Heksenvervolging in Europa (1300-1720)/Ontstaan van de heksenvervolging/Joseph Klaits. Ontstaan van de heksenvervolging

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Begin
  3. Rechtsgang
  4. Toename
  5. Reformatie en protestantisme
  6. Heksensabbat
  7. Waterproef
  8. Martelen
  9. Wurgen en verbranden
  10. Hoogtepunt
  11. In Europa en Amerika
  12. In Nederland
    1. Amersfoort en Utrecht
    2. Asten
    3. Roermond
  13. Ontstaan
    1. Dresen-Coenders
    2. Keith Thomas
    3. Joseph Klaits
  14. Verheviging
    1. Dresen-Coenders
    2. Joseph Klaits
  15. Aflopen
    1. Dresen-Coenders
    2. Keith Thomas
    3. Joseph Klaits
  16. Malleus maleficarum
  17. Bronnen en Links

De duivel belaagt Augustinus, Michael Pacher, ca. 1470

13.3. Joseph Klaits. Ontstaan van de heksenvervolging

De meeste van hekserij beschuldigden waren armlastige vrouwen. Ze waren machteloos en wanhopig. Meestal gaven ze als motief voor hun wandaden dat de duivel kleding en eten aan hen had beloofd. Hij haalde hen over om te stelen, zelfmoord te plegen en om hun eigen kinderen te doden (zodat er meer geld overbleef)[1]. Als het weduwen waren, bood hij hun ook seksuele diensten aan.

Doordat de geestelijkheid hel en verdoemenis preekte, dachten velen dat ze zoveel zonden hadden begaan, dat ze toch al naar de hel zouden gaan. Het kon dus onmogelijk nog slechter gaan, ook niet als ze een verbond met de duivel zouden sluiten, maar misschien zou het dan een beetje beter gaan. Religieuze wanhoop was algemeen. Veel mensen stonden onverschillig of zelfs vijandig tegenover de religie.

Arme en alleenstaande vrouwen die moesten gaan bedelen, werden vaak bedreigd, uitgescholden of geslagen. Zij konden niets terugdoen want zij waren lichamelijk zwak en ze kregen ook geen hulp van de wet. Het is daarom goed denkbaar dat veel van deze bedelaressen hun buurtgenoten een ziekte toewensten of zelfs de dood. En als die buren dan soms echt doodgingen, dan was het bewezen: hekserij werkte! Overigens zijn er misschien ook wel echt mensen doodgegaan door hekserij, want als iemand echt gelooft dat hij behekst is, dan kan hij daardoor psychosomatische symptomen krijgen waaraan hij misschien wel dood gaat. Waarschijnlijk echter had een groot deel van de beschuldigde heksen zelfs dit soort "mentale misdaden" niet begaan. Zelfs volstrekt onschuldigen konden tijdens het verhoor gaan geloven dat ze schuldig waren[2].

Hoewel er inderdaad grote economische crises waren in Europa tussen 1560 en 1680, wijst Klaits een relatie tussen de economische situatie en de intensiteit van de heksenjacht (zoals Dresen-Coenders die legt[3]) af omdat die relatie niet aan te tonen zou zijn.

Klaits onderschrijft het idee van Thomas dat veel bedelaressen het slachtoffer waren van de heksenwaan. Hij betwijfelt echter of het schuldgevoel (ontstaan door bedelaressen met lege handen weg te sturen) pas tussen 1500-1700 is ontstaan, zoals Thomas stelt[4]. Volgens Klaits was de maatschappij al in de 13e eeuw kapitalistisch en individualistisch en heeft een 'Gouden Tijd' van wederzijdse burenhulp in de feodale Middeleeuwen nooit bestaan.

Ook stelt Klaits dat niet de allerarmsten het meest van hekserij werden beschuldigd. Over hen was men het wel eens dat zij niet anders konden. Het was de groep daar net boven van wie men dacht "ga toch werken, net als iedereen" die het meest beschuldigd werd.

  • Voor het volk waren de bedelaressen en vroedvrouwen de ideale zondebokken voor de misère van alledag. Onbewust hadden de dorpelingen angst voor deze eenzame vrouwen, want eenzaamheid was hun grootste angst.
  • De autoriteiten hadden ook baat bij de hekserij. Want dat het volk leed, kwam niet omdat zij slechte bestuurders waren, maar omdat er 'demonische krachten' in het spel waren.
  • Wat rijkere keuterboeren die te gierig waren om bedelaressen iets te geven, konden dit rechtvaardigen door erop te wijzen dat de meeste bedelaressen in feite heksen waren.

Angst voor minderheden, voor de dood en voor de duivel[bewerken]

  • Na 1100 kwam er een groeiende angst voor minderheden.
  • Verder was er een groeiende angst voor de dood. Vanaf 1100 zag de welvarende elite de dood niet langer als een overgang uit een zeer onplezierig aards leven naar een betere wereld, maar als het einde van een prettig leven.
  • Daar kwam nog bij dat eerst alle gelovigen bij de wederkeer van Christus naar de hemel zouden gaan. Vanaf 1100 echter werd er steeds meer de nadruk gelegd op de laatste oordeel. Alleen wie goed had gedaan, mocht naar de hemel, wie kwaad had gedaan, moest naar de hel.
  • Na 1200 begon de geestelijkheid het volk grote angst in te boezemen voor de hel, de duivel en de zonde om hen op het rechte pad te brengen. De meeste mensen geloofden daardoor dat ze wel naar de hel zouden gaan. Daarom werd de angst voor de dood steeds groter.
  • Deze angst voor de dood werd nog verhevigd door het verschijnen van de builenpest die vanaf 1347 herhaaldelijk in Europa huishield tot 1720. De kerk zei dat de pest de straf van God was. Het volk zocht zondebokken en vond die in de Joden die massaal en op gruwelijke wijze vermoord werden. Heksen waren meestal sociaal dermate onbetekenend dat men meende dat ze alleen een enkel persoon kwaad konden doen en niet de hele maatschappij.

