Sociale geschiedenis van Europa 1500-1795/(Contra)reformatie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Leven in de absolute monarchie
  3. Rechtspraak
  4. (Contra)reformatie
  5. Alfabetisering
    1. Bijlagen bij Alfabetisering
  6. Wellevendheid
  7. Tafelmanieren, keuken en goede smaak
  8. Gezin
  9. Het kind
  10. Adolescentie
  11. Ontsnappen aan de familietucht
  12. Van geestelijke verwantschap naar gezelligheid
  13. Sociale controle
  14. Charivari's in de Nederlanden
  15. Jeugdbendes
  16. Boerderijen
  17. Familie en erfrecht op het platteland
  18. Parijs
  19. Goede naam en lettres de cachet
  20. Intimiteit: plaatsen en voorwerpen
  21. Liefde en vriendschap
  22. Decadentie
  23. Revolutie

4. (Contra)reformatie

Inleiding[bewerken]

Lucas Cranach de Oude, Maarten Luther, 1529
Calvijn

Pas rond 1400 kreeg de Kerk wereldlijke macht en niet lang daarna werd de top corrupt. In Frankrijk en Italië werden kerkelijke ambten en eigendommen verkocht door de paus en zijn curiebisschoppen. Sixtus IV, paus van 1471-1484, geldt wel als de meest corrupte paus. Pauselijke bullen werden tegen betaling uitgevaardigd. Hoge geestelijken leidden een lichtzinnig leven met vrouwen en prostituées en het was vrij normaal dat ze bastaardkinderen hadden.

Ook lagere geestelijken konden omgekocht worden. Zij hielden er vaak een concubine op na. Ze moesten daarvoor weliswaar een boete betalen aan de bisschop, maar ze hoefden er niet mee op te houden.[1] Er werd op het einde van de vijftiende eeuw en nog meer in het begin van de zestiende eeuw grof geld verdiend met de handel in aflaten.

Tussen 1437-1519 waren er hongersnoden in heel Noordwest-Europa. De adel, de rijke burgers en de geestelijkheid (zelfs de bedelorden) speculeerden tijdens deze voedselcrises met het schaarse graan, de wijn, het hooi en stro. Ze kochten het op als de prijs laag was, legden het in hun voorraadschuren en verkochten het als de prijs hoog was. De boeren kregen grote schulden en ontwikkelden "Pfaffenhass" (papenhaat). Er kwamen boerenopstanden en in de steden kwamen de handwerkslieden in opstand. Deze opstanden werden bloedig neergeslagen.

Binnen de Kerk zijn veel (interne) hervormingsbewegingen geweest, maar de misstanden zijn nooit voor langere tijd verbeterd. Ze werden pas echt aangepakt door de (externe) reformatie van Maarten Luther in 1517 en later nog van Calvijn en anderen: de protestanten. Het volk, dat even gehoopt had dat daardoor ook hun levensomstandigheden zouden verbeteren, schoot daar echter nauwelijks iets mee op.

Mede als reactie op de protestantse reformatie ontstond binnen de Katholieke Kerk de contrareformatie. Mogelijk was de contrareformatie echter ook een vervolg van de eerdere interne reformaties binnen de Kerk. [2]

Individu en collectief[bewerken]

De katholieke gelovige kon individueel zijn geloof in God belijden maar hij was ook (en vooral) lid van de Kerk: een hiërarchische georganiseerd instituut met aan de top de paus, daaronder de kardinalen, daaronder weer de (aarts)bisschoppen en daar weer onder de priesters. Helemaal onderaan stonden de gelovigen die als lid van de Kerk hun geloof in God gezamenlijk beleden. Die collectieve religiositeit was vaak weinig meer dan een slaafs conformisme.

Vanaf de derde eeuw al hadden individuele gelovigen zich als heremieten in de woestijn teruggetrokken om God in eenzaamheid te dienen. Later gingen er ook monniken bij elkaar leven in een klooster als coenobieten om gezamenlijk de ascese te beoefenen.

Een groot verschil tussen katholieken en protestanten was:

  1. Rooms-katholieken beleden hun geloof in God gezamenlijk binnen de Kerk. De geestelijkheid bemiddelde tussen God en de gelovigen.
  2. Protestanten beleden hun geloof in God individueel en in rechtstreeks contact met Hem.

Katholieken en collectiviteit[bewerken]

De mis[bewerken]

Doksaal in kathedraal van Sainte-Cécile d'Albi

Katholieken waren verplicht de mis bij te wonen op zon- en feestdagen. In de zestiende eeuw en in de eerste helft van de zeventiende eeuw waren de gelovigen daar uiterst passief bij aanwezig. Ze begrepen niets van de Latijnse gebeden die de priester zei en konden hem vaak niet eens zien omdat zij in een zijbeuk van de kerk zaten of omdat er een doksaal (muur) tussen de priester en de gelovigen stond. De Kerk vond het ook niet nodig dat de gelovigen actief bij de mis betrokken waren, hun aanwezigheid was al voldoende om hen deelachtig te laten worden in de genade Gods. De vroomste gelovigen baden in stilte de rozenkrans of andere gebeden. De houding van de meeste mensen lag waarschijnlijk tussen ongeïnteresseerde gelatenheid en ingehouden vijandigheid[3]. Alleen tijdens de preek (die eigenlijk niet bij de mis hoorde) baden de gelovigen samen met de priester voor de overledenen, de paus, de koning enzovoort. Tijdens die preek gaf de priester in de volkstaal onderwijs over geloofszaken en verder vermaningen, aankondigingen van feest- en vastendagen, huwelijken en instructies van de bisschop.

