Sociale geschiedenis van Toscane (1300-1500)/Geboorte en opvoeding

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Het huis
  4. In en rond het huis
  5. Inrichting van het huis
  6. Het gezin
  7. Gezinsleven
  8. Huwelijk
  9. Sociaal netwerk
  10. Sociale contacten
  11. Conflicten
  12. Huispersoneel en slaven
  13. Geboorte en opvoeding
  14. Ouderdom, ziekte en dood
  15. Schilderkunst, brieven en kronieken
  16. Kleding
  17. Religie, magie en kerk
  18. Stadsbestuur
  19. Bronnen en links

13. Geboorte en opvoeding

Geboorte[bewerken]

Als een vrouw ging bevallen, kwamen familieleden, vriendinnen en buurvrouwen haar helpen: ze zongen vrolijke liedjes en maakten lekkere hapjes of een warm bad voor haar. Als het kind gedoopt werd, waren de familieleden daar niet bij maar wel de buren en de cliënten en zakenrelaties van haar man. Uit deze mensen werden ook meestal de peetouders gekozen. Later werd er een groot feest gegeven en kreeg de moeder cadeautjes.

Voedster[bewerken]

Bij de welgestelden kregen de pasgeboren kinderen niet de borst van hun moeder maar van een voedster. Slechts 25% van die voedsters woonde bij het echtpaar in huis. Doorgaans was de voedster een boerin[1] die ver van het huis af woonde. Slechts de helft van die 'uitwonende' kinderen ging na anderhalf jaar terug naar het gezin. De andere helft leefde dus langer dan anderhalf jaar bij een voedster ver van huis. Men kan zich afvragen hoe die boerin de kinderen opvoedde. De boerenbevolking had nogal een ander (en ruwer) idee over opvoeden dan de welgestelde burgerij in de stad. De welgestelden probeerden om een goede voedster te kiezen want die moest het kind melk geven, ervoor zingen om het in slaap te sussen en het leren praten. Ze werd zelfs geacht het gezicht van het kind in een betere vorm te kunnen kneden.

Wieg[bewerken]

Simone Martini, Augustinus wekt een uit zijn primitieve wieg gevallen kind tot leven, ca. 1328

Als de kinderen na hun tijd bij de voedster op zeer jonge leeftijd terug naar huis keerden, werden zij in een wieg[2] gelegd. In de veertiende eeuw was dit nog een eenvoudige houten bak die met touwen aan het plafond hing, vlak naast of boven een bed. Volgens de inventarislijsten uit die tijd bevonden wiegen zich niet vaak in de ouderlijke slaapkamer en bijna nooit in de slaapkamer van de moeder maar veel vaker in de gastenkamer, de bijkeuken of in een berghok. Het lijkt erop dat deze ruimtes dan tijdelijk als kinderkamer werden gebruikt.

Kindermoord en verstoting[bewerken]

In de tijd van de pestepidemieën tussen 1348-1430 heerste er bij de boerenbevolking en bij de arme bevolking in de steden een grote zuigelingensterfte. De pest maakte vooral slachtoffers onder de kinderen. Maar er was nog iets anders aan de hand. Vanaf ongeveer 1400 konden arme ouders de kinderen vaak niet meer voeden en werd kindermoord door verstikking 'normaal'. Ook werden er veel kinderen te vondeling gelegd en veel van die vondelingen stierven. Toen deze vondelingen na 1450 werden opgevangen in tehuizen, had dat tot gevolg dat er nog veel meer kinderen te vondeling werden gelegd. Er werden meer meisjes dan jongens vermoord en te vondeling gelegd, omdat men van jongens een groter economisch nut verwachtte. Daardoor ontstond er, vooral onder het volk, een mannenoverschot in die tijd.

Bij de welgestelden kon het hebben van kinderen ook wel eens een probleem veroorzaken. Een jonge weduwe met kinderen werd soms door haar familie onder druk gezet om te hertrouwen. Soms wilde ze dat zelf ook wel, maar haar eigen gevoelens negeerde men meestal. Maar vaak wilde haar tweede man de kinderen uit haar eerste huwelijk niet accepteren. De kinderen konden dan vermoord worden of te vondeling gelegd, maar het is aannemelijker dat de welgestelden naar humanere oplossingen zochten.

