Volk, kerk en magie 1500-1700/De macht van de duivel

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

7. De macht van de duivel

In het Oude Testament speelde Satan nog geen belangrijke rol, maar al in de vroege Middeleeuwen werd hij tot de grote vijand van God verheven. Onder hem stond een leger van demonen en kwade geesten.

Hij probeerde altijd om de mens op het slechte pad te brengen en de meeste mensen waren volgens de Kerk te zwak om hem weerstand bieden. Als het de duivel lukte om deze mensen te verleiden, ging hun ziel na hun dood naar de hel waar ze voor eeuwig moesten branden en gemarteld werden. Dit idee werd er al bij kleine kinderen ingepompt.

Satan kende alle geheimen van de natuurlijke wereld omdat hij ooit een engel van God was geweest. Maar hij zou uit vrije wil "gevallen" zijn[1]. Hij kon storm en onweer veroorzaken en mensen ziek maken.

Gedaante[bewerken]

De duivel, uit de Codex Gigas, ca. 1230
De duivel belaagt Augustinus, Michael Pacher, ca. 1470
Het duivelsnet, 1441

De duivel was altijd en overal aanwezig maar meestal was hij onzichtbaar. Hij had geen lichaam maar kon dat wel nabootsen. Velen "zagen" de duivel ook daadwerkelijk in een menselijke of dierlijke gedaante. Ze roken zwavel en hoorden een donderslag en daar was de duivel om hun ziel mee naar de hel te slepen. Hij verscheen in de gedaante van:

  • Een afzichtelijke zwarte man met horens op zijn hoofd, schouders die boven zijn hoofd uitstaken, grote tanden, een vuurspuwende mond, grote vurige ogen, een staart, klauwen en bokkepoten.
  • Een zwarte hond, of een chimaera, een beer, uil of monster.

Hij gebood hen aan God te verzaken, zelfmoord te plegen of een moord te plegen. Tot in de negentiende eeuw werd van moordenaars en zelfmoordenaars beweerd dat de duivel hen daartoe had opgezet.

God was de personificatie van het goede en Satan de personificatie van het kwaad. Wie in Satan geloofde, zo redeneerde men, moest onherroepelijk ook in God geloven. Dus de enkeling die het aandurfde om niet in Satan te geloven, werd voor atheïst uitgemaakt.

Satan werd door de Kerk afgeschilderd als de oppermachtige baas van de zichtbare wereld. Het leek wel alsof hij alles mocht van God. Sommige gelovigen dachten zelfs dat de duivel machtiger was dan God.

Activiteiten[bewerken]

Satan werd gezien als een soort beul van God. Hij strafte meinedigen, godslasteraars, dronkelappen en goddelozen.

Het bestaan van de duivel werd gebruikt om vreemde ziektes te verklaren, misdaden die zonder reden waren gepleegd, maar ook onverklaarbare successen van andere mensen werden aan de duivel toegeschreven. Verder het mislukken in een beroep, het lijden van schipbreuk en slachtoffer worden van een mijnramp. Seksuele verlangens en nachtelijke zaadlozingen werden toegeschreven aan de activiteiten van een incubus of succubus.

Faust[bewerken]

Tussen circa 1550 en 1700 circuleerden er heel veel verhalen in Europa die op de Faustlegende leken.

Veel intellectuelen en nieuwsgierige leken probeerden de duivel op te roepen. Ze trokken een krijtcirkel op de grond, spraken toverformules uit en gebruikten wijwater, kaarsen, scepters, zwaarden en toverstokken. Zij wilden hun ziel aan hem verkopen in ruil voor geld, kennis, roem, liefde en macht. Maar de duivel, zei de Kerk, had hen eerst verleid en zou hen daarna bedriegen en in het verderf storten.

Paradox[bewerken]

De priesters predikten dermate hel en verdoemenis dat de meeste mensen de hoop hadden opgegeven om in de hemel te komen. Veel mensen vreesden dat ze wel in de hel zouden eindigen of in het vagevuur als het meeviel[2]. Daarom was men ook zo happig op aflaten die de tijd in het vagevuur zouden bekorten[3].

