Volk, kerk en magie 1500-1700/Katholiek geloof en bijgeloof

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Levensomstandigheden van het volk
  3. Sociale controle
  4. Katholiek geloof en bijgeloof
  5. Protestanten tegen bijgeloof
  6. Gods wil
  7. De macht van de duivel
  8. Bidden
  9. Sekten, profeten, gebedsgenezers en fanaten
  10. Kerk en volk
  11. Magie
  12. Magische geneeskunde
  13. Magie om dieven te ontmaskeren
  14. Kerk tegen witte magie
  15. Recht en wetenschap tegen witte magie
  16. Zwarte magie
  17. Verdwijnen van de magie
  18. Astrologie
  19. Heksen
  20. Bronnen en links

4. Katholiek geloof en bijgeloof

Definitie: katholiek, protestants en anglicaans[bewerken]

Er was in Middeleeuwen maar één christelijke kerk en die was katholiek. Na de reformatie rond 1525 bleef de Katholieke Kerk voortbestaan, maar ontstonden er ook een aantal protestantse kerken. In Engeland werd na 1534 de Anglicaanse Kerk de grootste kerk.

Definitie: geloof en bijgeloof[bewerken]

De middeleeuwse Kerk bood haar gelovigen voor haast elke gelegenheid een magisch ritueel. Bij al die, door de Kerk zelf erkende magie, voegde zich echter ook nog eens veel volks bijgeloof dat niet door de Kerk erkend werd. Dat bijgeloof werd vaak door middeleeuwse theologen en concilies aan de kaak gesteld. Het volk dacht bijvoorbeeld dat veel kerkelijke voorwerpen een magische kracht bezaten en probeerde ze daarom uit de kerk te stelen.

Het grote verschil tussen geloof en bijgeloof:

  • De gelovige ging ervan uit dat God almachtig was en dat men Hem slechts nederig om hulp kon smeken en daarna maar af moest wachten of hij die smeekbede al dan niet zou verhoren. God had het beste met de mensen voor maar de mens kon Zijn beschikkingen vaak niet begrijpen.
  • De bijgelovige ging ervan uit dat zijn rituelen altijd en automatisch zouden werken, zolang hij tenminste geen foutje in zijn ritueel maakte.

De meeste hooggeschoolde geestelijken en leken begrepen dit verschil maar het volk niet. Ook lagere geestelijken hadden wel eens moeite met dit verschil, waarschijnlijk mede omdat zij het volk niet van zich wilden vervreemden.

Christenen en heidenen[bewerken]

De Kerk had de vermenging van geloof en bijgeloof mede aan zichzelf te wijten:

  • De Kerk had veel bijgeloof zelf in omloop gebracht. Om de heidenen in de vroege Middeleeuwen tot het christendom te bekeren, had de Kerk allerlei verhalen in omloop gebracht waaruit je kon afleiden dat haar heiligen machtige tovenaars waren: veel machtiger dan de heidense goden (die al snel tot demonen werden gedegradeerd).
  • De Kerk had noodgedwongen veel heidens bijgeloof opgenomen. De vroege Kerk probeerde weliswaar om het heidense geloof te bestrijden, maar dit lukte niet altijd. Veel heidenen en pas bekeerden konden geen afscheid nemen van sommige elementen van hun heidense geloof. Om hun bekering gemakkelijker te maken, dan wel om de pas bekeerden binnen het christendom te houden, nam de Kerk die elementen van het heidense geloof toen maar in het christendom op (in een wat aangepaste vorm).
    • Op de graven van de heiligen werden offers van koren, kaas en andere levensmiddelen gelegd naar heidense wijze.
    • De oude heilige plaatsen van de heidenen, zoals bronnen, bomen en stenen werden niet afgeschaft maar er werden christelijke plaatsen van gemaakt verbonden met een christelijke heilige. Alleen in Engeland waren dat er al vele honderden. Maar de heilige bronnen werden door het volk niet alleen gebruikt om die christelijke heilige te vereren, maar ook om (net als de heidenen) op magische wijze zieken te genezen en de toekomst te voorspellen. Dorpelingen versierden de heilige bronnen regelmatig met bloemen.
    • Veel heidense feesten werden opgenomen in het christendom, zoals het joelfeest dat kerstmis werd enzovoort. Maar het volk vierde deze feestdagen niet alleen in de christelijke zin. Het volk bleef (net als de heidenen) geloven dat deze feesten de vruchtbaarheid van het land en de oogst zouden bevorderen. Bijvoorbeeld: "het trekken van de ploeg rond het vuur" na driekoningen voor een goed nieuw jaar.