Na 1650 wilde de Kerk de gelovigen meer bij de mis betrekken. Kerken werden verbouwd, doksalen afgebroken en altaren verplaatst zodat de gelovigen het altaar en de priester konden zien. Er verschenen missalen (kerkboeken) waarin de gebeden die tijdens de mis gezegd werden niet alleen in het Latijn maar ook in de volkstaal stonden. De bedoeling was dat de gelovigen samen met de priester de mis konden beleven.

In Frankrijk kon rond 1688 echter slechts 29% van de getrouwde mannen en 14% van de getrouwde vrouwen schrijven. De percentages mensen die konden lezen lagen waarschijnlijk hoger, vooral bij de vrouwen[4]. Toch hadden slechts weinig gelovigen een missaal en ook zij die er een hadden, baden niet samen hardop, maar fluisterden de gebeden ieder voor zich uit. En de priester bleef de mis in het (voor de meesten onverstaanbare) Latijn oplezen, zelfs bij de Jansenisten.

De pogingen om de gelovigen bij de mis te betrekken, mislukten dus. De Kerk vond het rond 1690 ook niet meer zo nodig. Men vond het voldoende dat de gelovigen aanwezig waren. Men stuurde zelfs vaak tijdens de mis een "suisse" rond om te controleren of er niet meer dan één persoon in de huizen was achtergebleven. Die ene persoon mocht blijven om het huis te bewaken. Van de mensen die in de kerk zaten werd eigenlijk niets méér verwacht dan dat ze zich een beetje fatsoenlijk trachtten te gedragen en dat ze meezongen met de liederen. De vromen zaten, net als in de zestiende eeuw, ieder voor zich de rozenkrans te bidden.

Vrome katholieken gingen ook nog naar het lof en in de loop van de achttiende eeuw dwong de geestelijkheid de gelovigen ertoe om ook nog op de zondagavond bij de vespers aanwezig te zijn. Daar was de passiviteit van de gelovigen zo mogelijk nog groter. De priesters zongen Latijnse psalmen, de vroomsten baden hun eigen gebeden. Verder moesten de gelovigen de missen op de verplichte feestdagen bezoeken. Dat konden er 40-60 per jaar zijn, afhankelijk van het bisdom. Tussen 1650-1780 bracht de Kerk dat aantal in een paar stappen terug tot circa 30.

  1. Enerzijds uit bezorgdheid voor de gelovigen, voor wie een verplichte feestdag een dag zonder werk was en daarmee een dag zonder inkomen.
  2. Anderzijds en vooral omdat de gelovigen vaak van deze feestdagen een dag maakten waarop zij zich vermaakten.

Biecht en communie[bewerken]

Biechtstoel in de kapel van Helshoven, 1570

Een katholiek moest minstens een keer per jaar, met Pasen, biechten en ter communie gaan. Deze jaarlijkse biecht vond plaats op Witte Donderdag of op Goede Vrijdag. Vrijwel meteen daarna ging men ter communie.

In de vijftiende en zestiende en zelfs nog in het begin van de zeventiende eeuw was de collectieve biecht in Noord-Frankrijk nog gebruikelijk. De gelovigen beleden in het openbaar en gezamenlijk hun zonden. In het Occitaanse Zuid-Frankrijk was dit verschijnsel echter onbekend omdat men daar de Romeinse gebruiken had aangenomen. In de vroege Middeleeuwen moesten de gelovigen in het openbaar nog echt alles vertellen wat ze verkeerd gedaan en gedacht hadden, nu werden alleen de (kleine) "dagelijkse zonden" nog in het openbaar gebiecht. De gelovigen lazen die dagelijkse zondes op van lijsten die de pastoor had uitgereikt en waarop alle mogelijke dagelijkse zonden stonden, waarschijnlijk vooral die waarvan de pastoor dacht dat ze door zijn gelovigen begaan waren. De biechtelingen stonden dus nooit helemaal in hun hemd. Na de biecht was er een collectieve schuldbelijdens, werd gezamenlijk het voornemen uitgesproken niet meer te zondigen en gaf de priester de collectieve absolutie (kwijtschelding van de zonden).

Mensen die een (ernstige) Doodzonde hadden begaan, konden die alleen maar biechten in een persoonlijke oorbiecht waarbij ze alleen waren met een priester. De biechtstoel als meubelstuk kwam in de loop van de zestiende eeuw in zwang.

De gemeenschappelijke Paasbiecht verdween na 1600 toen de gelovigen steeds meer hun geloof verinnerlijkten en hun eigen geweten gingen onderzoeken[5]. Maar ook daarna bleven de oorbiecht en de communie met Pasen belangrijk. Mensen die weigerden daaraan deel te nemen, werden vanaf de preekstoel in het openbaar voor zondaar uitgemaakt. En als ze bleven weigeren, werden ze na hun dood zonder enig ceremonieel in ongewijde aarde begraven.

Na 1600 gingen vrome gelovigen vaker dan eens per jaar biechten, bijvoorbeeld ook op alle feestdagen, soms maandelijks of wekelijks of zelfs dagelijks. Vooral vrouwen waren soms bezeten van een streven naar religieuze volmaaktheid. Deze vrome gelovigen kozen dan vaak een vaste biechtvader. De jaarlijkse Paasbiecht moest men verplicht bij de eigen parochiepastoor doen, maar voor de overige biechten was men vrij om zelf een biechtvader te kiezen, zolang deze daartoe door de bisschop gerechtigd was. Met deze biechtvader maakten de gelovigen de innerlijke balans op van de vooruitgang of mislukking in hun religieuze leven. De biechtvader hielp hen bij hun gewetensonderzoek, suste hun onrust, gaf raad, waarschuwde en bemoedigde hen. Zo ontstond de zielszorg[6]. Vaak waren deze biechtvaders Jezuïeten, Oratorianen en Dominicanen. Bepaalde priesters en bepaalde ordes waren soms in de mode en het kon een kwestie van status zijn om hen als biechtvader te hebben.