De protestanten handhaafden na de reformatie het katholieke concept van de duivel en maakten het zelfs nog wat erger. Sommige mensen waren dermate bang gemaakt voor de duivel en de hel, dat zij zich maar (in gedachten) aan hem overgaven: hun ziel was toch al verloren en misschien wilde hij (in ruil voor hun vrijwillige overgave) hen de martelingen in de hel besparen (en hen misschien in deze wereld materieel een beetje helpen). Zo leidde de angst die de predikers de mensen voor de duivel inboezemden er paradoxaal genoeg toe dat sommigen zich aan de duivel overgaven.

Beschuldigingen over en weer[bewerken]

De katholieken riepen dat de protestanten Satan vereerden en omgekeerd. De christenen riepen samen dat alle niet-christelijke volkeren, zoals de Indianen, Satan vereerden.

Bezetenheid[bewerken]

Sint Franciscus drijft duivels uit in Arezzo, Giotto, 1298
Exorcisme, Goya, rond 1800

Tussen 1500 en 1700 dachten heel wat mensen dat ze door de duivel bezeten waren. Dat kon men aan die mensen zien, want ze zagen er vreemd en lelijk uit, hun zeden waren verwilderd, ze hadden hysterische aanvallen, stuiptrekkingen en krampen, spuugden vreemde voorwerpen uit en ze waren verlamd of gevoelloos voor pijn. De demonen spraken door hun mond: ze braakten obscene en godslasterlijke taal uit, of ze spraken opeens vloeiend een vreemde taal. In Engeland dacht men meestal dat een heks verantwoordelijk was voor deze bezetenheid maar dat hoefde niet persé.

De middeleeuwse kerk, en na de reformatie de katholieke kerk, konden door middel van exorcisme de duivel uit bezeten mensen drijven. Een priester voerde dit ritueel uit. Hij had hiervoor een (al rond 250 ingestelde) kleine wijding ontvangen. De priester beval de duivel in de naam van God te verdwijnen. Hij sloeg daarbij kruistekens en gebruikte wijwater. Ook haalde hij op symbolische wijze adem. Bij de doop exorceerde de priester het pasgeboren kind. Tijdens de contrareformatie schreven de katholieken een groot aantal handleidingen over het excorcisme waarin ook klopgeesten, spookhuizen en bezeten dieren werden behandeld.

Een duivelsuitdrijving hoefde niet altijd te lukken. Als het slachtoffer teveel had gezondigd of als het publiek niet in de uitdrijving geloofde, mislukte die.

Wie waren bezeten en waarom?[bewerken]

Mannen en vrouwen van elke leeftijd en elke sociale klasse konden bezeten raken, maar het waren toch vooral de vroomsten die dit overkwam. In Frankrijk raakten van meerdere nonnenkloosters alle nonnen van de duivel bezeten. Bezetenheid zou wel eens een hysterische reactie kunnen zijn geweest op de grote dwang om mee te doen aan allerlei godsdienstoefeningen en op de onderdrukking van seksuele verlangens. Mogelijk was het ook een vorm van schizofrenie.

De bezetene kon geen religieuze voorwerpen meer zien, geen religieuze taal meer aanhoren, niet meer bidden en niet meer aan godsdienstoefeningen deelnemen. Hij ging dan brullen, vloeken en tieren, vooral op zijn religie en hij ging met boeken gooien.

De bezetene kon zich gedrag permitteren dat anders beslist niet getolereerd zou worden en hij kreeg daarvoor ook nog eens liefdevolle zorg en aandacht in de vorm van een uitdrijvingsritueel. Sommige mensen gingen zelfs doen alsof ze bezeten waren.

Protestanten en anglicanen[bewerken]

De protestanten en anglicanen hadden al rond 1530 het idee van de duivelsuitdrijving als paaps bijgeloof verworpen.
1) Een duivelsuitdrijving was een wonder en wonderen bestonden volgens hen niet meer[4].
2) Nogal wat exorcisten werden als bedriegers ontmaskerd. Sommigen hadden zelfs hun cliënten geleerd hoe ze de symptomen van bezetenheid konden simuleren zodat zij ze vervolgens met groot succes konden exorceren.
3) Exorcisme werd regelmatig gebruikt voor partijpolitieke spelletjes.
4) Steeds meer protestanten en anglicanen gingen twijfelen aan het reeële bestaan van bezetenheid en vroegen zich af of de symptomen daarvan niet door een natuurlijke oorzaak verklaard konden worden.

Het afschaffen van de duivelsuitdrijving verhinderde echter niet dat er in de zestiende en zeventiende eeuw veel protestanten en anglicanen bezeten raakten. Deze bezetenen konden echter niet meer door middel van excorcisme geholpen worden.

