Heksenvervolging in Europa (1300-1720)/Martelen

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Begin
  3. Rechtsgang
  4. Toename
  5. Reformatie en protestantisme
  6. Heksensabbat
  7. Waterproef
  8. Martelen
  9. Wurgen en verbranden
  10. Hoogtepunt
  11. In Europa en Amerika
  12. In Nederland
    1. Amersfoort en Utrecht
    2. Asten
    3. Roermond
  13. Ontstaan
    1. Dresen-Coenders
    2. Keith Thomas
    3. Joseph Klaits
  14. Verheviging
    1. Dresen-Coenders
    2. Joseph Klaits
  15. Aflopen
    1. Dresen-Coenders
    2. Keith Thomas
    3. Joseph Klaits
  16. Malleus maleficarum
  17. Bronnen en Links

Marteling, 1577

8. Martelen

Vanaf 1375 martelde de inquisitie heksen om hen te laten bekennen. In de Malleus maleficarum (1486) werd martelen aanbevolen want de duivel zou de heks helpen om te zwijgen. Toen na 1520 ook de wereldse gerechten grotendeels overgingen van het accusatoire naar het inquisitoire recht[1], werden heksen ook door de wereldse autoriteiten gemarteld. Aanvankelijk waren er in de wet nog een aantal beveiligingen ingebouwd tegen willekeurig gebruik van de marteling. Deze beveiligingen vervielen echter na 1560.

Meer martelen na 1560[bewerken]

Op het continent begon marteling bij elk crimineel onderzoek normaal te worden. Het was een manier waarop de staat steeds meer controle over de bevolking kon krijgen. Er kwamen openbare ophangingen, onthoofdingen en vierendelingen. Een pijnlijke, gewelddadige en gruwelijke dood in het openbaar werd normaal.

In Engeland, waar men vasthield aan de accusatoire rechtspraak, was het martelen van vermeende heksen formeel verboden, hoewel men de beschuldigden soms sloeg en hen slaap en eten onthield.

Marteling was na 1560 al toegestaan als de rechter het waarschijnlijk achtte dat de beklaagde schuldig was. Soms was de verklaring van één ooggetuige al voldoende. Maleficiën waren echter moeilijk te bewijzen want die waren op bovennatuurlijke wijze gepleegd dus daar konden geen ooggetuigen van zijn. En aangezien er geen ooggetuigen van kònden zijn, besloot de rechter vaak dat er dan ook geen oogetuigen van hòefden te zijn. Dus bij een aanklacht van hekserij werd de beschuldigde vaak zonder meer gemarteld.

Bijna alles was een reden om de heks te martelen: als ze niet kon huilen, als ze angst toonde, als ze vloekte, als een van haar ouders al eerder als heks veroordeeld was, als er geroddel was in het dorp, als ze wratten had. Want dit waren allemaal aanwijzingen dat ze schuldig was.

De rechters wilden van de vrouwen een echte bekentenis en een echte spijtbetuiging, want dan zou hun ziel gered zijn van de eeuwige verdoemenis. Het martelen was bedoeld voor de duivel en niet voor de vrouwen. Veel rechters waren mogelijk werkelijk begaan met het zieleheil van de heks. Hun bezorgdheid en zelfs troost kwamen pas na de bekentenis en waren dus niet bedoeld om de heksen een bekentenis te ontlokken. Veel beschuldigden gingen zelf geloven dat ze echt schuldig waren. Mogelijk was er sprake van hersenspoeling.

Graden van marteling[bewerken]

De marteling werd in een aantal graden van zwaarte ingedeeld:

  1. De laagste graad van marteling was: de duimschroeven aandraaien of nagels uittrekken.
  2. De tweede graad was: uitrekken op de pijnbank.
  3. De derde graad was: de handen of benen verbrijzelen. Een andere methode was om de beschuldigden op te hangen aan de handen die achter de rug samengebonden waren. Daarbij waren er gewichten aan de voeten gehangen en liet men de beschuldigden herhaaldelijk op de grond vallen.