De meeste gelovigen echter, vooral die op het platteland, wilden de (oor)biecht helemaal niet.

  • Ze wilden hun fouten niet tegen de priester erkennen.
  • Ze schaamden zich.
  • Ze waren bang dat de priester het biechtgeheim zou schenden.

Rond 1700 beschreef een pastoor te Sologne de volgende klachten over zijn biechtelingen.

  • Mensen gingen zonder enige voorbereiding ter biecht.
  • Ze hadden voorafgaande aan de biecht hun geweten niet onderzocht.
  • Ze wisten niet meer wanneer ze voor het laatst gebiecht hadden.
  • Ze volbrachten de penitentie (opgelegde straf) niet (helemaal).
  • Ze vonden dat ze niets fout hadden gedaan, ze hadden overal een excuus voor.
  • Zelfs als de priester gezien had dat ze iets verkeerds hadden gedaan en hij wees hen daarop tijdens de biecht, dan nog probeerden ze alles goed te praten.
  • Ze zaten tijdens de biecht maar wat te lachen, of ze vertelden hun ellende en misère en gaven daar een ander de schuld van.
  • Als ze al een keer echt grote zondes opbiechtten, dan mompelden ze die binnensmonds zodat de priester het niet kon verstaan.

Er werd dus van alles tijdens de biecht gedaan, behalve wat er gedaan moest worden: oprecht en met spijt de eigen zonden bekennen. De priester moest zijn biechteling zeer gerichte vragen stellen om hem zover te krijgen dat hij zijn zondes zou opbiechten en hij moest moeite doen om hem te laten inzien hoe erg die zondes waren. De meeste mensen vonden de jaarlijkse Paasbiecht maar een vervelende verplichting waar ze zich liefst met een Jantje van Leiden van af probeerden maken. Pas in de loop van de zeventiende eeuw gingen steeds meer mensen vaker dan eens per jaar biechten en ter communie.

De geestelijkheid hield van tijd tot tijd grote campagnes van drie tot vijf weken onder de gelovigen, dit waren intensieve predikingen. Daarna lieten sommige vrome mensen zich een algehele biecht over hun hele voorafgaande leven afnemen. Ook gelovigen die voelden dat ze gingen sterven, lieten zich een algehele biecht over hun voorafgaande leven afnemen.

Doopvont op Gotland
Rogier van der Weyden, de Zeven Sacramenten, Het Heilig Oliesel
Jules Breton, Processie om het koren te zegenen, Frankrijk, 1857

Doop[bewerken]

Als het kind gedoopt was, was het lid van de Kerk geworden en was de erfzonde uitgewist. Veel kinderen stierven vlak na de bevalling en als het kind dan nog niet gedoopt was, kon het niet in de hemel komen. Daarom werd het kind al op de dag van de geboorte of de dag erna gedoopt.

Het kind kreeg een naam van een peter en meter. Die naam was van een heilige in de hemel en het kind stond dan onder diens bescherming. Het kind kon die heilige navolgen en om bemiddeling bij God verzoeken. De peter en meter moesten erop toezien dat het kind zijn christelijke plichten deed.

Eerste communie[bewerken]

Als het kind wat ouder was, kreeg het catechismusonderwijs en als het tussen de dertien en vijftien was, mocht het voor het eerst ter communie gaan. Hiervoor bestond in de zestiende en zeventiende eeuw geen aparte plechtigheid, het kind ging samen met zijn ouders op Pasen ter communie. Rond 1700-1750 kwam hier een aparte ceremonie voor, meestal op tweede of derde Paasdag. Op die dag werden de kinderen mooi uitgedost en kregen ieder een brandende kaars in de hand. Zo kregen ze gezamenlijk de eerste communie onder het toeziend oog van bijna de hele parochie. De meisjes aan de ene kant en de jongens aan de andere.

Huwelijk[bewerken]

Het huwelijk was een sacrament dat de partners elkaar gaven in aanwezigheid van een priester[7]. De meeste parochianen waren aanwezig als er een huwelijk in de kerk werd gesloten.

Het huwelijk diende in de optiek van de Kerk voornamelijk voor de voortplanting. De gehuwden waren verplicht om hun kinderen volgens de leer van de Kerk op te voeden.

Heilig Oliesel[bewerken]

Als een katholiek stervende was, werd hem de biecht afgenomen, kreeg hij de communie en het Laatste Oliesel, zodat hij naar de hemel kon gaan. Hoewel veel gelovigen doorgaans niet wilden biechten, vonden ze het een ramp als er geen priester aan hun sterfbed kwam: zij meenden dat zij dan na hun dood naar de hel zouden gaan. Om het doopsel en het heilig Oliesel kwamen de mensen smeken, maar aan hun andere katholieke plichten moesten de geestelijken hen doorlopend herinneren.

De uitvaart[bewerken]

Het lijk van de overledene werd in een rouwstoet van de plaats waar hij overleden was naar de kerk gebracht. Daar werd een mis opgedragen en vervolgens werd de overledene ter aarde besteld in de kerk of op het kerkhof (vaak nog naast de kerk).

De begrafenis van iemand uit het volk was eenvoudig. De baar werd door een paar mannen gedragen en in de rouwstoet daarachter liepen alleen de familieleden en een paar vrienden mee.

