Volk, kerk en magie 1500-1700/Verdwijnen van de magie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

17. Verdwijnen van de magie

Geen verdwijnen magie van binnen uit[bewerken]

Elk magisch systeem (en elke religie) vereist dat men van te voren een paar dingen accepteert[1]. Zijn deze premisses eenmaal aangenomen, dan is van daaruit de rest van het systeem heel goed te beredeneren. Ook mislukkingen zijn goed te verklaren:

  • Bij een ritueel was een foutje gemaakt.
  • De astroloog had een berekening niet helemaal goed gemaakt (of een aspect niet helemaal goed gewaardeerd).
  • De patiënt was pas gekomen toen het al te laat was.
  • De patiënt had iets gedaan of gegeten dat zijn remedie onwerkzaam had gemaakt.
  • De patiënt had er niet hard genoeg in geloofd.
  • De alchemist kon geen goud maken zolang hij hebzuchtig was (en goud wilde maken).
  • Als smeekbedes aan God niet werden verhoord, dan had God daar vast wel een goede reden voor.

De volgende poging zou beslist beter aflopen! Als de behandeling of het ritueel bleven mislukken, ging de patiënt nog liever naar een "betere" magiër dan van zijn geloof te vallen. Geen enkel magisch systeem leert ooit iets van haar fouten want die worden gewoon weggeredeneerd. De afbraak van de magie kon dus onmogelijk van binnenuit komen maar moest van buiten komen.

Verdwijnen magie door protestantisme[bewerken]

De magie werd weliswaar door de kerkelijke rechtbanken bestreden maar niet erg effectief en ze nam daardoor dan ook nauwelijks af[2].

Er waren echter andere factoren waardoor de magie langzamerhand verdween in de late zeventiende eeuw. De protestanten, die het magische systeem van de middeleeuwse katholieken na de reformatie zo veel mogelijk overboord hadden gegooid, hamerden er bij hun gelovigen op dat ze hun problemen alleen maar konden oplossen door te bidden, hun geweten te onderzoeken en hard te werken. Deze levensinstelling van 'zelf doen' en hard werken, werd door veel katholieken overgenomen. De mens leerde om eerst eens zelf te proberen iets aan zijn ongeluk te doen alvorens bovennatuurlijke hulp in te roepen. De intellectuelen begonnen de snelle en (in moreel opzicht) "gratis" verkregen hulp van de magie te minachten.

De mens ging zoeken naar technologische oplossingen voor zijn problemen. Hoewel men pas in de negentiende en twintigste eeuw echt bruikbare technische oplossingen en rationele medicijnen zou gaan vinden die als alternatief voor de magie konden dienen, begon de magie toch al vanaf 1650...1700 langzaamaan haar aanzien te verliezen.

Ook de angst voor de duivel verminderde, men zag niet meer overal de hand van de duivel in. Voor veel manifestaties van God werden natuurlijke oorzaken gevonden. God had een ordelijk universum geschapen dat zich ordelijk gedroeg volgens de natuurwetten die Hij ooit geschapen had. Individuele rampspoed hoefde men niet meer te verklaren aan de hand van eigen zonden want veel theologen aanvaardden dat veel lijden gewoon onverdiend was, net zoals Job was overkomen. Deze natuurlijke theologie veroorzaakte een breuk tussen ongeluk en schuld.

Verdwijnen magie door Verlichting[bewerken]

  1. De Verlichting zorgde voor een rationeler en optimistischer geestelijk klimaat. De mens hoopte uiteindelijk elk mysterie te kunnen ontrafelen.[3]

Wetenschappelijke en wijsgerige revolutie 17de eeuw[bewerken]

In de loop van de zeventiende eeuw vond er een wijsgerige en wetenschappelijke revolutie plaats bij de intellectuele elite die geleidelijkaan door zou sijpelen naar het volk.