De Kerk was niet bij machte om het volk dit soort bijgelovige rituelen te verbieden, want het volk geloofde dat dit hun materiële welvaart zou brengen en hun zorgen zou verlichten. Het gaf hun troost en steun.

Kerk was eigen scheidsrechter[bewerken]

De Kerk was duidelijk partij in het onderscheid maken tussen geloof en bijgeloof. Als de Kerk iets geloof noemde, dan wás het geloof en anders was het bijgeloof.

Geloof[bewerken]

Het was geloof om te denken dat:

  • Brood en wijn tijdens de consecratie veranderden in het lichaam en bloed van Christus, dit was het werk van God.
  • Een mens van de duivel bezeten kon zijn en dat een geestelijke die duivel kon uitdrijven (exorcisme).
  • De duivel mens en dier ziek kon maken.
  • De Kerk de ziekten van mens en dier kon genezen door ze wijwater te laten drinken.
  • De duivel het kon laten onweren.
  • Een priester de hostie door het dorp kon ronddragen of de gewijde klokken van de kerk kon luiden, om onweer te verjagen.

Bijgeloof[bewerken]

Andere zaken werden volgens de Kerk echter met de hulp van de duivel bewerkstelligd en waren dus bijgeloof. Het was bijgeloof om:

  • Een hostie uit de kerk te stelen en over het land uit te strooien om de oogst te bevorderen.
  • Amuletten om te hangen om ziekte en ongeluk te weren.
  • Magische krachten van relikwieën te verwachten.
  • Gebeden zo vaak mogelijk op een mechanische wijze op te zeggen in de hoop dat die dan automatisch zouden werken.

Maar de Kerk liet deze bijgelovige praktijken oogluikend toe omdat ze de de mensen aan de Kerk bonden en de geestelijkheid aanzien gaven. En, vond de Kerk, als het gebeurde vanuit een oprecht geloof in het christendom, zou het mogelijk ook werken.

Katholiek geloof omgeven door bijgeloof[bewerken]

Rond het katholieke geloof in de Middeleeuwen had zich veel bijgeloof verzameld. Op het continent van Europa, waar na de reformatie het katholicisme naast het protestantisme bleef voortbestaan, bleef ook het bijgeloof een grote rol spelen.

Heiligen[bewerken]

De apostelen en heiligen van de vroege Kerk hadden niet alleen een voorbeeldige moreel gedrag maar ook bovennatuurlijke krachten, zelfs na hun dood. Ze hadden, volgens de verhalen van de Kerk, wonderen en bovennatuurlijke genezingen verricht, ze konden de toekomst voorspellen, het weer beïnvloeden, de mensen beschermen tegen water en vuur en ze hadden zelfs voorwerpen door de lucht verplaatst door onzichtbare krachten te gebruiken. De katholieken baden tot de heiligen om hun leven te verlichten. Zieken en invaliden gingen op bedevaart naar de graftombes van de heiligen in de hoop op genezing. Er waren veel verhalen in omloop over de wonderen die op die bedevaartsplaatsen geschied waren.

Elke heilige had zijn "specialiteit": de een beschermde het vee, de ander kon mensen genezen. Er waren heiligen voor het genezen van vallende ziekte, puisten, de pest, koorts, pokken en bezetenheid. Er was een heilige die ervoor zorgde dat het brood goed gebakken werd. Een andere stond kunstenaars bij, weer een andere hielp vrouwen tijdens de bevalling en er was zelfs een heilige die ervoor kon zorgen dat het kind een jongetje werd. Er was een heilige die zielen uit het vagevuur kon halen en er was er een die vijanden ziek kon maken. Heiligen konden niet alleen genezen maar ook ziek maken.

Elke kerk had haar eigen beschermheilige, elk gilde, elke instelling, hoe klein ook, elke stad, school en universiteit.

De heiligenverering nam waarschijnlijk in de loop van de vijftiende eeuw sterk af. Volgens de Kerk was het goed om tot de heiligen te bidden maar moesten de gelovigen er niet van uitgaan dat die gebeden altijd werden verhoord.