De begrafenis van een rijke kon behoorlijk weelderig zijn. Het lijk lag op een wagen die getrokken werd door versierde paarden, daarvoor liep een groot aantal geestelijken en achter de wagen liepen de armen uit het armenhuis, allen in het zwart gestoken met een brandende kaars in hun hand, daarachter de familieleden en vrienden en eventueel de leden van de broederschap of de gilde, als de overledene daar lid van was geweest. Het kerkgebouw was met zwarte doeken bedekt en er werd een mis opgedragen door meerdere geestelijken en eventueel ook met muziek en koor.

Broederschappen[bewerken]

Er werden in de zeventiende en achttiende eeuw broederschappen opgericht in de parochies. Dit waren ofwel verenigingen van vrienden en buurtgenoten, ofwel verenigingen van mensen met hetzelfde beroep, die samen vroom wilden zijn. Deze mensen sloten zich vrijwillig aan bij zo'n broederschap die onder toezicht stond van een geestelijke. Bij de broederschappen was de devotie intiemer dan in de wekelijkse mis. Men bad samen voor een Mariabeeld waar men kaarsen voor brandde. De leden steunden elkaar zowel op het materiële als op het geestelijke vlak. Ze bezochten samen de mis, deden samen mee aan processies, ze deden goede werken en baden om aflaten te verkrijgen.

Als door de biecht de zonden vergeven waren, bleef de straf die voor de zonde stond nog bestaan. Meestal bestond deze straf uit een bepaalde tijd die men na zijn dood in het vagevuur moest doorbrengen. Met een aflaat kon men deze straf bekorten, met een volle aflaat verviel deze straf zelfs helemaal. Men kon ook aflaten voor de overledenen verdienen als men vermoedde dat deze in het vagevuur zaten[8]. Deze aflaten werden verkregen als men een vastgesteld aantal gebeden of goede werken had gedaan. Als iemand bijvoorbeeld een kwartier in stilte had gebeden, kreeg hij een aflaat van 100 dagen. Zo zorgden de broeders ervoor dat ze na hun dood naar de hemel zouden gaan. De leden van de broederschappen konden ook, door een bepaald aantal gebeden te bidden, bepaalde "beschermingen" verdienen: tegen vuur, donder, rovers, moordenaars, de pest, een plotselinge dood of de duivel.

Ze stonden elkaar bij aan hun sterfbed, verzorgden de uitvaart en baden voor de zielerust van overleden medebroeders. Er waren broederschappen van de stervenden, broederschappen voor liefdadigheid, voor het verzorgen van de uitvaart, voor de zielen in het vagevuur en broederschappen die diverse heiligen vereerden. In Zuid-Frankrijk bestonden nog de broederschappen der Penitenten die echter door de Kerk gewantrouwd werden.

Het kon ook gebeuren dat de broeders door veel te bidden of psalmen te zingen opeens de aanwezigheid van Christus in of naast zich konden voelen. Dit laatste was de bedoeling van de broederschappen van het Heilig Hart die vanaf 1545 optraden en over heel de wereld (tot in Brazilië toe) weerklank vonden. Zelfs Duitse piëtisten (protestanten!) sloten zich in de zeventiende en achttiende eeuw bij deze broederschap aan.

Bedevaarten[bewerken]

Bedevaartswegen naar Santiago de Compostella
Pieter Bruegel de Oude, Pelgrim, ca. 1550

Bijna iedere katholiek had minstens een keer in zijn leven een bedevaart gemaakt. In de Middeleeuwen en in de zestiende eeuw maakten sommige bedevaartgangers heel lange pelgrimages[9][10] naar Jeruzalem of Rome. In de zeventiende en achttiende eeuw deden de rijken dat nog wel, maar er kwamen ook (veel) minder lange bedevaarten die mensen uit het volk ook konden doen. Pelgrims van alle rangen en standen deden te voet de Pelgrimsroute naar Santiago de Compostella[11]. Ook binnen Frankrijk kwamen bedevaartsoorden tot bloei zoals Mont Saint-Michel en er kwamen veel regionale en plaatselijke bedevaartplaatsen waar Maria of een heilige vereerd werden. Sommige van die plaatsen waren al in de zevende eeuw een bedevaartoord geweest en andere werden het pas in de zeventiende of achttiende eeuw.

Een bedevaartoord ontstond meestal doordat een herder of een boer een beeltenis van Maria of een heilige had gezien in een boom of in een bron. En vervolgens waren er wonderen gebeurd op die plaats, vooral genezingen van zieken. De kerkelijke overheid reageerde dan meestal een tijdje terughoudend, kwam eens kijken, deed wat onderzoek en gaf dan al snel toe aan de enthousiaste wens van het volk om hier een bedevaartoord te stichten. Vanaf dat moment mochten er dan bedevaarten naar toe georganiseerd worden. Deze organisatie berustte vaak bij monniken als de Oratorianen of de Dominicanen. De bedevaartgangers baden er tot Maria of tot de heilige die men op die plaats gezien had en vroegen om genezing van hun ziektes, om het behoud van hun vee of om de bescherming van de oogst. Iedere (bescherm)heilige had zijn eigen specialiteit maar Maria kon men voor alles aanroepen.

Meestal was er een kerk of kapel gebouwd op de plaats waar men Maria of de heilige gezien had. De zieke, of zijn plaatsvervanger als de zieke de bedevaart niet zelf kon maken, moest daar naar toegaan, veel bidden, het beeld van Maria of van de heilige kussen en eventueel een bad in het bronwater nemen. Als hij de plaatsvervanger voor een zieke was, moest hij een kledingsstuk in de bron dopen en dat meenemen voor de zieke thuis.

