Volk, kerk en magie 1500-1700/Gods wil

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

6. Gods wil

Gods hand[bewerken]

De Middeleeuwer zocht nog geen bovennatuurlijke verklaring voor het onheil dat hem overkwam. Hij geloofde nog in het noodlot, een erfenis van de klassieke Oudheid.

Tussen 1500 en 1700 geloofden protestantse theologen dat het heil en onheil van de mens niets te maken had met het noodlot, geluk en ongeluk of het toeval, maar met beschikkingen van God of de Goddelijke voorzienigheid. God greep rechtstreeks in de wereld in, er kon niets gebeuren zonder Zijn toestemming. Vooral de puriteinen begonnen in elk dagelijks voorval de hand van God te zien.

Als iemand bijvoorbeeld door de bliksem gedood werd, zag men dit als een rechtstreekse ingreep van God. Een mens kon ziek worden of doodgaan: dat was in Gods hand. De mens kon bij ziekte wel een dokter laten komen en medicijnen nemen, maar zijn lot was feitelijk al beslist, zeiden de geestelijken. En daar voegden ze meestal aan toe dat hij zijn ziekte te wijten had aan zondes die hij eerder had gepleegd. De meeste doktoren zagen ziekte echter als een puur natuurlijk verschijnsel en niet als het gevolg van begane zondes, daarom noemden de geestelijken hen atheïsten.

Persoonlijk heil en onheil[bewerken]

Als het een mens goed ging, kon dat verschillende betekenissen hebben:

  • Als het een vroom mens goed ging, was dat de beloning van God.
  • Als het een slecht mens goed ging, dan had God zijn interesse in hem verloren. Hij zond hem zelfs geen ongeluk meer om hem op het rechte pad te krijgen.

Als het een mens slecht ging, was dat geen pech of zijn noodlot maar de wil van God:

  • Als het een slecht mens slecht ging, wilde God hem straffen voor zijn zijn zondes.
  • Als het een vroom mens slecht ging, wilde God hem op de proef stellen.

Men moest het onheil dus geduldig ondergaan want het was voor de eigen bestwil. En in het hiernamaals zou men het mogelijk beter krijgen. De boodschap dat men zijn ongeluk geduldig moest verdragen beviel niet iedereen.

Er waren talloze verhalen in omloop waaruit bleek dat God de zondaar strafte:

  • Er waren mensen verdronken omdat ze niet naar de kerk waren gegaan.
  • Steden afgebrand omdat de winkels 's zondags open waren geweest.
  • Inbrekers dood neergevallen bij de uitoefening van hun vak.
  • Er waren ongehoorzame kinderen rampen overkomen.
  • Net als godslasteraars.
  • En mensen die tegen de overheid in opstand waren gekomen.
  • Incest, overspel en perversie werden bestraft met een slechte gezondheid en de geboorte van monsterlijke kinderen. Vroedvrouwen geloofden nog tot in de achttiende eeuw dat een misvormd kind het resultaat was van ongepaste seksuele relaties.
  • Geslachtsziekten werden gezien als de straf van God voor een losbandig leven.

Dat onheil een beproeving van God kon zijn, werd nogal eens vergeten. De meeste mensen en geestelijken geloofden dat onheil de straf was voor gepleegde zondes. Dat werd vaak omgekeerd: wie niet zondigde, zou ook geen onheil overkomen. Daar leidde het volk uit af dat:

  • Wie het materieel slecht ging, wie arm was, bewees daarmee dat hij gezondigd had.
  • Wie materiële voorspoed had, bewees daarmee dat hij deugdzaam was.

De protestantse theologen vonden dat iedereen die door ongeluk werd getroffen vooral zijn eigen geweten moest onderzoeken op mogelijke zondes waarvoor het door God gezonden ongeluk een straf zou kunnen zijn. Zij vonden dat een zieke alleen maar kon genezen als hij berouw over zijn zondes had, want de ziekte was een straf van God voor die zondes.

Nationaal onheil[bewerken]

Zoals men geloofde dat het zedelijke gedrag van een individu tot zijn persoonlijke ongeluk kon leiden, zo geloofde men ook dat het zedelijke gedrag van een heel volk bepaalde of een land succes had en overwinningen in zijn oorlogen behaalde dan wel ten onder ging. Nationale rampen zoals aardbevingen, overstromingen, grote branden, stormen, hongersnood en epidemieën werden door veel protestantse geestelijken gezien als Gods straf voor de zonden van het hele volk, of van bepaalde groepen van het volk. Er werden dus vaak zondebokken aangewezen, ook door de geestelijkheid. In Engeland waren die zondebokken meestal: de katholieken, Joden, quakers, prostituées en drinkebroers. De puriteinen eisten dat de Kerk en de overheid tegen die groepen zouden optreden, want als men dat naliet, zou de straf van God zich tegen de hele natie gaan richten. Na elke pestepidemie of grote brand volgde er dan ook een stortvloed van zedeprekende geschriften.