Kruisteken[bewerken]

Met het maken van het kruisteken kon men kwade geesten en gevaren afweren. Vrijwel iedereen sloeg meerdere malen per dag bij allerlei gelegenheden het kruisteken.

Wijwater[bewerken]

Gezegend water heette wijwater en de katholieken gebruikten het om boze geesten te verdrijven. Omdat de duivel geacht werd niet tegen wijwater te kunnen, werd het overal waar men de duivel vermoedde als een soort bestrijdingsmiddel ingezet. Van tijd tot tijd werd een wijwatervat vanuit de kerk de parochie rondgedragen en konden de mensen daarmee zelf hun huizen, akkers en vee besprenkelen om de boze geesten te verdrijven. Men gebruikte ook wijwater om de kwade dampen (miasma) van de pest te verdrijven.

Sommige katholieken smokkelden wijwater de kerk uit en dronken het als ze ziek waren of ze sprenkelden het over hun akkers in de hoop dat die daardoor meer zouden opbrengen. Ook gezegend zout werd hiervoor gebruikt. Sommige theologen vonden dat bijgeloof maar de meesten vonden dit volstrekt in orde. In sommige kerken werd het wijwatervont afgesloten om diefstal te voorkomen.

Zegeningen[bewerken]

De katholieke Kerk kon mensen, dieren en voorwerpen zegenen. Door deze zegening zou de duivel uit die mensen, dieren en voorwerpen worden verdreven. Meestal werd een zegening uitgesproken door een priester die daarbij kruistekens sloeg, wijwater sprenkelde en een formule uitsprak. De Kerk had een groot aantal formules waarmee ze God's zegen kon afroepen. De Kerk zag het zegenen beslist niet als alleen maar symboliek. Men was het er niet over eens of een zegening persé door een priester moest worden uitgesproken.

  • Huizen, voedsel, vee, de oogst, schepen, gereedschap, wapens, bronnen en ovens werden gezegend.
  • Mensen die op reis gingen of verhuisden.
  • Mensen die een duel gingen uitvechten of naar het slachtveld moesten.
  • Zieken werden gezegend.
  • Mensen en dieren die geen nageslacht konden krijgen.
  • Onweer werd door een zegening verdreven:
Het schrijn van Sint Donatianus
Talisman van Karel de Grote
De 13e eeuwse klok te Warfhuizen

Processies en omgangen[bewerken]

Soms droegen katholieke geestelijken, gevolgd door het volk, in processie de schrijn van een bepaalde heilige door de stad. Men hoopte daarmee de bescherming te krijgen waarin de betreffende heilige gespecialiseerd was. Ook bij rampen, pestepidemieën, misoogsten of een naderende storm hield men grote processies. Verder hield men processies:

  • Om goed weer en een goede oogst af te smeken.
  • Om de bomen op Driekoningen te zegenen.
  • Om jongens en meisjes na Palmzondag het koren te laten zegenen.
  • Men trok in processie naar de bronnen, waar de priester het evangelie voorlas om hun water helder te maken.
  • Er werden zogenaamde 'omgangen' door de velden gehouden langs de grens van de parochie of het dorp. Deze processies stopten telkens op plaatsen waar kruisbeelden langs de weg stonden en hier las de pastoor het evangelie voor. Hierdoor werden de boze geesten (uit de lucht) verdreven zodat de oogst zou slagen. Het volk bleef tot circa 1600 geloven dat deze processies gunstig waren voor de oogst. Tevens werden de dorps- en parochiegrenzen hiermee telkens opnieuw vastgelegd.

Relikwieën[bewerken]

Relikwieën waren de overblijfselen van de lichamen van heiligen of van door hen nagelaten voorwerpen die met hun lichaam in contact waren geweest. De katholieken kenden er grote magische krachten aan toe en ze werden voor grof geld verkocht. Zo kon men voor een kapitaal een druppel kopen van het bloed van Jezus Christus, splinters van het kruis waaraan hij gestorven zou zijn etcetera.

Relikwieën zouden tegen gevaren beschermen en men meende er zieken mee te kunnen genezen, net zoals met de afbeeldingen en beelden van heiligen. Voor zwangere vrouwen werden bepaalde relikwieën in de kerk bewaard, evenals gordels, rokken en jassen.

Er waren ook relikwiëen waarmee sommige katholieken meenden regen te kunnen opwekken, maar dat werd door de Kerk tot bijgeloof bestempeld.

