Volk, kerk en magie 1500-1700/Protestanten tegen bijgeloof

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

5. Protestanten tegen bijgeloof

Definitie: katholiek, protestants en anglicaans[bewerken]

Er was in Middeleeuwen maar één christelijke Kerk en die was katholiek. Na de reformatie rond 1525 bleef de katholieke Kerk voortbestaan maar ontstonden er ook een aantal protestantse Kerken. In Engeland werd na 1534 de anglicaanse Kerk de grootste Kerk.

Katholieken vermengden religie, bijgeloof en magie[bewerken]

  • Volgens de katholieken was het zo, dat de Kerk de Goddelijke genade verspreidde. De gelovigen hoefden alleen maar lid van de katholieke Kerk te zijn om die genade deelachtig te worden. Tussen de gelovigen en God stonden de geestelijken en de heiligen als bemiddelaars.
  • Volgens de protestanten was er een rechtstreekse relatie tussen de gelovigen en God. Bemiddelaars deden er niet meer zoveel toe[1].

Een middeleeuwse boer wist haast niets van wat er in de bijbel stond. Hem was het dan ook niet zozeer te doen om het formele geloof en de dogma's maar om de rituelen die de belangrijke gebeurtenissen in zijn leven omgaven: geboorte, huwelijk en dood en ook: zaaien en oogsten. De middeleeuwers waren verplicht en bereid om naar de priester te luisteren en naar de mis te gaan. Die mis konden ze overigens niet verstaan (omdat hij in het Latijn werd opgedragen) en vaak ook niet zien (omdat ze in een zijbeuk moesten zitten of door een doksaal van de priester gescheiden waren). Dat vond de Kerk echter niet belangrijk: zolang de gelovigen maar aanwezig waren, zouden ze Gods genade deelachtig worden. Ze zaten in de kerk achter de rijken en mummelden braaf hun eindeloze gebeden, of ze zaten zich te vervelen[2]. En verder hielden ze zich aan de vasten.

Katholieken hoopten op de hulp van God bij hun dagelijkse problemen, op bescherming tegen de duivel en vijandige natuurkrachten. De Kerk, als bemiddelaar, bood rituelen om de mensen te helpen deze hulp van God te krijgen. Geloof, bijgeloof en magie waren bij de katholieken nogal met elkaar vermengd geraakt. De protestanten verzetten zich vanaf circa 1525 fel tegen deze vermenging.

Wijwatervat in Salzburg

Protestanten verwierpen "paaps bijgeloof"[bewerken]

De protestanten probeerden in de zestiende en zeventiende eeuw geloof, bijgeloof en magie weer van elkaar te scheiden. Zij verwierpen:

  • De verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus[3].
  • Zij schaften het gebruik van wijwater af omdat zij niet geloofden dat het op enige manier zou werken, de duivel zou verjagen of zieken zou genezen.
  • Zij geloofden niet dat gewijde kerkklokken duivels en storm zouden kunnen verjagen.
  • Dat het bij zich dragen van teksten uit de bijbel zou helpen tegen ongeluk.
  • Dat men, onder het slaan van kruistekens, de duivel uit kon drijven uit water, zout, olie, zalf en (bij de doop) uit pasgeboren kinderen.
  • Dat het verrichten van bepaalde handelingen en het uitspreken van bepaalde formules een magische uitwerking zouden hebben.
  • Zij verwierpen het wijden van kruisen, as, was, water, zout, olie, zalf, wierook, bomen, botten, het altaar, misgewaden en pelgrimsstaven.
  • Het wijden van kerken en grond, zoals begraafplaatsen werd ook afgeschaft. Men vond het onzin om de duivel uit te willen drijven uit aarde en steen. Een kerk, vonden de protestanten, kon alleen een heilige plaats worden als God het wilde en als de mensen die kerk op een godsvruchtige manier gebruikten. Echter tegen 1600 doken tal van magische formules en ook de wijding van gebouwen en grond weer op in het gematigde protestantisme en het anglicanisme. Strenge protestanten die katholieke kerken hadden overgenomen, vonden dat deze gebouwen dermate verpest waren door al het paapse bijgeloof en afgoderij, de formules, zegeningen en wijwater, dat ze eigenlijk gesloopt zouden moeten worden. Ze vonden het ook onzin om hun doden in gewijde grond te begraven. En ze vonden het bijgeloof dat gebeden die op gewijde grond waren gezegd meer effect zouden hebben dan als ze op gewone grond waren gezegd.
  • Zij verwierpen het dopen van kerkklokken en het bezweren van slangen.
  • Het zegenen van mensen en voorwerpen.
  • Het vervloeken van zondaren. God zou zelf wel uitmaken wie er vervloekt was en wie niet.
  • Het dragen van medaillons tegen bliksem en donder, het bezit van gezegende was tegen de storm en het branden van heilige kaarsen.
  • Het bewaren van Sint Agatha-brieven tegen brand.
  • Het bewaren van relikwieën
  • Het slaan van kruistekens.
  • De vroege protestanten vonden dat alleen God en Christus wonderen konden verrichten maar mensen niet. Dus zij geloofden ook niet in de wonderen die heiligen verricht zouden hebben. Dit was bijgeloof en godslastering en als er echt een wonder was gebeurd dan had de duivel erachter gezeten. Veel protestanten geloofden dat wonderen alleen maar in de begintijd van de Kerk waren gebeurd maar allang niet meer in de zestiende en zeventiende eeuw.
  • Zij verwierpen de doop. Wat er zou gebeuren met kinderen die ongedoopt stierven, was voor de protestanten een omstreden kwestie. Enkele protestanten vonden dat ongedoopte kinderen "brandhout voor de hel" waren. Velen vonden echter de doop geen absolute vereiste voor verlossing: als een kind ongedoopt stierf, zou het niet vervloekt zijn en niet in de hel komen. Er waren zelfs protestanten (de puriteinen) die de doop helemaal wilden afschaffen. De anglicaanse Kerk herstelde de doop echter in ere. Veel plattelandsbewoners behielden het bijgeloof dat de ziel van een kind dat ongedoopt stierf in de bossen zou moeten blijven ronddolen.
  • De protestanten wilden ook geen peetouders meer.
  • Het vormsel gaven de anglicanen pas aan de kinderen als ze wat ouder waren, circa veertien maar de door de katholieken daarbij gebruikte olie en de linnen haarband schaften zij af. De puriteinen vonden het hele vormsel een vorm van "paaps bijgeloof".
  • De protestanten schaften verder het sacrament van de biecht en de ziekenzalving af.

De radicalere protestanten vonden dat geen enkele ceremonie en geen enkele formule enige werkzaamheid kon hebben in de materiële wereld. De quakers gingen zeer ver in het afschaffen van paaps bijgeloof. De anglicanen bleven met hun gebruiken dichter bij die van de katholieken.

Reiniging[bewerken]

De anglicanen bleven nog een tijd aan het ritueel van de reiniging vasthouden, hoewel het na 1700 niet meer verplicht was.

De puriteinen verwierpen de reiniging als bijgelovige magie.

Gebed[bewerken]

De protestanten verzetten zich ook tegen bepaalde vormen van het gebed. Zo baden ze niet meer tot afbeeldingen.

Al de zestiende eeuwse maakten protestantse theologen onderscheid tussen een gebed en een bezwering. Een gebed op zich had geen automatische macht zoals een toverformule zou hebben. God maakte zelf wel uit of hij naar een gelovige luisterde. Dat kon niet afgedwongen worden met moeilijke, langdurige gebeden of met eindeloos, gedachtenloos gemummel. De protestanten vonden dat als de katholieken baden, zij wel hun lippen bewogen maar niet hun hart. Het ging de protestanten om het geloof achter het gebed. Een gebed zonder begrip en zonder geloof was in hun ogen niet meer dan een bijgelovige toverspreuk.