Anglicanen[bewerken]

De anglicanen hadden de kleine wijding voor de exorcisten en het excorcisme bij de doop afgeschaft. Om echter hun bezeten gelovigen te kunnen helpen, stelden zij toch weer een soort uitdrijvingsritueel in, waarin zij echter de duivel niet beválen om heen te gaan, maar God nederig smeekten om de duivel van het slachtoffer weg te halen. Daarbij baden en vastten zij. Sommige anglicanen geloofden echter niet dat men door bidden en vasten een duivel uit kon drijven, zij wilden de duivelsuitdrijving liefst helemaal verbieden. Veel anglicaanse geestelijken die dit ritueel uitvoerden, beweerden echter dat dit middel niet kon falen, waarmee zij vervielen tot het bijgelovige idee dat hun ritueel automatisch werkte. Daarmee was het dus geen nederig verzoek aan God meer dat Hij al dan niet kon verhoren.

Na verloop van tijd begonnen sommige anglicaanse geestelijken toch weer de duivel te gebieden om uit te varen[5].

Rond 1604 mochten anglicaanse dominees alleen nog maar met toestemming van de bisschop duivels uitdrijven. Anders werden ze aangeklaagd wegens bedrog en uit hun ambt ontzet. En die toestemming werd nooit meer verleend. Na 1604 hadden de anglicanen de duivelsuitdrijvingen dus feitelijk afgeschaft.

Puriteinen en sekten[bewerken]

De puriteinen gingen echter gewoon door met duivelsuitdrijvingen hoewel die nu wantrouwend in de gaten gehouden werden om bedrog te voorkomen. Tussen 1642 en 1660 ontstonden er in Engeland vele sekten[6] zoals de quakers, de dissenters, de ranters en de seekers en zij dreven steeds meer duivels uit bij bezetenen. Veel mensen bleven tot zeker 1700 geloven in het bestaan van bezetenheid en de werkzaamheid van uitdrijvingen.

Sceptici[bewerken]

Een minderheid van mensen als Hobbes stond sceptisch tegenover bezetenheid. Zij vonden het een goed idee van de anglicaanse Kerk dat zij de duiveluitdrijving in 1604 had afgedankt. Zij dachten dat "bezetenheid" veroorzaakt werd door hysterie (een vermeende aandoening van de baarmoeder), psychosomatische ziekten, epilepsie, krankzinnigheid of maanziekte.

In de loop van de zeventiende eeuw begon dit idee meer aanhang te krijgen. Artsen begonnen stuiptrekkingen eerder te behandelen als een natuurlijke kwaal. Rond 1700 geloofden zelfs veel theologen dat bezetenheid in feite helemaal niet bestond. Het volk bleef echter nog lang in bezetenheid geloven.

Terug naar katholicisme en magie[bewerken]

De middeleeuwse Kerk en de katholieken (van na de reformatie) hadden tegenmagie tegen de bezoekingen van de duivel: wijwater, kruisbeelden, het slaan van kruistekens, gewijde kaarsen, kerkklokken, gewijde kruiden, bepaalde gebeden, bijbelteksten op papiertjes die om het lichaam werden gedragen, een kuur van negen dagen gewijd brood en wijwater, zalven met heilige olie en tot slot de duivelsuitdrijving. Na de reformatie gingen de katholieken op het continent door met duivelsuitdrijvingen hoewel zij voor bedrog waakten. Als iemand door de duivel werd belaagd, gingen zij zelfs nog wel eens accoord met het toepassen van volksmagie door een wonderdokter of een geestenbezweerder. Als er maar geen kwade geesten werden opgeroepen en als de duivel, na te zijn uitgedreven, maar niet op een ander slachtoffer werd overgedragen.

Hoewel ook de protestanten de duivel als steeds machtiger afschilderden, schaften zij na de reformatie alle beschermende en genezende tegenmagie van de Middeleeuwen en de katholieken af[7]. De protestanten raadden hun gelovigen die zich door de duivel belaagd voelden, aan om te bidden, te vasten, boete te doen, en vooral om vertrouwen in God te blijven hebben. God had het goed met de mensen voor, ook al begrepen de mensen dat vaak niet. Satan werkte eigenlijk voor God want hij bestrafte de verdorvenen en stelde de vromen op de proef. De door de duivel belaagde mens moest daarom zijn eigen geweten onderzoeken want mogelijk had hij zondes gepleegd die de toorn van God hadden opgewekt. Het toepassen van tegenmagie kon tijdelijk verbetering geven, maar na de dood zou de ziel verdoemd zijn. Men moest de aanvallen van de duivel dus lijdzaam ondergaan.