Ook geloofde men dat het zedelijk gedrag van het vorstenhuis bepaalde of een land succes had en overwinningen in zijn oorlogen behaalde dan wel ten onder ging.

Fatalisme[bewerken]

De protestantse geestelijken vonden dat:

  • Alle rampen uit de wil van God voortkwamen.
  • Dat God het lot van de mens had voorbeschikt.

Dus pogingen om rampen te voorkomen of te ontvluchten of om de slachtoffers van een epidemie te genezen waren feitelijk nutteloos. Wie was voorbeschikt om te sterven, zou sterven. Wie niet was voorbeschikt om te sterven, zou blijven leven. Deze houding leidde tot fatalisme. Bij een pestepidemie:

  • Zouden geneesmiddelen weinig helpen.
  • Kon men gerust zieken bezoeken.
  • Had het geen zin om het gebied te ontvluchten, wat veel rijke stedelingen vaak deden.
  • De huizen en straten goed schoonhouden was zinloos.
    • Alleen wie echt in God geloofde en berouw had over zijn zondes zou de pest niet krijgen.

Rond 1600 begon de Engelse overheid echter het kerkelijke fatalisme te bestrijden en kwam met een pestverordening:

  • Het bezoeken van besmette huizen werd verboden.
  • Een zekere hygiëne moest in acht genomen worden.

Voortekenen en UFO's[bewerken]

Zonsverduistering, Frankrijk 1999

De wereld was in Gods hand en God reageerde op het zedelijk gedrag van de mensen met het zenden van beloning en straf. Tussen 1500 en 1700 zagen de mensen daarom in veel natuurverschijnselen omens (voortekenen) van Gods bedoeling om onheil te sturen. Als men door een voorteken niet tot inkeer kwam, dan zou de straf van God zeker volgen. Omens waren onder andere:

  • Donder en bliksem.
  • Aardbevingen.
  • Zonsverduisteringen.
  • kometen. Rond 1700 had men ontdekt dat kometen een natuurlijk verschijnsel waren en kon men hun baan berekenen. Toch bleef men ze nog tot in de negentiende eeuw als een waarschuwing van God zien voor een aanstaande ramp.
  • Ook de geboorte van mismaakte kinderen werd gezien als een voorteken.

De politiek maakte wel misbruik van de voortekenen. Zij beïnvloedde de publieke opinie door sommige wonderbaarlijke natuurverschijnselen (waarvan ze er aantal zelf had verzonnen) op te voeren als straf van God voor hun tegenstanders. De mensen hadden er het volste vertrouwen in dat God hun politieke, buitenlandse of religieuze tegenstanders zou straffen.

Er waren ook mensen die kleine dingen als het van de muur vallen van een schilderij als een voorteken voor persoonlijk onheil opvatten. Ook werd bij elk reeds voorgevallen ongeluk (bijvoorbeeld de dood van een familielid) een voorafgaand voorteken gezocht en gevonden.

Ufo's[bewerken]

Buiten deze reële natuurverschijnselen zag men echter nog veel meer wonderbaarlijks in de lucht, net zoals sommigen in de twintigste en eenentwintigste eeuw wel vliegende schotels in de lucht menen waar te nemen:

In de achttiende eeuw begonnen de geleerden het bestaan van voortekenen en wonderbaarlijke natuurverschijnselen te verwerpen en toe te schrijven aan natuurlijke oorzaken, ook al kende men die nog lang niet allemaal.

Ontstaan dagboeken en autobiografieën[bewerken]

Zie ook: Engels dagboek in de zestiende en zeventiende eeuw
Zie ook: Literatuur in de late Middeleeuwen

De middeleeuwse Kerk had exempla (voorbeeldboeken) laten uitgeven waarin beschreven werd hoe God de vromen beloonde en de zondaars bestrafte. In de zestiende en zeventiende eeuw zagen veel vrome mensen het als hun religieuze plicht om zelf voorbeelden op te schrijven van hoe God de vromen beloonde en de zondaars bestrafte. Daartoe ging men dagboeken en autobiografieën schrijven. De zondaren waarvan de straffen beschreven werden, waren meestal de anderen. Zichzelf omschreef de schrijver meestal als zeer vroom en hij hield minutieus alle beloningen bij die God hem voor zijn vroomheid gaf.

Hij beschreef alles dat hem voor onheil had behoed, zoals bijvoorbeeld dat er juist iemand langs was gekomen toen hij zelfmoord wilde plegen. Dat zijn paard gestruikeld was toen hij op weg was naar een huwelijk dat beslist onbevredigend zou zijn geworden.

Borstklopperij[bewerken]

Gewone mensen verklaarden natuurlijk vooral het ongeluk van hun buren door erop te wijzen dat God hen voor hun zonden bestrafte, het waren immers godslasteraars, vloekers, eedbrekers, moordenaars, overspeligen en sabbatschenders.