Amuletten[bewerken]

Verder gebruikten de katholieken talismannen en amuletten. Veel gelovigen droegen (in hun kleding genaaide) stukjes papier of een medaillon bij zich met spreuken uit een evangelie of met een kruisteken erop. Deze zaken beschermden tegen de duivel, tegen donder en bliksem, brand, verdrinking, sterven in het kraambed enzovoort. Men kon ook een amulet aan een gebouw bevestigen om het tegen vuur en bliksem te beschermen.

In de zeventiende eeuw gebruikten de katholieken gewijde rozenkransen die zouden beschermen tegen vuur, storm, koorts en kwade geesten.

Kerk en kerkhof[bewerken]

Het kerkgebouw en het kerkhof zouden een grote magische kracht bezitten. Misdaden gepleegd op gewijde grond telden veel zwaarder dan misdaden die op andere plaatsen waren gepleegd. Aarde van het kerkhof en muntstukken uit het offerblok van de kerk bezaten grote magische kracht. Miskelken konden ziekten genezen. De sleutel van de kerk zou tegen hondsdolheid beschermen.

In de heiligenlevens staan veel verhalen over wat er gebeurde met dieven die iets uit de kerk hadden gestolen: ze raakten opgesloten in de schatkamer van de kerk of het gestolen voorwerp bleef voor eeuwig aan hun handen vastzitten.

Scapulier[bewerken]

Een katholiek die het scapulier van een monnik kon bemachtigen, zou zich daarmee kunnen beschermen tegen de pest en wie zich erin liet begraven, zou rechtstreeks naar de hemel gaan. De katholieke Kerk zag dit als bijgeloof.

Kerkklokken[bewerken]

Kerkklokken waren gewijd en hun gebeier kon kwaad afweren. Zo luidde men de kerkklokken als het onweerde want onweer werd door de duivel veroorzaakt.

Bezweringen[bewerken]

De katholieke geestelijken gebruikten bepaalde bezweringen om de akkers vruchtbaar te maken.

Banvloeken[bewerken]

De katholieke geestelijken gebruikten bepaalde banvloeken om rupsen, ratten en onkruid te verdrijven.

Gewijde kaarsen[bewerken]

De katholieke geestelijken gaven hun gelovigen gewijde kaarsen mee naar huis waarmee ze hun vee konden beschermen.

Katholieke sacramenten omgeven door bijgeloof[bewerken]

"De zeven sacramenten" (detail), Rogier van der Weyden, ca. 1445

Om alle katholieke sacramenten verzamelde zich veel bijgeloof.

Mis[bewerken]

In de beginperiode van het christendom was de mis nog een samenkomst van gelijkwaardige mensen geweest. Geleidelijk aan werd de mis echter steeds meer geleid door een priester die in het Latijn) sprak, een taal die de meeste mensen niet begrepen. Vaak konden de gelovigen de priester niet zien omdat zij in een zijbeuk moesten zitten en soms konden ze hem zelfs niet horen omdat hij door een doksaal van hen gescheiden was. De gelovigen zaten er passief bij, degenen die konden lezen en een boek konden betalen, zaten uit hun missaal te prevelen en de analfabeten en armen zaten de gebeden te mummelen die zij toevallig kenden, of zij zaten te slapen, te breien en met elkaar te keuvelen. De katholieke Kerk vond niet dat de gelovigen de mis hoefden te begrijpen of zelfs maar te volgen: hun aanwezigheid was al voldoende om hen de genade Gods deelachtig te laten zijn.

Er werden missen opgedragen voor het heil van de zieken, voor barende vrouwen, goed weer, een behouden aankomst, tegen de pest, om een plotselinge dood te voorkomen, voor de welvaart van de stad enzovoort. Aan het einde van de Middeleeuwen werd het een gewoonte om missen te herhalen want men dacht dat de werking van de missen zou toenemen als men er een hele reeks van opdroeg: 5, 7, 9 of dertig. Dit was een vorm van bijgeloof.

Soms hield men wel eens dodenmissen voor een nog levend persoon. Men hoopte hiermee te bereiken dat hij snel zou sterven. Zelfs geestelijken maakten zich hier wel eens schuldig aan. De Kerk beschouwde dit als een kwaadaardig bijgeloof.