Veel anglicanen vonden het terecht dat duivelsuitdrijven verboden was. Als zij dachten dat iemand bezeten was, gingen zij veel bidden. Maar dat bidden was niet meer dan een nederig verzoek aan God en gaf dus geen garantie op genezing.

Dat klonk allemaal mooi, maar veel gewone protestanten en anglicanen waren minder principieel. Daarom zochten velen toch weer hun heil in katholieke middelen of bij volkstovenaars:

  • Katholicisme. De anglicaanse geestelijken genoten minder gezag dan hun katholieke en puriteinse collega's, juist omdat de duivelsuitdrijving door de anglicanen was afgeschaft.
    • Sommige anglicaanse gelovigen stapten over naar de katholieke Kerk, die de duivelsuitdrijving wél kon bieden.
    • De continentale katholieken trachtten dit uit te buiten door in 1586 een enorme duivelsuitdrijfcampagne in Engeland te houden en daarbij in een half jaar tijd 500 tot 3000 mensen van hun bezetenheid te genezen en tot de Rooms-Katholieke Kerk te bekeren.
    • Ook maakten de (weinige) katholieken die er nog in Engeland waren, propaganda met verhalen over duivelsuitdrijvingen op het continent. Zij stelden dat de katholieke Kerk nog een werkzaam middel tegen bezetenheid had en dus een betere Kerk was.
    • Katholieke geestelijken in Engeland dreven (op hun dwingende manier) duivels uit bij mensen die tevergeefs behandeld waren door anglicaanse geestelijken (met hun nederige gebeden).
  • Volkstovenaars. Andere anglicaanse gelovigen gingen toch maar liever naar tovenaars en geestenbezweerders als ze dachten dat er iemand bezeten was. Soms paste men oude volkswijsheden toe: zo liet men de bezetene wel in de rivier springen om hem er daarna meteen weer uit te halen in de hoop dat de duivel achter was gebleven en verdronk. Ook ging men weer amuletten dragen om zich tegen de duivel te beschermen, hoewel de protestanten en anglicanen dat eerder allemaal als paaps bijgeloof veroordeeld hadden.

Vrouwen[bewerken]

De duivel kon vrouwen gemakkelijker verleiden dan mannen omdat zij "nu eenmaal zwakker waren". Vaak waren zijn slachtoffers zeer arme vrouwen die hij eten, kleren en een beetje geld beloofde. De armen werden door de buurt vaak slecht behandeld en koesterden een reële wrok tegen hun buren die ze luid of in stilte vervloekten. De duivel beloofde deze arme vrouwen dat hij ervoor zou zorgen dat hun vervloekingen zouden uitkomen. Soms zei hij hen echter ook dat ze hun kinderen moesten doden om zelf te eten te hebben, of dat ze zelfmoord moesten plegen. Aan weduwen en oude vrijsters beloofde hij soms seksuele bevrediging.

Noten[bewerken]

  1. De gevallen engelen (demonen) hebben deze macht over de natuurwetten behouden; hun val heeft hun bovennatuurlijke macht, kennis en vermogens niet aangetast. Dit stelt hen in staat grote invloed uit te oefenen op de mens en op de atmosfeer.
  2. Joseph Klaits, Servants of Satan ISBN - 253 35182 0
  3. Wie er een had, wilde zijn aflaat bij zich hebben als hij stierf, want dan hoefde hij niet zo lang in het vagevuur te blijven, late Middeleeuwen.
  4. Veel protestanten geloofden dat wonderen alleen maar in de begintijd van de Kerk waren gebeurd maar allang niet meer in de zestiende en zeventiende eeuw.
  5. Ook protestantse dominees vertelden wel eens triomfantelijk dat zij een duivel hadden uitgedreven.
  6. Tussen 1642 en 1660 ontstonden in Engeland veel sekten.
  7. Dat proces was eigenlijk al in de late Middeleeuwen begonnen: Europese theologen meenden toen al dat bezetenheid de instemming van God kon hebben en keerden zich daarom tegen de kerkelijke tegenmagie en meenden dat excorcisme kon mislukken.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.