Sommige mensen hielden een bedevaart omdat zij ziek of in ernstige moeilijkheden waren geweest en daarvoor God of een heilige om bijstand hadden gevraagd. Zij hadden beloofd dat als het goed kwam, zij een bedevaart zouden houden.

Soms moesten de pelgrims dagen of weken achter elkaar in hun eentje lopen. Ze hadden een brief van hun pastoor meegekregen als een soort paspoort en om ervoor te zorgen dat ze onderdak kregen in de gasthuizen.

De meeste pelgrims waren mannen tussen tussen de twintig en de dertig. Als vrouwen en kinderen een pelgrimage hielden, werden ze door minstens een familielid begeleid[12]. Als pelgrims elkaar onderweg of in een gasthuis tegenkwamen, liepen ze vaak samen verder.

Een bedevaart kon men op elk moment van het jaar maken. Er waren echter ook bedevaarten op de feestdagen van bepaalde heiligen die door hele parochies gezamenlijk werden ondernomen onder leiding van de pastoor. Deze bedevaarten veranderen echter nogal eens in grote volksfeesten waarbij er 's avonds gedronken, gezongen en gedanst werd. Het volk was verknocht aan dit soort bedevaarten, de Kerk veel minder.

Een bedevaart naar een plaats waar een wonder zou kunnen geschieden, was een vorm van irrationele, magische religiositeit waar de mensen blijkbaar grote behoefte aan hadden, zowel stedelingen als plattelandsbewoners, zowel rijken als armen, zowel mannen als vrouwen. Deze behoefte aan magie werd door de Kerk met lede ogen aangezien. De Kerk wilde meer controle over de bedevaarten en de "aanstootgevende misbruiken" uitroeien, zoals:

  • Het meteen roepen dat er wonderen gebeurden.
  • Het verworden van religieuze feesten en heiligendagen tot wereldse feesten waarop het volk zich vermaakte.

Campagnes[bewerken]

Kapucijnen, Lazaristen, Jezuïeten en Montfortanen hielden grote bekeringscampagnes (of missies) in de parochies, voornamelijk op het platteland. Blijkbaar was de Kerk niet tevreden met de mate waarin het volk geloofde in de christelijke leer. Men hield intensieve predikingen van drie tot vijf weken waarna sommige vrome mensen zich een algehele biecht over hun voorafgaande leven lieten afnemen.

Deze campagnes waren ware spektakelstukken: het ging er niet zozeer om de parochianen rationeel te overtuigen dan om zoveel indruk op ze te maken dat ze zich zouden bekeren. Zo'n campagne bestond uit reeksen preken voor verschillende groepen: mannen, vrouwen, kinderen en personeel. Daarna was er een generale biecht en de communie. Als boetedoening moesten de mensen hun fouten herstellen, geld offeren aan liefdadigheid of aan fundaties en vrome werken doen.

Liefdadigheid[bewerken]

Liefdadigheid kon men in een broederschap beoefenen maar het was meestal een privé-aangelegenheid. Er waren zeven goede werken van liefdadigheid:

  1. De hongerigen eten geven.
  2. De dorstigen te drinken geven.
  3. Vreemdelingen herbergen.
  4. Gevangenen bezoeken.
  5. Zieken troosten.
  6. Naakten kleden.
  7. Doden begraven.

Deze werken werden door vele christenen beoefend. Dat werd bevorderd doordat de Kerk de armen en bedelaars afschilderde als de plaatsvervangers van Christus[13]. Vanaf 1660-1680 nam de staat de zorg over voor de armen en bedelaars. Het werd zelfs verboden om hen aalmoezen te geven. De staat schilderde hen af als gevaarlijke asocialen. Ze werden in gestichten opgesloten en onder dwang te werk gesteld. Dat grote opsluiten is echter grotendeels op een mislukking uitgelopen en veel christenen gingen door met het geven van aalmoezen.

Fundaties[bewerken]

Een katholiek kon een mis, een preek, een bekeringscampagne of een school "stichten" of funderen. Dat betekende dat hij er het benodigde geld voor gaf. Dat was vaak een aanzienlijk bedrag. Meestal regelde de gelovige iets dergelijks per testament. De geestelijkheid moedigde het maken van een testament aan. In een testament regelde de gelovige een aantal zaken die na zijn dood uitgevoerd moesten worden:

  1. Hoe de begrafenis van de overledene moest verlopen: hoeveel priesters erbij moesten zijn, of het een eenvoudige gelezen mis moest zijn of een gezongen mis.
  2. Hoe het graf eruit moest zien, de plaats waar het graf moest komen en de kwaliteit van de gebruikte materialen.
  3. Het misbruik dat de overledene van zijn bezit of van mensen had gemaakt moest zo veel mogelijk worden goedgemaakt.
  4. Door missen te stichten kon hij ervoor zorgen dat er na zijn dood zo lang mogelijk (soms zelfs eeuwig) voor hem gebeden werd, soms meermaals per jaar. De aflaten die hij hiermee verdiende, verkortten zijn verblijf in het vagevuur.

De bedoeling was toch voornamelijk dat de katholiek zichzelf op die manier van een plaats in de hemel verzekerde. Dit streven was weliswaar egoïstisch, maar zo leerde de geestelijkheid het de mensen nu eenmaal.

Bidden[bewerken]

Sommige vrome katholieken hadden in de zeventiende eeuw een bidstoel of zelfs een privé huiskapelletje.

Ochtend- en avondgebed
Een katholiek moest zich, als hij wakker werd, meteen aankleden, knielen en een ochtendgebed doen bestaande uit onzevaders, weesgegroetjes, de geloofsbelijdenis en verder de geboden van God en de Kerk.