De anglicaanse Kerk stapte over van het Latijn naar de volkstaal opdat de mensen hun eigen gebeden zouden begrijpen. Ook schrapten zij die gebeden waarin het leek of er behalve God nog andere bovennatuurlijke machten waren, zoals heiligen. En zij schrapten die gebeden waarin God werd opgedragen om te gehoorzamen.

De puriteinen ging dit nog niet ver genoeg: zij wilden elk gebed afschaffen dat op een bezwering leek. Dit soort gebeden handhaafden zich echter nog tot de zeventiende eeuw. Mensen bleven eindeloos gebeden herhalen bij het slapen gaan, bij het planten en enten en bij het zoeken naar verloren voorwerpen, angstig dat zij één woord verkeerd zouden zeggen, want dan zou het gebed niet meer werken.

Relikwieën en heiligdommen[bewerken]

De protestanten vereerden geen relikwieën meer en ze begonnen in de vroege zestiende eeuw de meeste grote heiligdommen uit de Middeleeuwen af te breken.

Landmeetkunde, 1547

Processies en omgangen[bewerken]

Rond 1550 maakten de protestanten al een einde aan veel van de religieuze processies die in tijden van nood (rampen, pestepidemieën, misoogsten of een naderende storm) werden gehouden. Ook het aantal jaarlijkse omgangen door de velden langs de grens van de parochie werd rond 1560 sterk ingekrompen. De omgangen mochten niet meer stoppen bij de kruisbeelden langs de weg. De puriteinen vonden deze omgangen een poging om de velden te betoveren en wilden ze liefst helemaal afschaffen.

Na circa 1600 geloofde ook het volk niet meer zo in een materiële werkzaamheid van deze omgangen maar zag ze eerder als een gezellig samenzijn waarna volop gegeten en gedronken kon worden en onderlinge ruzies werden bijgelegd. Uiteindelijk raakten deze omgangen in onbruik, niet zozeer omdat de dorpelingen er niet meer in geloofden, maar omdat:

  • Er in het open veld steeds meer omheiningen kwamen die de omgangen bemoeilijkten.
  • Er steeds meer grond in cultuur werd gebracht.
  • Oude grensmarkeringen verdwenen.
  • Maar bovenal: de rijkeren die geacht werden het eten en drinken na de omgangen te betalen, weigerden dat na circa 1620.
  • In de zeventiende eeuw raakte men bedreven in de landmeten en het maken van kaarten en daarmee was het telkens weer herbevestigen van de dorpsgrenzen overbodig geworden.

Op sommige plaatsen bleef men de omgangen echter nog tot in de negentiende eeuw houden.

Gerechtelijke eden[bewerken]

Tijdens rechtszittingen in de Middeleeuwen liet men getuigen vaak een eed zweren op de bijbel of een ander religieus voorwerp om er zeker van te zijn dat ze de waarheid spraken. Men ging ervan uit dat God de meinedige zou straffen, ofwel in dit leven door hem gek of ziek te laten worden, ofwel in het hiernamaals door hem naar de hel te sturen. Toch werd er in de Middeleeuwen heel vaak meineed gepleegd voor het gerecht[4].

De protestanten keerden zich tegen deze gerechtelijke eed. Zij vonden dat men niet zozeer bang moest zijn voor Gods wraak, maar dat men in overeenstemming met zijn geweten moest handelen. Een man moest zijn woord houden. Een eed zweren was niet meer dan een bijgelovig toevoegsel.

De quakers gingen nog een stap verder: zij wilden er niet voor aangezien worden dat zij alleen de waarheid spraken als zij een eed hadden afgelegd en dus weigerden zij pertinent om eden af te leggen. In sommige plaatsen werden de eden vervangen door beloften.

Handelslieden konden het zich niet veroorloven om een eed of belofte te breken, niet angst voor Gods wraak of vanwege hun geweten maar omdat zij bang waren hun klanten te verliezen als zij hun vertrouwen hadden beschaamd.