Hostie[bewerken]

De consecratie was een onderdeel van de katholieke mis waarbij brood (de hosties) en wijn door het uitspreken van een formule op mystieke wijze werden veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Door deze transsubstantiatie werd de aard van de materie veranderd. De gewone man begreep hier niets van en vatte het idee soms letterlijk op: er circuleerden verhalen over hosties die in een kind waren veranderd en over mirakels met bloedende hosties.

Tijdens de communie gaf de katholieke priester deze hosties aan de gelovigen. Het zou degenen die het aten gezondheid naar lichaam en ziel brengen.

De katholieke geestelijken wilden niet dat er na de communie nog hosties overbleven of dat er hosties op de grond vielen, want die waren al veranderd in het lichaam van Christus en dan was overblijven of op de grond vallen een belediging voor Christus. Deze speciale behandeling van de hostie versterkte bij het volk het idee dat de hostie grote magische krachten bezat.

Het bijgeloof rond de mis en de hosties tierde welig. Zo dacht het volk dat de dag gunstig zou verlopen als men die dag ter communie was gegaan. Ook zou de dag gunstig verlopen als men tijdens de mis een kruisteken had geslagen onder het voorlezen van het evangelie. De geestelijkheid zelf bevorderde dit bijgeloof door het verhaal te verspreiden dat het bijwonen van de mis of het ontvangen van de communie zou zorgen voor een gunstige reis, een gunstige bevalling, het terugvinden van verloren goederen en een gezonde veestapel. Ook zou het helpen tegen koorts en kiespijn. Maar, aldus de geestelijken, het onwaardig ontvangen van de communie zou tot rampzalige gebeurtenissen als ziekte, verlies en dood leiden.

Vooral in de zestiende eeuw werden de mis en de communie wel eens gebruikt als een vorm van Godsgericht. Als iemand die men ergens van verdacht ter communie ging en hij was schuldig, dan zou God hem zeker straffen, maar als er niets gebeurde, bleek daaruit zijn onschuld. De Kerk beschouwde dit als bijgeloof.

Het volk smokkelde regelmatig hosties de kerk uit. Hiermee dacht men blinden en koortsigen te kunnen genezen. Men gebruikte de hostie als amulet tegen onheil, men verkruimelde haar en strooide haar over het land uit in de mening dat dit voor een rijke opbrengst zou zorgen, men gebruikte hosties als bestrijdingsmiddel tegen de rupsen, men gaf hosties aan bijen in de mening dat die daardoor meer honing zouden produceren en men dacht dat de hostie bescherming bood tegen brand. Men verwerkte de hostie in liefdesdrankjes om een gewenste partner te verkrijgen. De hostie werd zelfs door misdadigers gebruikt in de hoop dat zij tegen betrapping zou beschermen.

Om diefstal te voorkomen, bewaarden de katholieke priesters de hostie en de heilige olie achter slot en grendel. Daardoor geloofde het volk echter nog meer in de bovennatuurlijke krachten van de hostie. Om te verhinderen dat mensen de hosties mee naar huis zouden nemen, gaven de priesters ze niet meer in de handen van de gelovigen maar legden ze rechtstreeks in hun mond. Daarop smokkelden sommigen de hostie in hun mond de kerk uit. De katholieke Kerk ging toen de hosties van ouwel maken dat snel in de mond smelt.

Doop[bewerken]

De katholieken dachen dat een pasgeboren kind van de duivel was bezeten en dus werd het kind geëxorciceerd (de duivel werd uitgedreven) door de doop. Daardoor werd de pasgeborene lid van de katholieke Kerk.

Als een kind vóór de doop stierf, zou het in het voorgeborchte van de hel komen waar het volgens sommige theologen net zo hard gemarteld zou worden als de vervloekten in de hel. De katholieken lieten hun kinderen daarom al in hun eerste levensweek dopen.

Ook rond de doop verscheen veel bijgeloof. Zo dacht men dat gedoopte kinderen gezonder zouden opgroeien en langer zouden leven dan ongedoopte kinderen. Op het platteland geloofde men dit tot in de twintigste eeuw. Er circuleerden verhalen dat blindgeboren baby's na het doopsel weer zouden zijn gaan zien.

De dag waarop de doop plaats vond, het soort water dat gebruikt werd, wie de peetouders waren, dit alles werd in het volksgeloof belangrijk. Sommige katholieken wilden zelfs de moeder tijdens de bevalling exorciceren.