  1. In de middeleeuwse filosofie speelde de contemplatieve berusting een grote rol.
  2. Rond 1500 waren er al Italianen geweest, die, voortbordurend op rationalistische auteurs uit de Oudheid[4], de natuur ordelijk noemden. Wonderen waren onmogelijk, de ziel zou na de dood niet voortbestaan. In de zestiende eeuw namen de Italiaanse libertijnen dat idee over en in de zeventiende eeuw de Franse libertijnen. Er waren ook volgelingen in Engeland: zo kon Scot (circa 1550-1620) al sceptisch rationalist zijn vóórdat de wetenschappelijke revolutie in Engeland begonnen was. Maar al deze mensen schaften weliswaar het bovennatuurlijke af, maar vervingen dat door het "natuurlijke" van de neoplatonisten zoals de correspondentieleer en de sympathische magie.
  3. Neoplatonici hadden weliswaar de neiging om stellingen eerst te accepteren en er vervolgens een verklaring bij te zoeken, maar de neoplatonici en de hermetici braken met de middeleeuwse contemplatieve berusting[5]. Deze breuk leidde tot:
    1. De ontdekking dat niet de aarde maar de zon in het middelpunt van de wereld stond en dat die wereld oneindig groot moest zijn.
    2. De ontdekking van de bloedsomloop.
    3. Het toekennen van een mystieke betekenis aan getallen in de numerologie gaf de wiskunde een impuls.
    4. De astrologie had geleid tot een betere waarneming aan hemellichamen (Tycho Brahe 1546-1601) en ook tot betere klokken.
  4. In de loop van de zeventiende eeuw verminderde de (gedeeltelijke) samenwerking tussen magie en wetenschap die rond 1500 begonnen was, om tegen 1700 volledig te eindigen. De mechanische filosofie stelde dat het universum onderworpen was aan onveranderlijke natuurwetten (door God bij de Schepping ingebouwd). Er waren dus geen wonderen en geen bovennatuurlijke wezens. Bidden hielp niet op het materiële vlak, net zo min als bezweringen en toverformules. Deze mechanische filosofie verdrong tegen 1700 de aristotelische en neoplatonistische theorieën waardoor de grondslag wegviel onder de astrologie, de gyromantie, de alchemie, de fysiognomie en overigens de hele magie.
    1. De astronomie splitste zich af van de astrologie.
    2. De scheikunde splitste zich af van de alchemie.
    3. De botanici verwiepen de signatuurleer.
    4. Magnetisme en elektriciteit waren niet langer occulte krachten meer maar natuurlijke verschijnselen.

Het animistische concept van het universum verdween, terwijl dat het fundament onder de magie was geweest. Dat dit alles niet van de ene dag op de andere gebeurde, bewees Isaac Newton (1643-1727) door in het geheim alchemie te bedrijven (hoewel zijn wetenschappelijke collega's dat toen al excentriek vonden).

Eerst zien, dan geloven[bewerken]

Er werd veel geëxperimenteerd in de achttiende eeuw. De nieuwe wetenschap vond dat alles door de ervaring (of in een experiment) aangetoond moest worden. De dogma's van de klassieke wetenschap werden niet langer zonder meer als waar aangenomen: hun al dan niet 'waar zijn' moest eerst aangetoond worden. Astrologie was niet aantoonbaar. Als men een pad die een hulpduivel zou zijn, opensneed, vond men niets bijzonders. Amuletten en toverspreuken waren niet bestand tegen dit soort onderzoekingen. Wat niet houdbaar bleek, werd niet langer als waar geaccepteerd. Deze nieuwe inzichten lieten niet alleen de heksenvervolging eindigen maar lieten ook de magie en de astrologie steeds minder aanzien krijgen. Zelfs bij de religie durfde men vraagtekens te plaatsen.

Acceptatie bij het volk[bewerken]

Het duurde tot diep in de achttiende (en zelfs negentiende) eeuw voordat deze veranderde inzichten door het volk geaccepteerd werden. De elite wilde het volk opvoeden en gaf handboeken en encyclopedieën uit. In eerste instantie (rond 1704) gingen deze encyclopedieën op agressieve wijze tekeer tegen de oude magische denkbeelden maar toen het volk daarop geen encyclopedieën meer wilde kopen, bond men (rond 1728) wat in. Het volk accepteerde echter snel de gevolgen van de wetenschappelijke revolutie zoals nieuwe technieken en machines. Geleidelijk aan accepteerde men ook de ideeën daarachter, ook al begrepen velen die net zo min als de ideeën achter de astrologie en de magie.