  • Als een welgestelde vrouw weduwe werd en wilde hertrouwen, dan liet ze de kinderen die nog bij de voedster waren bij haar. Een enkel kind zou zelfs twaalf jaar bij de voedster zijn gebleven.
  • Als de kinderen op het moment dat ze wilde hertrouwen niet meer bij de voedster waren, dan gingen ze vaak naar de familie van hun overleden vader.

Het is begrijpelijk dat sommige kinderen 'getekend' waren als de moeder het hardvochtig te vondeling had gelegd of als ze te lang bij een (vaak ruwe) voedster hadden moeten blijven.

Verder kon een kind een slechte jeugd doormaken door een vader die:

  • Erg vaak afwezig was.
  • De zaken van het kind verkeerd beheerde (bijvoorbeeld door al het geld uit te geven dat het kind verkregen had door te werken of door een erfenis)[3].
  • Vrede sloot met een vijandig geslacht. De zoon kon dan soms uit woede het huis verlaten.

Deze kinderen waren verbitterd, ongehoorzaam en opstandig: ze trapten overal tegenaan. Soms vervloekte de vader een dergelijk kind.

Kleuter[bewerken]

Zo snel als het kind enigszins kon lopen en praten, kreeg het een plaats in een bed, soms samen met broers en zussen, soms bij een van de ouders. Als de ouders minder welgesteld waren, kwam het in bed bij het hele gezin, soms sliepen er zes mensen in een bed. Het kind mocht weliswaar spelen en kreeg genegenheid, maar door op zeer jonge leeftijd met ouderen in één kamer of in één bed te slapen, werd het betrokken bij hun eventuele zorgen en verdriet. Hoe minder welgesteld het gezin was, hoe eerder er een einde kwam aan de zorgeloze jeugd van het kind. Bij de armen werden meisjes al tussen hun zesde en achtste uitbesteed als dienstmeisje.

Volgens de dominicaanse kardinaal Giovanni Dominici werd het kind verwend, gezoend, gewiegd en zong men er liedjes voor. Het werd een beetje bang gemaakt met verhalen over heksen en het had een hoop speelgoed (volgens sommige inventarisaties: hobbelpaarden, tamboerijnen en trommels, houten en aardewerken vogels) en de mooiste kleertjes die allemaal in de kisten lagen in de slaapkamer van de moeder. Mogelijk echter was dit een van de idealen van Dominici want alleen de kinderen van de zeer welgestelden hadden speelgoed. Bij de middenstanders hadden de kinderen het minder goed:

  1. De twee zoons van een bontwerker (toch een redelijk gezien ambacht) moesten volgens een inventarisatie samen één jas delen en vier zwarte tunieken waarvan er een met bont gevoerd was.
  2. De dochter van een gemeentelijke gerechtsdienaar had vier hemden, een jurk voor binnenshuis, twee eenvoudige tunieken en een rokje, alles van gewoon laken.

De allermeeste kinderen werden dus zeer waarschijnlijk niet verwend maar streng behandeld. De kleding van de kinderen van het gewone volk was armzalig en nergens wordt vermeld dat zij enig speelgoed zouden hebben.

Kind[bewerken]

Als jonge kinderen op straat speelden, gold er voor hen geen rang of stand. Ze vormden groepen: de brigate.

De intelligentie van het kind werd voornamelijk thuis gevormd en daarna op school. De meisjes gingen net zo goed naar school als de jongens. In 1338 waren er al kinderen van beide geslachten op de scholen van Florence. Het is niet bekend of die scholen gemengd waren. De vriendschappen die in de brigate en op school gesloten werden, konden een leven lang duren.

Een kind sprak allebei de ouders doorgaans met 'u' aan. Het kind moest onderdanig zijn, voor hen buigen en eerbiedig zwijgen als ze tegen hem spraken. Zijn vader moest het eerbiedig antwoorden met: "Messer, si". Hij moest rechtop staan met het hoofd nederig gebogen. Kinderen kregen met de stok als zij iets verkeerds hadden gedaan of het gezag van de vader waagden aan te tasten. Dominici achtte lijfstraffen onmisbaar voor een goede opvoeding van de kinderen en het grote publiek was het daarmee eens, hoewel slaan uit woede werd afgekeurd[4]. In de loop van de vijftiende eeuw zou de opvoeding echter wat toegefelijker worden.