's Avonds moest hij neerknielen en dezelfde gebeden doen, gevolgd door een gewetensonderzoek en een confiteor. Daarna moest hij zich in stilte uitkleden, zedig naar bed gaan en inslapen met de gedachte aan God of de dood.

De Kerk had het liefst dat het gezin het ochtend- en avondgebed gezamenlijk bad, met gevouwen handen en knielend, zonder ergens tegenaan te leunen of op de hielen te zakken.

Gebeden voor een bepaald doel
Vanaf de zestiende eeuw waren er gebedenboeken verschenen met gebeden voor een bepaald doel, zoals voor:

  1. Een kind dat zijn lessen ging leren.
  2. Het behoud van de goede reputatie.
  3. Een meisje dat wilde trouwen.
  4. Een gehuwde man.
  5. Een man wiens vrouw op sterven lag.
  6. Ouders die hun kind verloren hadden.
  7. Een kind dat een beroep wilde kiezen.
  8. In tijden van pest.

Devoties

  1. De bekendste devotie was de "devotie van het sacrament des altaars" die in de zeventiende en achttiende eeuw in veel parochies werd ingesteld. Vrome mensen hadden zich verenigd in een broederschap en bezochten vrijwillig twee of driemaal per dag of 's nachts het altaar in de kerk om daar bijvoorbeeld een uur te bidden. Daarbij wisselden ze elkaar af zodat er doorlopend gebeden werd. Zodoende zouden ze kwijtschelding krijgen voor de zonden van de mensen.
  2. Later kwamen daar nog de "devotie voor het kind Jezus" en de "devotie tot het heilig hart" bij.

Mariaverering
De Mariaverering die in de zeventiende eeuw opkwam, werd door sommige kerkelijk leiders met wantrouwen bekeken. De gelovigen baden rozenkransen of rozenhoedjes hetgeen de Dominicanen al in de dertiende eeuw hadden gepropageerd[14]. Men kon zich ook aansluiten bij broederschappen van de rozenkrans. De leden hiervan droegen soms een scapulier ofwel "het kleed van de maagd Maria". Veel gelovigen waren analfabeet en volgens sommige geschiedkundigen deden de meeste hiervan niets anders aan hun geloof dan de rozenkrans bidden.

Heiligenverering
Er waren de al genoemde bedevaarten naar plaatsen waar een heilige vereerd werd. Na 1700 werden er heiligenprentjes op straat verkocht, gedrukt in felle kleuren met daaromheen teksten over het leven van de heilige en een gebed. Men hing ze op aan de muur of aan de binnenkant van een kast.

Mystiek[bewerken]

Mystiek, het extatische gevoel om al in dit leven een te zijn met God, om rechtsstreeks met Hem in contact te staan, was de hoogste vorm van persoonlijke vroomheid[15]. De mystiek was niet op uiterlijkheden gebaseerd zoals veel van de collectieve geloofsbelevingen die hierboven zijn genoemd.

De Franse school van de spiritualiteit van de zeventiende eeuw was een vervolg op de Rijnlands-Vlaamse mystici van de veertiende en vijftiende eeuw en de Spaanse mystici van de zestiende eeuw.

  • Franciscus van Sales vond dat ook gewone mensen in hun dagelijkse bestaan mystieke ervaringen moesten kunnen meemaken. Het zou eigenlijk al voldoende moeten zijn als je de plichten van de staat vervulde, vond hij. Mystiek zag hij niet als een speciaal ogenblik of een speciale ervaring. Mystiek was niet voorbehouden aan kluizenaars en kloosterlingen. Mystiek moest het leven van alledag doordrenken, zelfs van degenen die een beroep uitoefenden. Deze woorden vielen goed bij die katholieken die gewoon moesten werken maar toch de christelijke volmaaktheid wilden bereiken.
  • Pierre de Bérulle wendde zich meer tot de geestelijken. Zij moesten zich geestelijk verliezen in Christus en zich inleven in de episodes van Zijn leven.

In de eerste helft van de zeventiende eeuw kwam er een vloedgolf van mystiek. Het quiétisme (eind zeventiende eeuw) en andere vormen van excessen, leidden tot een veroordeling door de Kerk, die vanaf dat moment wantrouwig zou blijven ten aanzien van de mystiek.

Protestanten en collectiviteit[bewerken]

Het zal duidelijk zijn dat de protestanten, met hun nadruk op de individuele geloofsbeleving, minder collectieve geloofsuitingen hadden dan de katholieken.

  • Bij de katholieken kon Jezus Christus de Kerk redden door haar geloof in Hem en werd de gelovige gered omdat hij lid was van de kerk.
  • Protestanten geloofden direct en persoonlijk in Christus die de enige bemiddelaar was tussen de mens en God de Vader.

De protestant had dus niet, zoals de katholiek, diverse bemiddelaars zoals priesters en heiligen. Gods woord stond in de bijbel en die moest dagelijks gelezen worden. Alles wat de protestant wilde weten, kon hij daarin vinden. Een mens kon zelf voor zijn zieleheil zorgen en had geen priesters nodig want door het doopsel zijn alle christenen gelijk. Veel vormen van gemeenschappelijke vroomheid zoals de katholieken die hadden, werden dan ook overboord gegooid zoals: de meeste sacramenten, de heiligenverering, de gebeden voor de overledenen, de oorbiecht, alsmede de vormen van katholieke magie zoals: wonderen, klokgelui, heiligenbeelden, kaarsen branden, processies en zegenen met wijwater. In het vagevuur geloofden de protestanten niet. Toch lieten de protestanten ook een paar gemeenschappelijke geloofspraktijken toe, omdat de mensen daar nu eenmaal behoefte aan hadden: de mensen hadden hulp van elkaar nodig om in het geloof te volharden.