Veel boeren doopten zelfs hun dieren in de hoop dat ze dan beter zouden gedijen.

Vormsel[bewerken]

Doopsel, vormsel en biecht uit De Zeven Sacramenten, Rogier van der Weyden
Heilig Oliesel, Rogier van der Weyden

Katholieke kinderen kregen het vormsel toegediend door een bisschop. Deze legde de kinderen zijn handen op en deed ze een linnen band om het hoofd. Het volk geloofde dat deze band onder alle omstandigheden drie dagen moest blijven zitten, dat zou aanvallen van de duivel afweren. Losraken van die band zou groot ongeluk veroorzaken. Dat was bijgeloof net als het bijgeloof was dat het vormsel tegen ziektes zou beschermen.

Heilig oliesel[bewerken]

Voordat een katholiek stierf kreeg hij het heilig oliesel. Ook daar was allerlei bijgeloof omheen. Het volk dacht dat degene die dit sacrament gekregen had niet meer beter kon worden. Mocht je na dit sacrament toch nog genezen, dan mocht je daarna nooit meer vlees eten, nooit meer op blote voeten lopen en nooit meer seks hebben. De katholieke Kerk probeerde dit bijgeloof te bestrijden door te beweren dat het heilig oliesel de stervende juist van zijn dodelijke ziekte zou kunnen genezen, als deze gelovige althans het ware geloof had. De Kerk bestreed hier dus een bijgeloof door zelf een ander bijgeloof te verspreiden.

Huwelijk[bewerken]

Ook rond het huwelijk ontstond veel bijgeloof. De tijd en de plaats van het huwelijk, de jurk van de bruid en de trouwringen hadden voor het volk een bijzondere betekenis. Zolang de bruid haar trouwring droeg, weerde die onvriendelijkheid en ruzie af.

Katholieke rituelen omgeven door bijgeloof[bewerken]

Bidden[bewerken]

Christenen baden in moeilijke tijden tot God in de hoop dat Hij hen zou helpen. Men bad in groepen of alleen.

De christelijke theologen vonden dat een gebed niets meer was dan een nederig verzoek aan God en dat Hij besliste om het al dan niet te verhoren. De Kerk beval aan dat men zou bidden:

  • Voor de genezing van zieken. De Kerk vond officieel dat er daarnaast een medische behandeling gegeven moest worden. Toch dacht het volk vaak dat gebeden alleen al voldoende waren om iemand te laten genezen.
  • Bij het plukken van geneeskrachtige kruiden, zodat het net leek alsof deze kruiden zonder die gebeden niet zouden werken.
  • De katholieken moesten na de biecht gebeden zeggen om vergeving van hun zonden te krijgen.

Het volk verviel echter tot bijgeloof door te gaan menen dat het opzeggen van gebeden, vooral in het Latijn, een taal die het volk niet begreep, niet meer slechts een nederig verzoek aan God was, maar automatisch een gunstige uitwerking had.

Elk dorp had wel een magiër of tovenaar of wijze vrouw en zij dachten dat ze door het uitspreken van formules de gebeurtenissen op aarde op bovennatuurlijke wijze konden beïnvloeden. Zij meenden dat ze op die manier bijvoorbeeld zieken konden genezen. Het grote verschil tussen het bidden van de christenen en de formules van de tovenaar was, dat het bidden een verzoek aan God was waarover Hij besliste het al dan niet te verhoren, terwijl de formules van de tovenaar verondersteld werden altijd en automatisch te werken, tenzij er een foutje was gemaakt in het ritueel of bij het uitspreken van de formule. Ook was het mogelijk dat een machtigere tovenaar een sterkere tegenformule had uitgesproken. De meeste rituelen en formules die de tovenaars gebruikten waren overigens afgeleid van die van de katholieke Kerk.

De katholieke Kerk hielp echter een handje mee om het verschil tussen gebed en magische formule te laten vervagen. Aan het einde van de Middeleeuwen had de Kerk namelijk de gewoonte geïntroduceerd om gebeden tot in het oneindige op te zeggen in de hoop dat de "werking" daardoor beter zou worden[1]. Men ging monniken en nonnen betalen om gebeden op te zeggen. Zo zou men, door vijftien dagen achter elkaar dezelfde gebeden op te zeggen, zijn sterfdatum kunnen voorspellen.