In de zestiende en zeventiende eeuw werd er echter steeds vaker meineed voor het gerecht gepleegd. Dit kwam mogelijk omdat mensen, onder invloed van de protestantse leer, minder bang werden voor de wraak van God.

Het duurde nog tot in de achttiende eeuw voordat de wereldlijke overheid streng ging optreden tegen meineed.

Geassimileerd bijgeloof[bewerken]

De Kerk had in de Middeleeuwen compromissen gesloten met het heidendom en dat deels geassimileerd waar zij het niet bestrijden kon[5]. De protestanten wilden dit geassimileerde heidense bijgeloof nu weer uit het christelijke geloof verwijderen.

In 1547 verboden de protestanten de feesten voor de beschermheiligen van alle ambachten en beroepen en overigens ook de feesten voor alle andere heiligen[6].

Beeldenstorm in een kerk, 1630, Dirck van Delen

Beeldenstorm[bewerken]

Niet alleen de theologen maar ook het volk begon rond 1550 de spot te drijven met het idee dat je gewone voorwerpen door een ritueel van uitdrijving en wijding bovennatuurlijke eigenschappen kon geven. De beeldenstorm brak uit. Religieuze voorwerpen werden beschadigd of vernietigd. Altaarstenen werden als straatstenen of keukenaanrecht gebruikt, doopvonten werden in de keuken gezet, hosties werden aan de honden gevoerd, heiligenbeeldjes werden als poppen aan de kinderen gegeven, koeien die pas kalveren hadden gekregen kregen in de kerk een reinigingsritueel. Men wilde alle "paapse bijgeloof" overboord zetten.[7]

Met het volk ging het niet beter[bewerken]

De katholieke Kerk had haar gelovigen veel magische rituelen geboden om hen te helpen de hulp van God te krijgen bij hun dagelijkse problemen. De protestanten en anglicanen hadden tegen 1600 veel van deze magische rituelen afgeschaft, maar de dagelijkse problemen van de mensen waren niet minder geworden. Er was nog geen technologische en medische ontwikkeling op gang gekomen om ze bij natuurrampen, brand, ziekte en epidemieën te helpen. Het was voor het volk verleidelijk om weer naar de oude magie te grijpen.

Onuitroeibaar bijgeloof[bewerken]

Niet alle bijgeloof liet zich zomaar afschaffen, vaak keerde het via de achterdeur weer terug in het leven van de mensen.

Bronnen[bewerken]

Het volk bleef magische en genezende krachten toekennen aan de van oorsprong heidense bronnen, ook al had de kerk die geassimileerd door er een christelijke heilige aan te koppelen.

  • Tot in de zeventiende eeuw bleef men met nieuwjaar water uit de bron op het altaar zetten: de zogenaamde "bloem der bronne".
  • Men bleef nog heel lang heilige plaatsen als de bronnen verzorgen en op bepaalde dagen versieren met bloemen.
  • Gedurende de hele zeventiende eeuw werden er nog bedevaarten naar beroemde bronnen ondernomen.

Kalenderfeesten[bewerken]

De middeleeuwse kalenderfeesten waren de protestanten een doorn in het oog:

  • In 1548 verboden de protestanten de ploegfeestprocessie[8] op Koppermaandag bedoeld om de groei van het graan veilig te stellen.
  • Zij verboden het rondgaan met rieten paarden.
  • Het rondgaan met stropoppen tijdens de oogst.
  • De kerstdronk voor de appelbomen.
  • Het stoken van vuren en het houden van processies op de kruisdagen en midzomer voor de gewassen.
  • De biezenfeestprocessies[9] mochten niet meer in de kerk of op het kerkhof komen.
  • Zij verboden het feest van de Heer Wandeleer[10].
  • Zij verboden het volksgebruik zomerkoning en zomerkoningin.

Later begonnen groepen protestanten daar echter verschillend over te denken. De puriteinen wilden alle paaps en heidens bijgeloof uitroeien. De anglicanen echter stonden rond 1620 toch weer een aantal van deze kalenderfeesten toe, zoals de meispelen, de Pinksterbierfeesten en de Moreskadansen.