Jongens[bewerken]

De vader was volgens moralisten als Palmieri verantwoordelijk voor de morele en intellectuele vorming van zijn zoon en daar moest hij niet (uit luiheid) mee wachten tot het kind 7 was geworden. De rijke ouders begonnen zich al vroeg met de opvoeding te bemoeien, zelfs al terwijl het kind nog bij de voedster was. Als een jongen 5 was, leerden de ouders het soms al de eerste beginselen van het lezen en schrijven. Als de jongen 7 was, kreeg hij al een leraar, soms zijn eigen vader, soms een oom, of een vriend van de vader. Sommige moralisten vonden het beter als de jongen naar een school ging, want daar vond hij kameraden onder zijn leeftijdsgenoten. Gaandeweg kregen de huizen meer kamers en die kamers werden rustiger omdat ze op slot konden. De huisvader kreeg in de palazzi van Florence, Milaan, Venetië, Napels en Rome een studeerkamer (studio) met schrijftafels, een lessenaar en zijn boekenverzameling. Deze studio was voor de vader bedoeld, maar zijn zoon mocht er ook komen. Als een jongen van een rijk gezin tussen de 10-15 jaar oud was, had hij soms wel 6 huisleraren, soms waren dat familieleden, soms geestelijken en soms bevriende professoren aan de universiteit (studio) van Florence. Die onderwezen hem wiskunde, kennis van de bijbel, Latijn en soms Grieks. De lessen waren ofwel buitenshuis ofwel bij de leerling thuis.

De jongen werd opgevoed in trouw aan zijn geslacht. Hij moest een beroep leren, liefst in de politiek. De lessen waren zelden theoretisch: alles werd in de praktijk geleerd.

Meisjes[bewerken]

De opvoeding van de meisjes was meestal minder hoog gegrepen. Veel moralisten waren het er zelfs niet mee eens dat meisjes naar school gingen. Dat was volgens hen nergens voor nodig, omdat meisjes later zouden gaan trouwen, kinderen krijgen en het huishouden doen. Een uitzondering maakten zij voor vrouwen uit de hogere milieus, want die legden bezoeken af met hun echtgenoot en zij ontvingen samen met hem bezoek en er werd van hen verwacht dat ze dan konden meepraten. Ook moesten zij de zaken van hun man kunnen waarnemen als deze op reis was. Deze vrouwen konden doorgaans heel goed schrijven en lazen graag boeken. In de vijftiende eeuw beheersten sommigen van hen het Latijn en een enkele zelfs het Grieks. Hetzelfde gold overigens voor veel nonnen.

Maar behalve de dochters van de zeer welgestelden en de novices, leerden meisjes alleen maar om kinderen op te voeden en het huishouden te doen. De vrouw moest verder leren om een geregeld, kuis en plichtsgetrouw leven te leiden en veel te bidden.

Jongeren[bewerken]

Veel jongens en meisjes moesten al in hun jeugd werken. Meisjes van 7 moesten bijvoorbeeld boodschappen gaan doen en die de trappen opdragen. Op hun dertiende moesten ze in de keuken werken: brood bakken, koken, de was doen, bedden opmaken, naaien en borduren. En dat ging in de gezinnen van de rijke kooplieden, edelen en patriciërs precies hetzelfde. De jongens moesten als kind boodschappen doen, maar het kon ook wel eens gebeuren dat ze, in tijden van nood, al op hun twaalfde een heel gezin van 20 personen moesten onderhouden.

De ouders hielden toezicht op de kinderen, voor alles moesten zij toestemming geven en altijd hadden zij het laatste woord, vooral als het om hun dochters ging. Of ze een eigen bed kregen of een eigen slaapkamer, of daar een slot op mocht, hoe zij hun haren droegen. De vader stelde de grootte van de bruidschat van zijn dochters en zelfs van zijn kleindochters vast.