Theorie 1: magie verdween door opkomst alternatieven[bewerken]

Stoommachine, ontwerp van J. Watt rond 1780
James Watt

De mens gebruikt alleen maar magie als hij in situaties komt die hij op geen enkele andere manier kan beheersen. In plaats van zich machteloos en gefrustreerd te voelen, dóet hij dan tenminste nog iets. Eén theorie zou dus kunnen zijn dat bij de komst van rationele technieken om de omgeving te beheersen de magie overbodig werd.

  • Tegen 1700 kwamen er betere landbouwtechnieken en werd de opbrengst van het land hoger. Er kwam nieuwe industrie en na 1670 waren er geen grote pestepidemieën meer. De overzeese handel bloeide. De bevolkingsdruk nam wat af. Dit alles verhoogde de welvaart in Engeland rond 1700. Alleen Holland had een hogere welvaart.
  • Vermogende mensen konden tegen 1700 hun geld in de nieuwe banken laten bewaren waardoor het schatgraven wat terugliep.

Communicatie en mobiliteit[bewerken]

  • De bevolking raakte in toenemende mate gealfabetiseerd[6], rond 1680 kon haast 40% van alle mannen lezen.
  • Ten gevolge van de industrialisatie in Londen trokken veel plattelandbewoners voor werk naar Londen om na verloop van tijd weer terug te keren naar hun woonplaats op het platteland. Nieuwe ideeën verspreidden zich daardoor sneller.
  • In 1680 werden de posterijen ingesteld, eerst alleen maar in Londen maar na 1700 ook in de provincie.
  • Er verschenen rond 1660 gedrukte kranten, eerst alleen maar in Londen, maar na 1700 ook in veel steden in de provincie. In die kranten verschenen advertenties over zoekgeraakte of gestolen goederen en over weggelopen of vermiste personen en dieren evenals over van diefstal verdachte personen. Er werden ook advertentiebureaus opgezet voor deze zaken. Deze taak werd de dorpstovenaar dus ontnomen.

Verzekeringen[bewerken]

In de Middeleeuwen hadden de gilden ervoor gezorgd dat de leden elkaar onderling hielpen bij begrafeniskosten, verlies, brand en het levensonderhoud van ouderen en weduwen. Die gilden waren echter verdwenen en tegen 1700 betekende een overstroming, brand of het overlijden van de kostwinner een grote ramp. Tegen 1700 groeide het verzekeringswezen in Engeland. Men kon zich gaan verzekeren tegen diefstal, brand en ziekte. Rond 1680 kon men ook goederen verzekeren die per wagen of kar werden vervoerd. Er was veel vraag naar verzekeringen en de verzekeringsmaatschappijen verdienden veel geld. Aanvankelijk kon men zich alleen in Londen verzekeren maar na 1700 kon men ook handelsvoorraden en huishoudelijke goederen tegen brand verzekeren in andere delen van het land.

  • Al rond 1380 kende Italië de eerste scheepsverzekeringen en Engeland rond 1550 Pas rond 1695 werd het echter een normale zaak om schepen en hun vracht te verzekeren. In 1720 werd Lloyds opgericht.
  • Men kon zelfs een levensverzekering afsluiten. Daartoe moest de verzekeringsmaatschappij echter kunnen bereken hoe hoog de jaarlijkse premie moest zijn als iemand op een bepaalde leeftijd de verzekering afsloot om bij overlijden een bepaalde uitkering te krijgen. Daarvoor moest men zijn levensverwachting kunnen bepalen. Deze kennis gaf de stoot tot de moderne demografie en de statistiek.
  • Er kwamen in de achttiende eeuw voorlopers van verzekeringsstelsels voor werknemers, ingesteld door de industriële ondernemingen. De arbeiders zelf stichtten verenigingen voor wederzijdse bijstand.

Statistiek[bewerken]

De statistiek werd ontwikkeld door wiskundigen. De kansberekening die hieruit voortkwam, verving alle vroegere speculaties van de magie, de astrologie en de religie over de oorzaken van geluk en ongeluk. Ongeluk werd een kwestie van toeval. Je kon de kans erop berekenen. Ongeluk was geen zaak meer van eigen schuld.

