren maar dat die door de duivel tot stand waren gekomen. Op die manier zou hij zowel de ziel van de tovenaar als van diens cliënten in zijn bezit krijgen. De cliënten die genezen waren, zouden ofwel snel weer ziek worden, of hen zou na hun dood de eeuwige verdoemenis wachten.

Veel protestanten vonden dus dat 'witte magiërs' zoals de dorpstovenaars, wonderdokters en wijze vrouwen hun kunsten aan de duivel te danken hadden. Daarom werden zij door de protestanten harder aangevallen dan door de katholieken. De parochie moest zowel tovenaars als hun klanten aangeven bij de aartsdeken of bisschop. Klant zijn van een tovenaar zag de Kerk als een net zo groot misdrijf als tovenaar zijn. Toch werden ze, noch door de protestanten en anglicanen, noch door de katholieken, als duivelsaanbidders en ketters behandeld.

De anglicaanse Kerk was dermate druk bezig met het de kop indrukken van de volksmagie, dat zij zich vlak na 1500 ook het recht toeëigende om vergunningen te verstrekken aan doktoren en vroedvrouwen. Vroedvrouwen gebruikten namelijk vaak magie bij de bevallingen waarbij zij hielpen. Al in de Malleus Maleficarum werd erop aangedrongen om vroedvrouwen een eed te laten afleggen om bij de bevalling geen magie, gordels of amuletten te gebruiken. Deze eed werd ingevoerd en de vroedvrouwen moesten haar tot circa 1770 afgeleggen om vergunning te krijgen om te mogen werken.

Bestrijden witte volksmagie vanaf de kansel[bewerken]

De katholieke en protestantse Kerken bestreden de volksmagie voornamelijk in hun preken vanaf de kansel. Witte magiërs konden, volgens de Kerk, met de hulp van de duivel wel het lichaam redden, maar de ziel zou dan voor eeuwig verdoemd zijn. Beter was het om tot God en Christus te bidden en het aan Zijn genade over te laten en dan maar af te wachten of het Hem behaagde te helpen. Je kon, zei de Kerk, maar beter dood zijn of alles kwijtraken dan met de hulp van Satan gezond en rijk te zijn. Dat vond lang niet iedereen een goed idee.

Natuurlijk was de dorpsmagiër een rivaal voor de priester want hij beloofde een snel en gemakkelijk resultaat. Mensen die ziek waren of iets kwijt waren geraakt, of mensen die hulp en raad nodig hadden, gingen liever naar de dorpstovenaar of wijze vrouw dan daar een priester. Zelfs sommige intellectuelen vonden in de zestiende eeuw dat de wijze mannen en vrouwen meer goeds deden dan de geestelijken.

Het volk begreep in het geheel niet dat de Kerk de witte magiërs verweet dat het zondaars zouden zijn. Ook geestelijken en zelfs wel eens abten gingen immers wel eens naar een tovenaar om uit de kerk gestolen goederen op te sporen. Sommige bisschoppen gingen naar een waarzegger of wijze vrouw om raad. En dat ging na de reformatie gewoon door.

Bestrijden witte volksmagie door kerkelijke rechtbanken[bewerken]

Tot 1563 werd het zich bezighouden met magie of geestenbezwering niet gezien als een wereldlijke overtreding en kwam meestal voor een kerkelijke rechtbank. Die kerkelijke rechtbank droeg witte magiërs bijna nooit over aan een wereldlijke rechtbank[7]. Alleen in geval van bedrog, verraad, moord en letsel werd er civielrechterlijk opgetreden. Maar er werd nogal eens van deze regel afgeweken.

Volksmagie werd door de kerkelijke rechtbanken net zo zwaar bestraft als: ontheiliging van de zondag, godslastering en overspel. In de praktijk werden 'witte magiërs' dus haast nooit zwaar bestraft. Sommigen wilden wel graag de doodstraf invoeren voor witte magiërs maar zover is het nooit gekomen.

Hoewel de anglicaanse campagne tegen de witte volksmagie tussen 1500 en 1600 in volle hevigheid woedde, was het resultaat ervan niet groot.