Met wie de kinderen trouwden, besliste voornamelijk de familie. De persoonlijke wensen van de kinderen werden meestal genegeerd. Jongens uit rijke gezinnen trouwden niet graag want dat kostte teveel geld en leverde teveel moeilijkheden op. Deze jongens werden vaak overgehaald met argumenten, beloningen en leugentjes. Als een meisjes echter niet wilde trouwen, kreeg ze een hoop verwijten en pesterijen over zich heen. Zo werd haar bijvoorbeeld haar eigen kamertje weer afgenomen of het slot werd van de deur afgehaald of ze werd tot keukensloof gedegradeerd. Zij werd tot een huwelijk gedwongen want de familie wilde een gunstige huwelijksverbintenis met een voorname schoonzoon. En als het meisje toegaf aan die dwang om te trouwen, dan moest de familie daarna nog bepalen met wie. En dat gaf verdere discussies, woedeuitbarstingen en huilbuien.

Wat de jongens betrof, besliste de vader wat voor beroep ze gingen uitoefenen, hij sloot voor hen een leercontract met een winkelier, ambachtsman of koopman. Wat een jongen ook voor beroep had, wat hij ook verdiende, erfde of kreeg: het werd allemaal door zijn vader beheerd. Gaandeweg de veertiende en vijftiende eeuw verloor deze 'patria potestas' echter zijn scherpe kantjes.

Privéleven[bewerken]

Op zijn veertiende mocht een jongen volgens de wet zelfstandig of met anderen verantwoordelijkheden op zich nemen, bijvoorbeeld in de dorpsvergadering. Op het platteland werden de zoons vaak betrokken bij het opstellen van de pachtcontracten en bij het beheer van de boerderij. Een enkele keer lukte het de jongens om binnen het gezin een beetje zelfstandig te mogen zijn en zelfs betrokken te worden bij de uitoefening van het vaderlijke gezag. Als een van hun zusters ging trouwen dan lieten zij duidelijk hun stem horen omtrent de keuze van de kandidaat.

De jongens verwierven soms een zeker privéleven. En dat ging beter als ze steun van buiten kregen door zich aan te sluiten bij groepen als broederschappen en jongerengroepen of als ze samen met leeftijdsgenoten hun leertijd in een winkel of werkplaats hadden. Die groepen hadden eigen rituelen en schopten wel eens herrie. Als ze stadsbewoners waren, groeiden ze op deze manier geleidelijk in het grotere collectief van de stad: ze emancipeerden. Meisjes konden alleen maar emanciperen in een spirituele en mystieke wereld. Ze weigerden dan om te trouwen en gingen voortdurend bidden en mediteren.

Een privéleven was voor jongeren niet vanzelfsprekend:

  • Alleen ongetrouwde jongeren van heel rijke gezinnen (adel, patriciërs, doktoren, notarissen, rechters, kooplieden) hadden vaak een eigen bed in een eigen kamer.
  • In de middenklasse (ambachtslieden, winkeliers, handelaren) konden jongeren wel vaak een eigen bed 'veroveren' maar dat bed stond dan meestal in een slaapkamer met meerdere bedden[5].
  • Bij het gewone volk (handwerkslieden, arbeiders, pachters) sliepen kinderen vaak in een bed met broers en zussen. Het is niet ondenkbaar dat het tot seksuele gemeenschap kwam tussen broer en zus.
  • De arme gezinnen op het platteland sliepen meestal allemaal in hetzelfde bed (van circa 3 meter breed) en soms hadden zij niet eens een bed en sliepen op strozakken.

Noten[bewerken]

  1. Bijvoorbeeld de vrouw van een van de pachters die een boerderij van de familie had gepacht.
  2. De wieg was er in verschillende maten. In de grootste kon een kind van ca. 2 1/2 jaar.
  3. Patria potentas
  4. Nu had Dominici goed praten: hij beschreef waarschijnlijk de toestand zoals hij die graag wilde zien maar daarmee is niet gezegd dat iedereen zijn ideeën ook precies zo in de praktijk bracht.
  5. Een verver had 25 kinderen en een dochter (zijn 24ste kind) had vanaf haar veertiende een eigen bed.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.