Brandbestrijding[bewerken]

Rond 1600 werd de handpomp geïntroduceerd, deze was in 1625 goed bruikbaar. De brandbestrijding, die eerst met leren emmers moest plaatsvinden, werd hierdoor verbeterd. Enkele decennia later schaften al veel gemeenten een brandweerwagen aan. De Hollanders vonden rond 1660 de leren blusslang uit. Vlak na 1700 werd de brandweer uitgerust met brandladders. Rond 1710 was elke parochie in Engeland wettelijk verplicht een brandweerwagen te hebben, een handpomp, een leren slang en in elke straat een aansluitpunt voor water. Houten huizen met strooien daken werden (voor de zoveelste keer) verboden en men schakelde steeds meer over naar baksteen.

Andere wetenschappen[bewerken]

De sociale wetenschappen kwamen op. Zij probeerden maatschappelijke ontwikkelingen als geheel te verklaren. De ontberingen van de enkeling hoefden niet persé zijn eigen schuld te zijn, of een kwestie van geluk of pech, maar konden onpersoonlijke oorzaken hebben, zoals (een gebrek aan) scholing of een (achtergesteld) sociaal milieu. Dit werd een belangrijk thema binnen de Verlichting.

De eerste aanzetten tot de wetenschappen van de economie, sociologie en psychologie werden gegeven. Door de psychologie kon de mens toch weer anderen de schuld geven van zijn ongeluk: nu niet de heks maar de verkeerde opvoeding door zijn ouders of het onrechtvaardige sociale systeem waarin hij leefde.

Theorie 2: magie verdween vóór opkomst alternatieven[bewerken]

De magie is echter helemaal niet verdwenen omdat er alternatieven voor in de plaats kwamen. De magie verloor al tussen 1650 en 1700 veel van haar aantrekkingskracht voor de intellectuelen en daar kwam niets voor in de plaats. Van enige vooruitgang op bijvoorbeeld wetenschappelijk, technologisch of medisch gebied was toen nog nauwelijks sprake. Het was eerder omgekeerd: doordat men zich afwendde van de magie kon de vooruitgang van wetenschap en techniek pas op gang komen, want het feit dat de mensen zich tot de magie hadden gewend, had dat verhinderd.

Het christendom speelde beslist een rol in die vooruitgang. Vele christelijke filosofen en theologen vonden dat de wereld geordend was en gebonden aan door God geschapen natuurwetten. Rond 1500 verbond dat idee zich met de herontdekking van de rationele schrijvers uit de klassieke Oudheid (zie hierboven: Wetenschappelijke en wijsgerige revolutie 17de eeuw, punt 2). Het resultaat was het idee van een geordend universum waarin oorzaak en gevolg een voorspelbare relatie met elkaar hadden. Dit bood een goede voedingsbodem voor de natuurwetenschap en techniek.

Medische wetenschap[bewerken]

  • In de zeventiende eeuw boekten de medische kennis, de diagnostiek en zeker de therapie niet veel vooruitgang. Wel boekte men vorderingen in de fysiologie, de anatomie en de biologie. Men onderzocht de bloedsomloop, het zenuwstelsel, rachitis en de epidemieën. De microscoop werd rond 1665 uitgevonden door Hooke (zie ook: Antoni van Leeuwenhoek), waardoor men lichaamscellen en bacteriën kon gaan onderzoeken en zo de infectieziekten op het spoor kwam. Door de ontwikkeling van de scheikunde kon men de aloude galenische theorie van de lichaamssappen overboord gooien.
  • In de achttiende eeuw kwam er ook nauwelijks een echt bruikbare diagnostiek en zeker geen therapieën.
    • Er werden medicijnen uit het verre Oosten geïmporteerd zoals: kinine tegen malaria en guaiacum tegen syfilis.
    • De inenting tegen de pokken werd uitgevonden.
    • Er werden in Engeland 50 nieuwe ziekenhuizen gesticht, hoewel men zich af kan vragen of die beter waren in het bestrijden van ziekten dan in het verspreiden ervan.
    • De theorieën over bovennatuurlijke oorzaken van ziekte verdwenen nog vóórdat er vooruitgang was geboekt qua diagnose en therapie. Er heerste een optimistische houding, men dacht uiteindelijk alle raadsels te zullen ontrafelen, ook al wist men nog niet hoe. Zo werd epilepsie niet meer als een bovennatuurlijke ziekte gezien, hoewel er nog geen andere diagnose en therapie waren. Maar men vertrouwde erop die in de toekomst te vinden.