De eredienst thuis[bewerken]

Tot bijna 1800 konden veel mensen niet lezen hoewel er steeds meer scholen kwamen. Een bijbel was duur, elk gezin had er maar één en daar moest je heel zuinig op zijn en die werd vaak generaties lang doorgegeven. Protestanten werden verondersteld dagelijks thuis te bidden en de bijbel te lezen. De vader was voorganger in deze huiselijke erediensten. 's Morgens, 's middags en 's avonds verzamelde hij vrouw, kinderen en personeel om zich heen, las een paar verzen uit de bijbel en daarna zong men psalmen uit een apart psalmenboek en bad hardop het onzevader. Zowel Luther als Calvijn vonden het zingen van psalmen heel belangrijk. Verder was er aan het begin en einde van elke maaltijd een tafel- en een dankgebed.

De huisvader moest er ook op toezien dat alle gezinsleden en het personeel de rechte weg bewandelden. Vloeken, ontucht en diefstal waren uit den boze.

De eredienst van de gemeente[bewerken]

De protestant was lid van een gemeente (het equivalent van de katholieke parochie) die 's zondags gemeenschappelijke godsdienstoefeningen hield. Luther, maar meer nog Calvijn vond dat je de gelovige niet zomaar alleen moest laten met zijn persoonlijke geloof, maar hem door een strak kader moest omgeven. De dominee (predikant) was de geestelijk leider van de gemeente en hij werd bijgestaan door een of meer leraren, en meer nog door de kerkeraad, die bestond uit ouderlingen (de oudste en aanzienlijkste mannen van de gemeente) en diakenen (de armenzorgers). Die kerkeraad begeleidde de gelovigen. En hoewel er formeel geen priesters waren, was er dus tòch weer een vorm van geestelijkheid gekomen. Er was sprake van gemiddeld een kaderlid op veertig gelovigen. Iedere gelovige werd streng in de gaten gehouden.

Men controleerde vooral of iedereen de gemeenschappelijke zondagse diensten bezocht, waar men bad, uit de bijbel las en psalmen zong. Verder was er een preek van de dominee waarin hij de gelovigen onderrichtte door een tekst uit de bijbel te bespreken. Na afloop van de dienst was er catechisatie voor de volwassenen. In sommige streken (vooral in de grote steden) waren er meer diensten in de week en soms werd er ook 's ochtends gebeden.

Avondmaal[bewerken]

Zowel lutheranen als calvinisten hielden vier maal per jaar het avondmaal, dat in plaats van de mis gekomen was: met Pasen, Pinksteren, het begin van de herfst en met Kerstfeest. Er werd dan brood en wijn uitgereikt als zijnde het lichaam en bloed van Christus. Hoewel de protestanten ontkenden dat brood en wijn letterlijk het lichaam en bloed van Christus werden door de consecratie, stelden Lutheranen en Calvinisten wel dat Christus werkelijk aanwezig was. De gelovigen die het recht hadden om het avondmaal te vieren, waren verplicht deze viering ook bij te wonen. Zij dienden zelfs bij een ouderling een muntje in te leveren zodat hij kon controleren of iedereen wel aan de avondmaalsviering had deelgenomen.

Absolutie[bewerken]

De protestanten hadden weliswaar de persoonlijke oorbiecht afgeschaft, maar zij hadden er bezwaar tegen dat iemand naar het avondmaal ging terwijl hij grote zondes op zijn geweten had.

  • De lutheraanse dominee las in de dienst voorafgaande aan het avondmaal hardop een openlijke erkenning van (alle denkbare) zonden voor en gaf dan een collectieve absolutie.
  • De calvinisten gingen voorafgaand aan de avondmaalsviering op huisbezoek bij alle gemeenteleden om te horen of er zonden waren die het deelnemen aan deze viering zouden belemmeren. Hoorde de kerkeraad los van deze bezoeken dat mensen openbaar gezondigd hadden, dan lieten zij hen voor zich verschijnen, waar ze hun zondes moesten toegeven en berouw tonen. De kerkeraad vermaande de zondaars en kon ze zelfs uitsluiten van de avondmaalsviering.

Verloving en huwelijk[bewerken]

De verloving was een plechtige belofte die man en vrouw aan elkaar deden om met elkaar te gaan trouwen. Deze belofte kon alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de kerkeraad worden ontbonden. Het huwelijk werd niet als een sacrament beschouwd en volgde de verloving meestal na zes weken automatisch op.

Uitverkiezing[bewerken]

De calvinisten (in onder andere Frankrijk en Nederland) leerden dat mensen alleen in de hemel kwamen wanneer ze door God in zijn genade waren uitverkoren. Andere mensen waren door God verworpen en zouden in de hel komen. Als God je (al dan niet) had uitverkoren, dan was dat onherroepelijk.

Als je goede daden deed, goede gedachten had en nooit aan het geloof twijfelde, mocht je daaruit afleiden dat je uitverkoren was. Het was niet voldoende om alleen maar bij de "juiste" protestantse stroming aangesloten te zijn.

Als je slechte daden deed, slechte gedachten had of twijfelde aan het geloof, dan waren dit tekenen dat je niet geloofde en naar de hel zou gaan. Je diende je te bekeren. De gedachte dat je door je best te doen ("goede werken" doen) of door giften aan de Kerk je zonden kon "afkopen", werd verworpen als katholiek bijgeloof.