Veel kalenderfeesten waren echter moeilijk uit te bannen.

  • De ploegfeesten op maandag na Driekoningen werden (ondanks het verbod van 1548) tot ver in de zeventiende eeuw gehouden en hier en daar zelfs nog in de negentiende eeuw.
  • Bij de oogstfeesten bleef men met beeldjes van stro rondgaan, de zogenaamde korenpoppen.
  • Elk jaar vierde men spinmaandag.
  • Elk jaar vierde men de vigilie in de zomer, de vasten voor Pasen en de vieravondzangen op kerstavond. Verder at men warme broodjes op Goede Vrijdag, die brachten geluk en beschermden het huis tegen brand. Op Sint-Michielsdag at men gans, dat bracht voorspoed. Ook at men jaarlijks de 'heilige koek' of 'maanzaadkoek'.
  • Met nieuwjaar gaf men elkaar cadeaus, dat zou de gever geluk brengen. Met kerstmis dronk men gekruid bier. Met pasen trok men nieuwe kleren aan.
  • Op Sint-Jansdag en Sint-Pietersdag ontstak men vuren op de heuvels.
  • Sommige mensen bleven geloven dat de marktwaarde van ossen toenam door hen bij de kerk te laten zegenen op een bepaalde heiligendag.
  • Sommige mensen bleven geloven dat je zieken kon genezen door ze op vrijdag op een grafsteen te leggen (en als ze niet binnen drie weken genazen, zouden ze sterven).
  • Er werden tot na de zeventiende eeuw nog jaarlijkse vruchtbaarheidsrituelen uitgevoerd, en daarbij ging het er soms losbandige aan toe.

Het oorspronkelijk idee achter de kalenderfeesten om bescherming te verkrijgen tegen kwade geesten werd in de zeventiende eeuw echter geleidelijk vervangen door de wens om eens fijn feest kunnen vieren. In deze afgezwakte vorm bleven veel van deze gebruiken op het platteland tot in de negentiende eeuw bestaan.

Andere, onuitroeibare, bijgelovige praktijken[bewerken]

De puriteinen gingen rond 1645 tot het uiterste in hun pogingen om de anglicanen los te weken van het "katholieke bijgeloof":

  • Bij een bruiloft mochten er van hen geen vioolspelers en doedelzakspelers meer komen spelen. Er mochten nog geen graankorrels meer gestrooid worden.
  • Bij een begrafenis mochten de klokken niet meer geluid worden, er mocht geen rouwkleding meer gedragen worden en er mochten geen aalmoezen meer aan de armen gegeven worden.
  • Met nieuwjaar mocht men elkaar geen cadeau's meer geven.
  • Heildronken mochten niet meer worden uitgebracht.

De quakers schaften zelfs de priesters af als zijnde niets dan geestenbezweerders.

De Lollards vonden al rond 1400 dat het slaan van een kruisteken alleen maar nuttig was om vliegen te verjagen, maar er bleven tot circa 1700 veel protestanten vaak een kruisteken slaan. Zoals er ook veel protestanten zwoeren bij Onze Lieve Vrouwe of dachten dat relikwieën tegen de duivel zouden beschermen. Sommige anglicaanse geestelijken gingen met wijwater rond door het dorp, maakten kruistekens over parochianen en gaven het heilig oliesel aan stervenden. Sommige protestanten bleven denken dat je met de hostie, of met geld uit het offerblok van de kerk, of met miswijn, ziekten kon genezen en dat voorwerpen uit de kerk bescherming boden tegen het kwaad. Rond 1600 voerde nog zeker driekwart van alle anglicanen de oude, bijgelovige praktijken uit.

In sommige plattelandsstreken, waar de meeste mensen nog analfabeet waren en waar nog geen anglicaanse geestelijkheid was om te preken, hield het volk nog volledig vast aan de middeleeuwse magie. Deze mensen wisten vrijwel niets van de fundamentele dogma's van het christendom. Voor hen was de religie niets anders dan magie: het met bovennatuurlijke kracht beïnvloeden van de materie. Veel mensen in deze streken geloofden dat je koeien en varkens kon genezen door wat materiaal van heiligenbeelden af te schrapen en dat aan de zieke dieren te geven.