De wetenschappelijke revolutie droeg echter tot ver in de negentiende eeuw nauwelijks bij aan de verhoging van de levensverwachting. Dat zou pas gebeuren tussen 1925 en 1950.

Hygiëne en epidemieën[bewerken]

Al vlak na 1600 waren veel steden begonnen zich te beschermen tegen epidemieën als de pest door hun burgers aan te raden een zekere hygiëne in acht te nemen. Deze verbetering van de hygiëne verhoogde de levensverwachting enigszins.

De overheden zetten de slachtoffers van epidemieën in quarantaine en sloten vaak hele steden en zelfs gebieden af. Veel mensen waren in de zestiende en zeventiende eeuw fatalistisch: de pest was de straf van God voor de zonden van de mensen dus het was zinloos zich daartegen te verzetten. Maar anderen vonden dat men weliswaar berouw moest hebben over zijn zonden (die de pest veroorzaakt hadden) maar dat men verder best wel zelf iets mocht ondernemen om de toestand te verbeteren, zoals hygiëne in acht nemen, medicijnen gebruiken en quarantaine [7]. Als dat allemaal niet hielp, mochten de rijken van de overheid op de vlucht slaan. Niet de armen, want die hadden toch geen enkele waarde.

Men legde geen verband tussen de pest en de ratten. De elite was ook niet echt druk bezig met het onderzoeken van de oorzaak van de pest en een eventuele therapie want de pest was voornamelijk een ziekte van het arme volk dat dicht opeen gepakt woonde in smerige huizen.

Verandering na 1650 was geestelijk[bewerken]

Perpetuum mobile, 1660
Perpetuum mobile, 1729
Vliegende stad, Gullivers travels, 1856

De magie verdween dus al vóórdat er alternatieven voor in de plaats kwamen. De wetenschappelijke en wijsgerige revolutie in de zeventiende eeuw was dan ook niet zozeer technologisch als wel geestelijk. De mens kreeg meer vertrouwen in zijn eigen mogelijkheden en kracht:

  • Armoede en landloperij werden enigszins teruggedrongen.
  • Men begon in de landbouw met wisselbouw te experimenteren, ging moerassen droogleggen, experimenteerde met nieuwe gewassen, en verving de vruchtbaarheidsrituelen door meststoffen.
  • In de industrie werden vernieuwingen doorgevoerd. De ijzerbereiding werd vernieuwd.
  • Al vanaf 1610 werd er druk geëxperimenteerd en als een experiment mislukte, deed men een nieuwe proefneming.
  • Sommigen probeerden zelfs om sociale en economische ontevredenheid via de politiek op te lossen, maar die pogingen werden al snel de kop ingedrukt.
  • Francis Bacon (1561-1626) probeerde de levensduur te verlengen, ziekten te genezen, pijn te verlichten, nieuwe voedselbronnen te ontdekken en zelfs het weer te beheersen. Hij probeerde het weer, de oogsten en epidemieën op een rationele wijze te voorspellen.
  • De wetenschap had in de zeventiende eeuw vaak nog dezelfde doelen als de magie, ze streefde wonderbaarlijke effecten na en probeerde daarin met de magie te wedijveren. Wetenschap ontaardde daardoor nogal eens in goocheltrucs en geheimschriften en extravagante bedenksels zoals: het perpetuum mobile, machines om zonder paard te kunnen ploegen, schepen die ook bij zware storm konden varen, manieren om de grond vruchtbaarder te maken, huizen die tegen brand en overstromingen bestand waren, de wind te beheersen, slapelozen te laten slapen (door middel van muziek), in het geheim en over grote afstanden gedachten over te brengen, spiegels die vijandelijke schepen op grote afstand in brand konden steken, onderzeeboten en vliegende strijdwagens.

Toch deden de zeventiende eeuwse wetenschappers en uitvinders dit alles met gecontroleerde experimenten en hadden ze een groot vertrouwen in het menselijke vernuft. Het ontzag voor de oude hermetische wijsheid was verdwenen. Ze vertrouwden alleen nog op zichzelf. Toch leken hun ambities aanvankelijk nog erg op die van de magie. De wetenschap zou later zover voortschrijden dat rond 1950 de mens de natuur dermate beheerste dat sommige mensen dachten dat de mens God was geworden.