Angst voor minderheden, voor de dood en voor de duivel veroorzaakten het beeld van de heks.

Neoplatonisme[bewerken]

De geleerden hadden door de Renaissance kennis gemaakt met de werken van Plato en zijn wereld vol geesten en demonen (Neoplatonisme). De magie kwam een tijd in de belangstelling te staan op de universiteiten, maar ook de demonen en geesten van Plato werden uiteindelijk uitgelegd als zijnde des duivels. Een magiër kon wel beweren dat hij demonen (en mogelijk zelfs de duivel) alleen maar gebruikte voor goede doeleinden omdat hijzelf immers een goed mens was, maar de geleerden zeiden dat hij zich liet gebruiken dóór de duivel.

Rond 1560 begonnen de geleerden het oude volkssprookje van het vliegen naar de heksensabbat te gebruiken om de heksen ook nog te beschuldigen van vrijwillig seksueel verkeer met de duivel. Tevens werd de wettelijke weg (eerst accusatoir, daarna inquisitoir[5]) om heksen te executeren na 1520 veel makkelijker begaanbaar.

Vroedvrouw[bewerken]

De meeste mensen konden geen dokter betalen bij een bevalling en dokters keken meestal neer op dit werk. Verder mochten mannen zich niet met de bevalling bemoeien. Vroedvrouwen waren nodig maar werden ook geminacht en gewantrouwd.

10% van de vrouwen stierf in het kraambed. 16-30% van de nieuwgeborenen stierf voor het eerste levensjaar, (30% stierf voor het derde jaar, 52% voor het vijfde en 72% voor het vijftiende jaar). De ouders van een gestorven kind waren getraumatiseerd en hadden een schuldgevoel. De dood van hun kind zagen zij als de straf van God omdat ze iets verkeerds gedaan zouden hebben. De vroedvrouw werd dan vaak als zondebok aangewezen. Zij zou het kind gedood hebben en werd vervolgens aangeklaagd wegens hekserij.

Vroedvrouwen voldeden aan het stereotype van de heks. Ze waren arm, meestal alleenstaand en vrouw. Als ze dan door de jaren heen ook nog impopulair waren geworden door de onvermijdelijke hoge sterfte bij de geboorten, liepen ze net zo'n groot risico om te worden aangeklaagd als de ruziezoekende, iedereen vervloekende bedelares.

De vroedvrouw werd vervolgens onder marteling gedwongen om toe te geven dat zij een pact met de duivel had gesloten, dat zij moeders, ongeboren en pasgeboren baby's dood had getoverd, en dat zij naar de heksensabbat was gevlogen (met behulp van babyvet[6]) om daar babyvlees te eten.

De elite (de gegoede burgerij en de hogere geestelijkheid) was fanatiek bezig om zijn morele waarden op te leggen aan het volk. Vrouwen die kinderen kregen buiten het huwelijk werden door het gerecht bestraft. Geboortecontrole bestond echter nauwelijks en abortus was in die tijd gevaarlijk. De bevruchting en de geboorte van een kind konden dus niet verhinderd worden. Daarom gingen vrouwen hun buitenechtelijke kinderen soms doden na de geboorte. Overigens doodden ook getrouwde vrouwen hun kinderen wel, als zij te weinig geld hadden om ze op te voeden[7]. Vroedvrouwen hielpen waarschijnlijk vaak bij die kindermoord. Na 1450 moesten vroedvrouwen een eed afleggen dat ze geen enkele vorm van magie zouden toepassen bij de geboorte, geen kinderen zouden vermoorden en nieuwgeborenen meteen bij de pastoor zouden aangeven en laten dopen.

Vrouwbeeld[bewerken]

De vrouw werd als een inferieur wezen gezien. Moederschap en vooral maagdelijkheid waren haar beste kwaliteiten. Haar plaats in het huishouden was onder de man. Lichamelijkheid werd gezien als hinderlijk voor het zieleheil. Seksualiteit was alleen binnen het huwelijk toegestaan en dan nog alleen maar om kinderen te krijgen. De lustgevoelens van de man werden veroorzaakt door de verleidingskunsten van de vrouw. De vrouw werd een onverzadigbare wellust toegedicht. Zij bezweek eerder voor de verleidingen van de duivel dan de man. Weduwen en ongetrouwde vrouwen, dus vrouwen die het zonder de leiding van een man moesten stellen, vervielen eerder tot hekserij dan getrouwde vrouwen.

Noten[bewerken]

  1. Kindermoord in Toscane, 1300-1500.
  2. Martelen als Godsgericht.
  3. Dresen-Coenders: sociaal-economische problemen mede oorzaak heksenvervolging.
  4. Thomas: schuldgevoel jegens bedelares mede oorzaak heksenvervolging.
  5. Rechtsgang.
  6. Verkregen door baby's te koken, liefst ongedoopte jongetjes.
  7. Kindermoord in Toscane 1300-1500.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.