  • Vaak gaven de plaatselijke geestelijken de verdachten niet aan bij de kerkelijke rechtbanken[8]. Tussen 1600 en 1700 liep het aantal aangiften vanuit de parochies terug naar bijna nul. Tegen hoge geestelijken die onderzoek deden in de parochies, zweeg men. Indien op visitatielijsten nog navraag werd gedaan omtrent volksmagie, vulde men steeds vaker in: "omnia bene" (alles in orde).
  • Een dorpstovenaar of wijze vrouw die populair was, werd niet vaak aangegeven. Maar als een ontevreden klant ruzie had gehad met de dorpsmagiër, kreeg deze van de klant wel eens de (zware) aangifte wegens geestenbezwering of zwarte magie aan zijn broek.
  • Soms had een dorpstovenaar zoveel invloed dat men hem niet durfde aan te klagen. Klanten van de magiër konden wel eens rijk en invloedrijk zijn en dreigden soms om tegenmaatregelen tegen de aangever te nemen.
  • In het geval dat een tovenaar of wijze vrouw voor de kerkelijke rechtbank moest verschijnen, en waarschijnlijk zijn dat er in Engeland duizenden geweest, kon hij de aanklacht ontkennen. De kerkelijke rechtbank beval hem dan om een aantal (meestal vier tot acht) eedhelpers uit zijn eigen parochie te laten komen die zijn onschuld moesten bevestigen met een eed. Als hij populair genoeg was om die te vinden, en als hij geld genoeg had om hun reis- en verblijfskosten te betalen, kon de kerkelijke rechtbank niets anders doen dan hem een waarschuwing geven[9]
  • Uiteindelijk werd mogelijk ongeveer de helft van alle tovenarijzaken door de kerkelijke rechtbanken als niet ontvankelijk verklaard.
  • Als het tot een veroordeling kwam, gaven de kerkelijke rechtbanken vrij lichte straffen. Al in de zestiende eeuw hadden de kerkelijke rechtbanken de lijfstraffen afgeschaft. Na 1600 bestonden de straffen uit:
    • Excommunicatie, meestal alleen maar voor diegenen die niet op hun proces verschenen.
    • Openbare boetedoening. De veroordeelde magiër moest in het publiek in de kerk of op de markt gaan staan, gekleed in een wit laken, met een staf in de hand en een bord om zijn nek waarop zijn wandaden beschreven stonden. Daar werd hij bespot door de omstanders. Dat tikte flink aan in de hechte samenlevingen van die tijd maar, van de andere kant, was het ook een mooie gratis reclame. Daarna zette de magiër zijn praktijk dan ook meestal voort.
  • Bezoekers aan magiërs werden tot 1650 door de anglicaanse kerkelijke rechtbanken bestraft met een lichte vorm van excommunicatie, te weten uitsluiting van het avondmaal.

Na 1600 begon de interesse van de anglicaanse Kerk voor de volksmagie af te nemen. Bij de 'visitaties' door de bisschoppen en aartsdekens moesten de parochies vragenlijsten invullen. Op die vragenlijsten stonden vanaf 1600 steeds minder vaak vragen omtrent magische praktijken in de parochie.

Rond 1650 waren dit soort vragen al vrijwel verdwenen. Er kwamen na 1650 steeds minder magiërs en hun klanten voor de kerkelijke rechtbanken. Temeer omdat vanaf circa 1660 de volksmagie zelf aan belang begon in te boeten.

Rond 1700 nam de Kerk de volksmagie totaal niet meer serieus[10].

Na 1700 raakte het systeem van de kerkelijke rechtspraak in verval. En ook daarvoor had ze weinig concreets bereikt tegen de witte magie.

Dorpstovenaars en geestelijken[bewerken]

Voor het gewone volk was het verschil tussen dorpstovenaars en priesters of dominees soms moeilijk te zien. In de late Middeleeuwen waren de katholieke priesters bijna de enigen die konden lezen en daarmee de enigen die de toverboeken en toverspreuken konden begrijpen. Verder waren katholieke priesters maagdelijk dus zij konden geesten zien. Veel dorpstovenaars die in het begin van de zestiende eeuw voor de kerkelijke rechtbanken moesten verschijnen, waren dan ook inderdaad priester. Zij oefenden de magie uit in hun parochie. Zij zochten vooral op magische wijze naar schatten en bezwoeren geesten. Verder gaven zij wel eens verhandelingen over magie uit. Het katholieke volk dacht vaak dat een priester mensen kon genezen en voorspellingen kon doen.

De protestanten en anglicanen hadden de geestelijke echter veel van zijn magie afgenomen: hij mocht geen duivels meer uitdrijven, mocht niet meer zegenen en wijden en de protestanten en anglicanen geloofden niet meer in de transsubstantiatie, (de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus) tijdens de consecratie. De mis werd niet meer opgedragen en het celibaat werd afgeschaft. De protestantse en anglicaanse geestelijke had niet de mystieke uitstraling van zijn katholieke collega. Verder leerden in het verloop van de zestiende en zeventiende eeuw steeds meer mensen lezen (en schrijven) dus de priester verloor zijn alleenrecht op het lezen van toverboeken. Geleidelijk aan verminderde het aantal geestelijken dat aan volksmagie deed.