Verdwijnende magie liet leegte na[bewerken]

Alles bij elkaar werden de wonderdokters en de wijze vrouwen al langzaamaan verdrongen nog vóórdat de medische wetenschap en de techniek een beter alternatief boden.

  • Liefdesdrankjes verdwenen, maar daar kwam niets voor in de plaats.
  • De taak van de dorpstovenaars als terugvinders van verloren goederen en mensen werd weliswaar enigszins overgenomen door de politie en de advertenties in de kranten maar die functioneerden verre van perfect.
  • Waarzeggerij verdween wel, maar veel ondernemingen moesten (en moeten) nog steeds vaak beslissingen nemen over grote investeringen nog vóórdat zij daar op een rationele wijze over kunnen oordelen. Zij moesten (en moeten) na de afschaffing van de wichelarij en waarzeggerij vaak een sprong in het duister maken (hoewel zij dat uiteraard niet aan hun aandeelhouders zouden durven bekennen).
  • Individuen doen steeds waarzegrituelen als de I Tjing, hoewel zij daarvoor door de psychologen voor neurotici worden uitgemaakt: ook zij worden heden ten dage verondersteld in het duister te springen.

De leegte die het verdwijnen van de wichelarij en de toekomstvoorspelling heeft achtergelaten, is nog niet opgevuld.

Floreerde magie beter in een agrarische omgeving?[bewerken]

Van boeren zou men kunnen geloven dat ze bijgeloviger waren dan de stedelingen omdat zij met mysterieuze gebeurtenissen en natuurkrachten te maken hadden die zij vaak niet konden beïnvloeden of voorspellen. Van de stedelingen zou men kunnen denken dat ze rationeler waren. Maar hun ambachten en fabricagemethodes leken voor de buitenstaander ook vaak mysterieus.

  • Hun gereedschappen leken wel eens op fetisjen.
  • Sommige ambachten hadden een magische uitsraling, vooral smeden en metaalbewerking bij wat primievere samenlevingen.
  • In het middeleeuwse Engeland bestonden er veel spreuken en bezweringen rond spinnen en weven, boter- en biermaken.
  • In de middeleeuwse mijnbouw geloofde men dat:
    • Men ertsen met een wichelroede kon vinden.
    • Metalen onder de grond konden groeien.
    • Er van allerlei demonen bij die ertsen woonden, daarom mocht men onder de grond niet fluiten.
  • Uit de metselaars kwam in 1717 een mystieke broederschap voort op zoek naar occulte wijsheid: de vrijmetselaars.
  • De sekten, die vooral in Londen bloeiden rond 1660, pretendeerden de meest wonderbaarlijke genezingen en profetieën te kunnen doen[8].
  • In Londen hielden zeer veel drukbezette astrologen praktijk. Overigens werd elke soort magie in Londen druk beoefend, hoewel Londen tegen 1700 al een half miljoen inwoners had en de samenleving er al heel onpersoonlijk was.
    • Dievenmagie zal echter vrijwel alleen in kleine dorpen hebben gefunctioneerd, waar de magiër iedereen kende[9].
  • Zelfs in Londen werden mensen van hekserij beschuldigd, hoewel daar de beschuldiging uit schuldgevoel omdat men ziek werd nadat men de vermeende heks geen aalmoes gegeven had, wel zeldzaam geweest zal zijn.

De veronderstelling dat boeren in magie geloofden en stedelijke ambachtslieden en arbeiders eerder rationeel waren, snijdt dus geen hout. De landbouw was in Engeland overigens al in de vijftiende eeuw (of eerder) gerationaliseerd en gekapitaliseerd en de stadsbewoners van de zeventiende eeuw waren blijkbaar niet zo rationeel.

Magie vanaf 1700 tot aan vandaag[bewerken]

In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw begon de elite het volk te minachten.