Men kon gebeden echter ook voor kwaadaardig bijgelovige doeleinden gebruiken door ze achterstevoren op te zeggen.

Gelofte[bewerken]

Men kon ook proberen een gunst van God te krijgen door een gelofte te doen. Iemand die in moeilijke omstandigheden verkeerde (zoals een zeeman in een zware storm), beloofde dat als God hem hielp, hij bijvoorbeeld een kaars in de kerk zou aansteken, een kapel zou stichten, een moeilijke bedevaart zou doen of zijn kinderen in een klooster zou stoppen.

Vasten[bewerken]

Ook door te vasten kon men proberen Gods hulp te krijgen. Er was echter ook het kwaadaardig bijgelovige "zwarte vasten" met de bedoeling een vijand te laten doodgaan.

Begrafenis[bewerken]

Ook rond de begrafenis was veel bijgeloof ontstaan. Het lijk moest met het hoofd naar het Oosten begraven worden. Tijdens de begrafenis moesten er aalmoezen gegeven worden aan de armen. Anders zou de ziel geen rust kunnen vinden en zou hij de nog levende verwanten als geest kunnen gaan lastigvallen[2][3][4][5].

Reiniging[bewerken]

Het was in de Middeleeuwen een gebruik dat vrouwen die pas bevallen waren in de kerk "gereinigd" werden. Dit ritueel vond plaats tijdens de eerste keer dat ze weer naar de kerk gingen. Voor de Kerk was dit officieel niets meer dan een dankzegging voor een goed verlopen bevalling. Het volk echter achtte de vrouw na een bevalling onrein, want de zwangerschap was een voortvloeisel van geslachtsgemeenschap en over de smet die daarop lag, moest de vrouw berouw betonen.

Het bijgeloof gebood dat zij een bepaalde periode, vaak een maand, haar huis niet mocht verlaten, geen bezoek mocht ontvangen en geen seksuele omgang mocht hebben met haar man. Ze mocht haar ogen niet opslaan naar de hemel noch naar de zon, noch mocht zij andere mensen aankijken.

Na die periode moest ze, bedekt met een witte sluier, naar de kerk. De vrouw moest in de kerk op een speciaal daarvoor bestemde stoel gaan zitten. De pastoor kwam dan naar haar toe en sprak: "de zon zal u des daags niet steken noch de maan des nachts." De reniging was dus zeker niet alleen volksgeloof.

Dit gebruik bestond bij de katholieken nog tot in de zeventiende eeuw. Er waren zelfs mensen die geloofden dat als een vrouw stierf vóórdat ze gereinigd was, ze geen christelijke begrafenis mocht krijgen. In Wales dachten sommigen dat er geen gras meer zou groeien op de plaats waar een ongereinigde vrouw haar voeten had neergezet.

Een enkele priester weigerde nog in de zeventiende eeuw om menstruerende vrouwen en mensen die in de nacht voor de mis seksuele omgang hadden gehad de communie te geven. In de Middeleeuwen was dat nog vrij gebruikelijk geweest.

Nachtwake[bewerken]

Men kon een "nachtwake" doen. Daartoe bleef men op bepaalde dagen in het jaar (midzomernacht of de Sint Marcusnacht) de hele nacht in het kerkportaal. Men zou dan de geesten zien van degenen die het jaar daarop zouden sterven. Dit was een volksgewoonte die tot in de negentiende eeuw stand hield.

Noten[bewerken]

  1. Met dit ascetisme op grond van het eindeloos herhalen van automatisch uitgevoerde handelingen of formules, werd op het einde van de Middeleeuwen vaak de spot gedreven. Het werd een tot in het absurde doorgedreven ritueel genoemd, net als het feit dat sommigen per testament regelden dat er na hun dood tot wel 1000 missen gelezen moesten worden.
  2. De zielen van ontevreden overledenen konden volgens de Germanen terugkeren om de levenden te kwellen, vroege Middeleeuwen.
  3. De Germanen gaven hun doden altijd grafgiften mee, zodat ze tot rust zouden komen en niet uit het onderaardse zouden willen terugkeren om de levenden te kwellen, vroege Middeleeuwen.
  4. Terugkerende geesten, vroege Middeleeuwen.
  5. Volksgeloof in de cirkelgang van het leven, ca 550-1800.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.