Volk, kerk en magie 1500-1700/Bidden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

8. Bidden

Bidden[bewerken]

De gelovigen baden tot God:

  • Voor hulp als het slecht met hen ging.
  • Om Hem te danken als het goed met hen ging.
  • Bij het nemen van moeilijke beslissingen.

Smeekbeden[bewerken]

De theologen vonden dat de gelovigen op de eerste plaats moesten bidden voor spirituele zaken als een sterk geloof en vergeving van hun zonden. Op de tweede plaats mochten ze ook bidden om hulp bij meer materiële zaken als het dagelijkse brood, de gezondheid, een goede oogst, een goed verloop van een geboorte, een geslaagd huwelijk, een goede reis, succes in het beroep, goed weer, als er brand was, om niet plotseling dood te gaan, en als er iemand gestorven was voor zijn zieleheil.

De puriteinen vonden dat men niet mocht bidden voor hulp bij lichamelijke en materiële gebreken of voor bescherming tegen noodweer. Met dat soort kleinigheden moest men God niet lastig vallen. Ook vonden zij dat je tijdens het bidden moest vasten, dat wil zeggen: geen vlees eten, geen alcohol drinken, geen dagelijks werk doen, minder lang slapen, sobere kleren dragen en geen geslachtsgemeenschap hebben.

Natuurlijk werden niet alle smeekbeden verhoord. De theologen verklaarden dit door er op te wijzen dat:

  • Degene die gebeden had misschien niet genoeg berouw had over zijn vroegere zonden.
  • Misschien had hij in zijn gebed wel gevraagd om iets dat niet gepast was. Alleen God kon dat beoordelen.
  • God kon de gelovige op de proef stellen door zijn gebed niet te verhoren.
  • God gaf dan misschien niet waar de gelovige Hem om gevraagd had maar in plaats daarvan gaf Hij hem Zijn genade, wat dus eigenlijk een veel groter geschenk was.
  • God ging natuurlijk niet in op elk verzoek om materiële verbetering.

God deed altijd wat goed was voor de mensen ook al konden zij dat vaak niet begrijpen.

Dieven baden ook wel eens voordat ze uit stelen gingen. Theologen vonden echter dat men niet mocht bidden voor iets dat tegen het algemene belang in ging.

Er werd individueel gebeden maar ook gezamenlijk. Kloostergemeenschappen en stads- of dorpsgemeenschappen baden bijvoorbeeld wel eens gezamenlijk. Zelfs een hele natie bad wel eens gezamenlijk, bijvoorbeeld bij hongersnood, epidemieën, grote rampen, tijdens oorlog en bij noodweer.

Mogelijke verklaringen voor de behoefte om te bidden zouden kunnen zijn:

  • Individuen met grote persoonlijke problemen konden zich, door te bidden, concentreren op hun situatie. En door althans iets te doen, voelden ze zich waarschijnlijk minder hulpeloos en bang.
  • Soms kon men, door te bidden voor zieken, hen daadwerkelijk genezen: als men er maar hard genoeg in geloofde en als de ziekte maar voornamelijk psychisch van aard was.
  • Als grote groepen mensen in de zeventiende eeuw bijeen kwamen om samen te bidden om bijvoorbeeld van de pest verlost te worden, wisten zij ook wel dat hun gebed misschien niet verhoord zou worden. En magische krachten zullen de meesten ook niet achter hun gebeden hebben gezocht.
    • Wel gaf het gemeenschappelijke bidden hen troost.
    • Door hun zonden te biechten (waarvan zij dachten dat die de pest hadden veroorzaakt) herbevestigden zij de ethische normen van hun samenleving.
    • De deelnemers zetten even hun privébelangen en groepsbelangen opzij voor het belang van de hele gemeenschap. Op die manier verdwenen ook klassenbelangen tijdelijk naar de achtergrond. Toen men in de achttiende en negentiende eeuw epidemieën meer rationalistisch begon te benaderen en meer aandacht ging schenken aan bijvoorbeeld hygiëne, bad men steeds minder vaak samen en verscherpten de klassentegenstellingen zich.

Dankgebeden[bewerken]

In deze gebeden werd er niets aan God gevraagd maar sprak de gelovige zijn verering of dank uit.

Gebeden bij moeilijke beslissingen[bewerken]

Men bad ook bij het nemen van moeilijke beslissingen. Bijvoorbeeld of men een onbevredigend huwelijk nu wel of niet moest ontbinden, of men een moeilijke reis moest ondernemen enzovoort. Mogelijk hielp deze vorm van bidden de gelovigen om zich op hun probleem te concentreren. Als zij er dan een oplossing voor vonden, werd dit aan het bidden tot God toegeschreven.

Soms leek deze vorm van bidden op een vorm van waarzeggerij. Het kwam bijvoorbeeld wel eens voor dat degene die bad om de oplossing van een diefstal mannen "zag" en die vervolgens liet arresteren[1].

Lot en loterij[bewerken]

In de Middeleeuwen liet men wel eens het lot een rol spelen bij een moeilijke beslissing. Men opende de bijbel op een willekeurige plek en het vers dat men het eerst zag, zou de oplossing van het probleem bevatten. Feitelijk werd God op deze manier min of meer gedwongen om een antwoord te geven. Daarom probeerde de Kerk deze methode te verbieden, maar zonder veel succes. Ook geestelijke leiders gebruikten deze methode en zelfs in het publiek. Daar stopten ze pas na de reformatie mee. Het volk gebruikte deze methode echter nog heel lang.[2]

Er werd geloot om moeilijke keuzes te maken en om geschillen op te lossen. Lotingen mochten van de theologen niet gebruikt worden voor triviale zaken of om tot een besluit te komen dat op een gewone manier ook genomen kon worden, want dat was oneerbiedig tegenover God die via de loting tot een uitspraak werd gedwongen[3]. Dus kansspelen waren volgens de puriteinen volstrekt verboden. Al in 1627 echter stelde een puriteinse theoloog dat een loting niets met Gods wil te maken had en uitsluitend berustte op toeval. Tussen 1500 en 1700 wezen de meeste theologen het begrip 'toeval' echter af als heidens want zij zagen overal de directe hand van God in[4]. Toch kreeg de mening dat een loterij niet een uiting van Gods wil was, maar op toeval berustte, steeds meer aanhangers en werden kansspelen na 1700 enigszins aanvaardbaar.

Zelfhulp[bewerken]

Protestantse theologen vonden dat de gelovigen wel om Gods hulp mochten bidden maar dat ze zo veel mogelijk zelf moesten doen om hun problemen op te lossen. Men moest van het bidden zeker geen wonderen verwachten want die bestonden niet. Toch bleven veel protestanten geloven in wonderen, wonderbaarlijke genezingen en in de magische en genezende kracht van het gebed.

Noten[bewerken]

  1. Magie om dieven te ontmaskeren, 1500-1700.
  2. Tacitus schreef dat reeds de Germanen het lot lieten beslissen over moeilijke besluiten. In de twaalfde eeuw lieten pelgrims het lot beslissen over welke bedevaart ze zouden gaan houden. Ook publieke ambten werden vaak door loting toegewezen.
  3. Zo vond men de meeste godsgerichten ook een tarting van God en ze werden vanaf 1215 verboden. De waterproef en het tweegevecht verdwenen echter pas in de zeventiende eeuw.
  4. Vooral de puriteinen begonnen in elk dagelijks voorval de hand van God te zien.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.