Er waren overigens nog ontelbaar vele andere vormen van marteling. Vaak was dreigen met marteling al voldoende om de beschuldigde heks alles te laten bekennen wat men van haar horen wilde.

Massaprocessen[bewerken]

Na 1560 beschuldigde men de heksen er ook van dat zij meegedaan hadden aan heksensabbatten. Door de heksen te martelen kon men hen de namen van zogenaamde andere deelnemers aan die sabbatten ontfutselen. Op die manier ontstonden reeksen van processen en massaprocessen.

De heksen konden echter niet zomaar wat namen noemen: vaak werden ze net zo lang gemarteld tot ze de namen noemden die de rechters graag wilden horen. De bewakers verkochten hen soms de namen die ze noemen moesten om hun marteling te beëindigen en te kunnen sterven.

Vaak werden de vrouwen in de gevangenis verkracht door de bewakers onder de valse belofte dat ze dan niet gemarteld zouden worden.

In een massaproces begon men meestal met de zwaksten (kinderen en oude vrouwen) te martelen, want als die bekenden, hoefde men de anderen niet meer te martelen.

Martelen als Godsgericht[bewerken]

Martelen werd soms gezien als een soort Godsgericht waarbij God de onschuldige zeker zou sparen. Velen bekenden waarschijnlijk om zich verdere pijn te besparen, maar het is ook mogelijk dat veel beschuldigden werkelijk in hun eigen schuld begonnen te geloven omdat ze merkten dat God hen niet tegen de pijn beschermde en hen dus schuldig achtte. De gedachte dat God niet bestond konden zij zichzelf niet toestaan en dus geloofden ze dat ze dan wel schuldig moesten zijn. Hun straf moest dan wel gerecht zijn en het is voorgekomen dat heksen die tot de brandstapel waren veroordeeld hun rechter daar huilend voor dankten.

Dat zou ook kunnen verklaren waarom weinig beschuldigden hun bekentenis herriepen. Er zijn echter ook nog andere verklaringen mogelijk voor het feit dat maar zeer weinig veroordeelden hun bekentenis herriepen:

  • Bij herroeping volgde er meestal wel een volgende marteling.
  • Misschien hadden sommige beschuldigden geheime, wraaklustige gedachten gekoesterd jegens een dorpsgenoot waar zij ruzie mee hadden. En als deze dorpsgenoot later was overleden, gingen ze misschien (door de marteling) denken dat zij hem met hun gedachten hadden gedood.
  • Misschien hadden sommige beschuldigden overspel gepleegd en waren ze (door de marteling) gaan geloven dat ze in feite geslachtsgemeenschap met de duivel hadden gehad.
  • Mogelijk was er sprake van hersenspoeling en werd het idee dat God hen schuldig achtte of dat zij met hun gedachten werkelijk iemand gedood hadden, of dat zij gemeenschap met de duivel hadden gehad, gesuggereerd door de rechters en beulen.

Toch waren degenen die bekenden heks te zijn lang niet altijd gemarteld. Er waren ook volledig vrijwillige bekentenissen. Mogelijke (moderne) verklaringen zijn, dat men dat deed:

  1. Om de aandacht te trekken.
  2. Om met zichzelf in het reine te komen na een langdurige, geheime vijandigheid tegenover dorpsgenoten.
  3. Omdat ze zich depressief en waardeloos voelden.
  4. Om hun onschuld aan te tonen legden zij soms gedeeltelijke bekentenissen af.

Rechters waren niet geïnteresseerd in de waarheid. Ze hadden (al vóór 1600) gestandaardiseerde vragenlijsten en de slachtoffers moesten vaak (onder marteling) net zo lang raden tot hun antwoord de rechter bevredigde. Waarschijnlijk bekende de beschuldigde vaak om van de pijn af te komen. De rechters waren verstrikt in een soort mystiek die de marteling rechtvaardigde omdat er een hoger doel zou zijn: het reinigen van de wereld voor de wederkomst van Christus en het redden van de ziel van de heks.

Noten[bewerken]

  1. Overgang accusatoire naar inquisitoire rechtspraak.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.