Ook na de reformatie beoefenden echter nog veel dominees en anglicaanse geestelijken de volksmagie op een manier die veel leek op die van de dorpstovenaars. Zij konden op die manier hun schamele inkomen wat aanvullen. Zij probeerden:

  • Gestolen goederen terug te vinden.
  • Zieke mensen en dieren te genezen door hen amuletten te geven, ze op papier geschreven spreuken om hun nek te hangen of ze (vaak werkzame) kruiden te geven.
  • Of ze werden astroloog.
  • Een enkele dominee of anglicaanse geestelijke werd zelfs beschuldigd van kwaadaardige hekserij.

Dominees en anglicaanse geestelijken die tevens magiër waren, kwamen tot in de negentiende eeuw voor.

Magie en religie[bewerken]

Magie, astrologie en religie pretendeerden alledrie dat ze de mens tegen ongeluk konden beschermen en/of dat ze zijn ongeluk achteraf konden verklaren.

  • Magie bood bescherming tegen hekserij (ontheksing), kon ziekten genezen, de toekomst voorspellen en verdwenen goederen en mensen terugvinden. Het was echter geen alomvattende doctrine.
  • Religie daarentegen bood ook nog een grote visie op de wereld: een reden voor het bestaan en de belofte op een leven na de dood. Mensen probeerden volgens haar morele richtlijnen te leven. De Kerk was een groot instituut met een sociale functie waar mensen elkaar ontmoetten en gezamelijke activiteiten hadden.

De geestelijken zagen de wonderdokters, wijze vrouwen en astrologen als rivalen. Soms probeerde de Kerk om de wonderdokters en astrologen te assimileren door te beweren dat het eigenlijk God was die via die mensen werkte, en dat God de heks toestond om de zondigen te straffen. Het volk zag de magie echter als wezenlijk anders dan de theologie van de Kerk.

Ongeluk en schuld[bewerken]

De geestelijken verklaarden alles als zijnde veroorzaakt door Gods wil. Theoretisch zouden de theologen hebben moeten verklaren dat de mensen de reden voor het ongeluk dat God hen zond niet kenden. Toch benadrukten zij telkens weer dat nationale rampen veroorzaakt werden door de zonden van het volk en dat individueel ongeluk (als ziekte of brand) veroorzaakt werden door de zonden van de ongelukkige. De magiërs waren het hier overigens mee eens. Ongeluk en schuld waren dus sterk met elkaar verweven.

Mensen werden gedwongen de schuld bij zichzelf te zoeken en zelfonderzoek te doen. Tegen 1700 begon niet alleen de magie haar aanzien te verliezen, ook de religie veranderde. De duivel kreeg een minder prominente rol toebedeeld, men zag niet meer overal de hand van de duivel in. De angst voor de duivel werd langzamerhand wat minder. Voor veel manifestaties van God werden natuurlijke oorzaken gevonden. God had een ordelijk universum geschapen dat zich ordelijk gedroeg volgens de natuurwetten die Hij ooit geschapen had. Individuele rampspoed hoefde men niet meer te verklaren aan de hand van eigen zonden want veel theologen aanvaardden dat veel lijden gewoon onverdiend was, net zoals Job was overkomen. Deze natuurlijke theologie veroorzaakte een breuk tussen ongeluk en schuld. De pechvogels werd aangeraden hun ongeluk lijdzaam te dragen. Op Goddelijk ingrijpen hoefden ze niet meer te hopen.

Noten[bewerken]

  1. Rond 1630 was er in Engeland een verschil van mening over de vraag of de wapenzalving een vorm van tovenarij was (aristotelianen) dan wel een officiële geneeswijze (neoplatonisten).
  2. De Kerk had noodgedwongen veel heidens bijgeloof opgenomen.
  3. De katholieken bestreden dit soort bijgeloof in de Middeleeuwen en daarna net zo hard.
  4. Katholiek geloof omgeven door bijgeloof.
  5. Katholieke sacramenten omgeven door bijgeloof.
  6. Katholieke rituelen omgeven door bijgeloof.
  7. De wereldlijke rechter gaf gevangenisstraf, het schandblok of zelfs de doodstraf.
  8. Waarschijnlijk om hun populariteit bij het volk niet in gevaar te brengen.
  9. Het kwam zelfs wel eens voor dat tovenaars werden vrijgelaten omdat ze geen geld genoeg hadden om eedhelpers te laten komen, maar zo ging het lang niet altijd.
  10. Niet lang daarna vroeg het barbiers- en chirurgijnsgilde in een petitie aan de overheid om de Kerk het alleenrecht af te nemen om vergunningen te verstrekken aan chirurgijnen.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.