Confrontatie met het katholieke geloof en bijgeloof[bewerken]

De katholieken waren na 1534 een zeer kleine minderheid geworden. De anglicaanse Kerk was veruit de grootste. Toch werden de anglicanen nog steeds geconfronteerd met het katholieke geloof en bijgeloof.

  • De katholieke kerk van het vasteland van Europa stuurde missionarissen naar de afvallige anglicanen in Engeland.
  • De restanten van de katholieke Kerk in Engeland verspreidden propaganda tegen de anglicanen waarin ze stelden dat de overgebleven katholieke geestelijken in Engeland op wonderbaarlijke wijze zieken konden genezen en dat in katholieke heiligdommen op het continent zieken werden genezen.
  • Op het vasteland van Europa bleven het katholicisme en haar magie gewoon (naast het protestantisme) bestaan. Bezoekers uit Engeland werden er daar mee geconfronteerd en namen die kennis mee terug naar Engeland.
    • Ze zagen bijvoorbeeld in Zuid-Duitsland dat de boeren water lieten zegenen bij het beeld van Francis Xavier tegen de pest.
    • Ze zagen in Rome dat het beeld van Maria tegen de pest werd ingezet.
    • Ze zagen in Venetië dat het beeld van Sint Rochus tegen de pest werd ingezet.
    • Ze hoorden dat nog in 1620 een bisschop een Agnus Dei in een grote brand had geworpen.

Noten[bewerken]

  1. Bemiddelaars
  2. De mis.
  3. 1) De Engelse anglicanen geloofden, net als de lutheranen, niet dat brood en wijn volledig veranderden in het lichaam en bloed van Christus (transsubstantiatie). Het bleef gewoon brood en wijn maar die werden “ook” lichaam en bloed van Christus (consubstantiatie).
    2) Voor de calvinisten was het avondmaal een herinnering aan Christus die voor onze zonden stierf en een symbool van hun onderlinge band. Christus zou wel aanwezig zijn in het brood en de wijn, maar over het hoe spraken zij zich niet duidelijk uit.
    3) Veel protestanten, zowel vrijzinnige als zeer strenge, ontkenden iedere aanwezigheid van Christus in het brood en de wijn.
  4. Meineed in de vroege Middeleeuwen.
  5. De Kerk had noodgedwongen veel heidens bijgeloof opgenomen
  6. Heiligen en beschermheiligen.
  7. Al in de Middeleeuwen had de Kerk vreselijke verhalen verspreid over mensen die heiligdommen of kerkelijke bezittingen hadden vernield of beroofd. Zij kwamen slecht aan hun einde. Niet alleen de schuldige werd door God bestraft, maar ook zijn nageslacht en desnoods roeide God heel zijn familie uit. Tijdens de beeldenstorm werden deze verhalen dus flink verspreid. Na de reformatie werden katholieke kloosters, kloostertienden en kerkelijke bezittingen geconfisqueerd en bij opbod verkocht. In de zeventiende eeuw ontstond het verhaal dat ook op de kopers van deze tienden, landerijen en bezittingen een vloek zou rusten. De familie zou nog drie generaties onder ongelukkige omstandigheden overleven en dan uitsterven. Een enkeling kreeg onder invloed van deze verhalen wroeging en gaf de bezittingen aan de kerk terug maar de meesten trokken zich er niets van aan. De puriteinen vonden uiteraard dat er geen sprake van heiligschennis kon zijn want voor hen was een klooster niets meer dan een gewoon gebouw.
  8. Plough Monday
  9. Tijdens de herfstequinox werd er een ritueel vuur gemaakt en een bron bezocht.
  10. De 'king' of 'lord of Misrule', die traditioneel met Kerstmis werd gekozen.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.