In de negentiende eeuw geloofden alleen nog maar mensen in kleine dorpen op het platteland in magie. Zij geloofden toentertijd nog in:

  • Genezende bronnen, wichelarij, wonderdokters, hekserij, voortekenen, geesten en toverspreuken.
  • De religie was echter voor veel plattelandsbewoners in de negentiende eeuw ook een soort magie omdat men bleef geloven:
    • Dat van bidden een automatische werking zou uitgaan[10].
    • In beschikkingen[11].
    • Velen die onheil ervoeren, vroegen zich af wat ze gedaan hadden om dit te verdienen[12].

Toch was de magie in de negentiende eeuw verre van verdwenen, ook niet in de steden:

  • Er verschenen opnieuw mystieke gebedsgenezers [13], profeten en namaakmessiassen[14].
  • De middenstand was geïnteresseerd in spiritisme, automatisch schrijven, astrologie, spookhuizen en allerlei occulte zaken als: helderziendheid, waarzeggerij, contacten met de overledenen enzovoort.
  • Ook kwam het "kwaadaardige dierlijke magnetisme" in de negentiende eeuw in de mode en dat leek sterk op de eerdere maleficia die aan heksen werden toegeschreven.

Heden ten dage is er nog steeds magie in onze samenleving. Er zijn astrologen en toekomstvoorspellers, er staan horoscopen in de krant en er hangen gelukspoppetjes in de auto's. Ongeveer een kwart van de Engelse bevolking heeft ook nu (rond 1970) nog een magische wereldbeschouwing[15].

Onderscheid tussen wetenschap en magie[bewerken]

Als we magie definiëren als: het toepassen van niet-werkzame rituelen en technieken als alternatief voor de machteloosheid en angst die ontstaan als er nog geen werkzame technieken beschikbaar zijn dan vallen onder magie eigenlijk ook:

  • Het geloof in wetenschappelijke middelen die later zinloos blijken te zijn, zoals de galenische geneeskunde die in de zeventiende eeuw als zinloos terzijde werd geschoven.
    • Dit lot zal beslist ook een deel van de geneesmiddelen en geneeskundige methodes die wij nu nog wetenschappelijk noemen ten deel vallen.
  • Verder heeft ook de moderne geneeskunde veel magische rituelen en ook zij kan elke mislukking wegredeneren.
  • En tot slot: net zoals de klanten vroeger niet begrepen wat de wijze man nu eigenlijk precies deed, zo begrijpt tegenwoordig haast geen enkele patiënt iets van wat de moderne dokter nu eigenlijk precies doet.

Het is niet eenvoudig om een strikt onderscheid te maken tussen wetenschap en magie.

Noten[bewerken]

  1. Bijvoorbeeld in de homeopathie: 1) de similiaregel en 2) het idee van het potentiëren.
  2. Na 1700 raakte het systeem van de kerkelijke rechtspraak in verval. En ook daarvoor had ze weinig concreets bereikt tegen de witte magie.
  3. Joseph Klaits, Servants of Satan, ISBN 0 253 35182 0.
  4. Hippocrates had ontkend dat epilepsie bovennatuurlijke oorzaken had. Aristoteles vond profetische dromen niets dan toevalligheden. Cicero geloofde niet in waarzeggerij. Epicurus en Lucretius geloofden niet in bovennatuurlijke ingrepen. Plutarchus stelde het bijgeloof van de Joden aan de kaak.
  5. Zie hoofdstuk 11.
  6. Alfabetisering Engeland.
  7. Rond 1600 begon de Engelse overheid echter het kerkelijke fatalisme te bestrijden en kwam met een pestverordening.
  8. De quakers gingen het verst door te beweren dat ze mensen uit de dood konden opwekken.
  9. Dievenmagie.
  10. Dit soort gebeden waren echter geen nederige verzoeken aan God, die Hij al dan niet kon verhoren, maar hadden magische kracht omdat men veronderstelde dat ze automatisch werkzaam zouden zijn. En dit zagen zowel de katholieke als de protestantse Kerken als het verschil tussen bidden en een bijgelovige bezwering.
  11. Gods wil.
  12. Ongeluk en schuld waren dus sterk met elkaar verweven.
  13. Sommige sektariërs beweerden dat ze wonderen konden verrichten.
  14. Een enkeling beweerde dat hij Christus was.
  15. En dat aantal is sinds 1970 waarschijnlijk nog gegroeid onder invloed van de New Age- en sprituele bewegingen. E.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.