  • Volgens strenge protestantse richtingen waren er maar heel weinig uitverkorenen en die mensen konden hun uitverkiezing afleiden uit de bijzondere godsdienstige ervaringen die ze hadden gehad. De meeste kerkleden waren in hun ogen "afgedwaalde schapen" en zouden naar de hel gaan, hoe keurig ze ook geleefd hadden.
  • De hugenoten (Franse calvinisten) hingen het oorspronkelijke idee van Calvijn aan dat elke protestant mocht aannemen dat hij was uitverkoren om naar de hemel te gaan, zolang uit zijn goede levenswandel bleek dat hij oprecht geloofde. Hij hoefde dus normaal gesproken niet bang te zijn voor de dood, de hel en het laatste oordeel.

Doop[bewerken]

Het doopsel werd door de protestanten niet zo snel mogelijk na de geboorte gegeven, zoals bij de katholieken. De katholieken waren bang dat als een kind stierf vóór het doopsel, het niet in de hemel kon komen. De protestanten meenden dat hun kinderen ook zonder te zijn gedoopt in de hemel konden komen. De Dordtse Leerregels vermeldden dat gelovige ouders ervan uit mochten gaan dat hun jong gestorven kinderen (gedoopt dan wel ongedoopt) in de hemel zouden komen. Protestanten hadden dus geen reden om hun kinderen zo snel mogelijk te dopen.

Kinderen die door de week geboren waren, werden op de eerstvolgende zondag samen gedoopt in de gemeenschappelijke dienst, voor de preek. Het kind werd aan God gewijd en de ouders moesten beloven het volgens het protestantse geloof op te voeden. Net als bij de katholieken werd er water over het hoofd van het kind gegoten. De aanwezigheid van een peter en meter was niet verplicht maar wel toegestaan.

Dood[bewerken]

Als een protestant op sterven lag, werd hij intensief bezocht door zijn familie en vrienden. Protestanten kenden geen laatste biecht en geen Heilig Oliesel. Er was geen reden om in paniek te raken over de dood: wie uitverkoren was en dat in zijn leven had laten blijken, zou in de hemel komen. Wie echter in zonden en ongeloof geleefd had, moest het ergste (de hel) vrezen. Ook zondaars konden zich echter nog op hun sterfbed bekeren.

Noch Luther noch Calvijn geloofden in een vagevuur, dus bidden voor de overledenen en het verwerven van aflaten (om hun verblijf in het vagevuur te bekorten) waren nutteloos en katholiek bijgeloof.

Begrafenis[bewerken]

Lutherse begrafenissen waren zeer sober vergeleken met de barokke begrafenissen van rijke katholieken. Als de dode begraven werd, was de naaste familie aanwezig. Er was een kort gebed. Daarna gingen de verwanten en vrienden in de kerk naar een preek van de dominee luisteren.

Bij de calvinisten ging het er aanvankelijk nòg eenvoudiger aan toe. Calvijn liet zijn lichaam in een grove doek gewikkeld zonder gezang en zonder toespraak ter aarde bestellen in een graf zonder grafsteen. Er was bij een calvinistische begrafenis geen dominee aanwezig en er was ook geen klokgelui: dood was dood. Er werd nog geen onzevader gebeden en de familie moest zonder vertroostende woorden naar huis. Elk katholiek bijgeloof moest voorkomen worden want de dode had er niets aan en de verwanten hadden geen troost nodig: als de dode was uitverkoren, dan zou hij naar de hemel gaan en anders niet.

De calvinistische praktijk veranderde echter al snel. Veel predikanten gingen toch een lijkpredikatie houden. Waar het protestantisme staatskerk of volkskerk was, werden uiteindelijk ook weer begrafenisdiensten gehouden. Tegen klokgelui werd weliswaar opgetreden, maar het duurde lang voordat dit resultaat had.

Bron[bewerken]

Geschiedenis van het persoonlijk leven. Van de renaissance tot de Verlichting.
Onder redactie van Philippe Ariès, Georges Duby en Roger Chartier.
ISBN 90-5157-018-x
1986 Editions du Seuil, Paris
1989 Agon, Amsterdam
Betreffende hoofdstuk geschreven door: François Lebrun Emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Rennes II, Haute Bretagne

  • Voor de "Inleiding" is als bron geraadpleegd:

Noten[bewerken]

  1. Bron: Keith Thomas, Religion and the decline of magic. ISBN 978-0-14-013744-6
  2. Bron van deze paragraaf: Dresen-Coenders, Het verbond van heks en duivel.
  3. Keith Thomas, Religion and the decline of magic.
  4. In Noord-Oost-Frankrijk lagen de percentages hoger dan in Zuid-West-Frankrijk en in de steden hoger dan op het platteland.
  5. Devotie, gewetensonderzoek en verinnerlijking van het geloof in hoge Middeleeuwen.
  6. Zielszorg ontstond in Toscane.
  7. De Kerk was in de dertiende eeuw nog toeschouwer bij het huwelijk.
  8. Haast niemand geloofde dat hij na zijn dood direct naar de hemel zou gaan. Keith Thomas, Religion and the decline of magic.
  9. Sanitaire wantoestanden voor pelgrims in de late Middeleeuwen
  10. Onruststokers werden in de hoge Middeleeuwen op kruistocht gestuurd.
  11. Naar het veronderstelde graf van de apostel Jakobus
  12. Als in de hoge Middeleeuwen een vrouw op reis ging, dan ging het hele huishouden mee om haar op het rechte pad te houden. Zelfs als ze op pelgrimstocht ging, moest ze de hele weg in haar draagstoel blijven met de gordijnen dicht.
  13. Armoede en kerk.
  14. In het begin van de vijftiende eeuw begon men reeksen van telkens tien "weesgegroetjes" en een "Onzevader" te bidden waarbij elke parel van de ketting voor een gebed stond.
  15. Mystieke vervoering en visioenen in de late Middeleeuwen.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.