Als henzelf onheil was overkomen, weten zij dat echter liever aan een natuurlijke oorzaak. Slechts zeer zelden verklaarde iemand die onheil was overkomen dat daaruit bleek dat God hem bestraft had voor zijn gedrag.

Na circa 1650 schreven de theologen steeds meer gebeurtenissen aan de Goddelijke voorzienigheid toe. Zij vestigden er de aandacht op dat Gods wegen ondoorgrondelijk waren en dat men zich niet zo op de borst moest kloppen als een ander onheil ervoer. Men kon namelijk niet met zekerheid zeggen dat ziekte of onheil door God gezonden waren.

Filosofie van winnaars en verliezers[bewerken]

  • Wie materiële voorspoed had, bewees daarmee dat hij deugdzaam was. Rijke en machtige mensen meenden dat ze van God kregen wat hen toekwam: loon naar arbeid en beloning voor hun deugdzaamheid en vroomheid. Zij hadden dan ook alle reden om te veronderstellen dat Gods wil almachtig was. Dit waren dezelfde mensen die zelfwerkzaam waren geweest en zichzelf goed vooruit geholpen hadden.
  • Wie het materieel slecht ging, wie arm was, bewees daarmee dat hij gezondigd had. Rijke mensen vonden, net als veel zeventiende eeuwse theologen, dat arme mensen hun armoede aan hun eigen zondes te wijten hadden, aan hun eigen luiheid en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, dat zij dus zelf schuld waren aan hun armoede.
    • Arme mensen hielden niet zo van het idee dat hun armoede hun eigen schuld was. Zij geloofden liever dat hun armoede niets dan pech was en dat de welvaart van de rijken een kwestie was van geluk hebben. Zij hadden weinig redenen om aan de almacht van God te geloven.

Het goede beloond en het kwade bestraft?[bewerken]

Mensen konden maar moeilijk accepteren dat geluk en ongeluk willekeurig verdeeld werden. Men zag liever dat God de deugd beloonde en het kwaad bestrafte. Maar al in de zestiende eeuw geloofde haast niemand meer dat de deugd altijd werd beloond. De geestelijken zeiden tegen de armen dat God met alles een bedoeling had, ook al wisten ze niet welke, want Gods wil was ondoorgrondelijk. De arme moest dus lijdzaam afwachten en zou misschien in het hiernamaals beloond worden. Waarschijnlijk was dit idee bij de arme net zo impopulair als het idee dat zijn armoede zijn eigen schuld was. In de zeventiende eeuw begon men echter ook al te twijfelen aan die beloning in het hiernamaals.

Veel armen zochten dan ook liever hun heil bij magische denkwijzen die hen een snellere verlichting van hun zorgen beloofden en een begrijpelijkere verklaring voor het feit dat sommigen zwommen in hun geld terwijl anderen op straat dood neervielen.

Rond 1700 stelde de Anglicaanse Kerk dat:

  • Niet alle goede daden beloond werden. Men moest voor God deugdzaam zijn, niet voor een eventuele beloning. God bepaalde zelf wel wie Hij zou belonen.
  • Men niet zozeer deugdzaam moest leven uit angst voor de straf van God maar dat men deugdzaam moest leven om geen gewetenswroeging te krijgen.
  • Het meeste onheil dat de mensen overkwam was bedoeld als beproeving en niet als straf van God.

Ondeugden waren: drinken, hoerenlopen, luiheid.
Deugden waren: soberheid en eerlijkheid.

Mechanische wereldbeeld[bewerken]

Na circa 1650 kwam het mechanische wereldbeeld in zwang naar aanleiding van ontdekkingen in de astronomie. Het universum was een geordend geheel en onderworpen aan natuurwetten. Veel protestantse theologen dachten dat God weliswaar de Schepping had verricht maar zich er daarna uit had teruggetrokken. Hij had de natuurwetten van kracht doen worden en daardoor verliep zijn Schepping verder als de raderen van een uurwerk. Volgens deze theorie waren de natuurrampen al bij de Schepping door God ingebouwd omdat hij toen al wist dat de mens geregeld op de proef moest worden gesteld danwel voor zijn (door Hem toen al voorziene) zonden bestraft zou moeten worden. Er waren in de achttiende eeuw nog geen wetenschappelijke middelen om dit idee te ontkrachten.

Hoewel dit wereldbeeld steeds meer aanhang kreeg bij de elite, zag het volk zelfs na 1800 onheil nog steeds als de straf van God voor de zonden van de mensen. Ze zagen epidemieën, aardbevingen en overstromingen als Goddelijke ingrepen, zagen geslachtsziekten als de straf voor ontucht, veepest als de straf voor het slecht behandelen van landarbeiders en 'zag' men ook nog steeds voortekenen en vreemde verschijnselen in de lucht.

De fatalisten zagen de inenting tegen de pokken (Edward Jenner, 1796) als twijfel aan de voorzienigheid van God. Maar in de negentiende eeuw was dit, ook bij de geestelijken, een uitzondering geworden vergeleken met de wetenschappelijk principes van die tijd.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.