Heksenvervolging in Europa (1300-1720)/Heksenvervolging in Nederland/Heksenprocessen te Asten (1595)

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Begin
  3. Rechtsgang
  4. Toename
  5. Reformatie en protestantisme
  6. Heksensabbat
  7. Waterproef
  8. Martelen
  9. Wurgen en verbranden
  10. Hoogtepunt
  11. In Europa en Amerika
  12. In Nederland
    1. Amersfoort en Utrecht
    2. Asten
    3. Roermond
  13. Ontstaan
    1. Dresen-Coenders
    2. Keith Thomas
    3. Joseph Klaits
  14. Verheviging
    1. Dresen-Coenders
    2. Joseph Klaits
  15. Aflopen
    1. Dresen-Coenders
    2. Keith Thomas
    3. Joseph Klaits
  16. Malleus maleficarum
  17. Bronnen en Links

Kaartje met Asten, Mierlo, Lierop en Leende

12.2. Heksenprocessen te Asten (1595)

Deze reeks van heksenprocessen in Asten die rond 1595 gevoerd werd, vormde een onderdeel van een grotere reeks processen in de Peel en de Meierij van 's-Hertogenbosch. Dit gebied viel onder het gezag van Brussel.

Deze processen werden toentertijd als zijnde onrechtmatig gezien. Mede daardoor waren ze de aanleiding tot het aanscherpen van de rechtsregels bij heksenprocessen en het afschaffen van de waterproef.

De beschuldigden werden tijdens deze processen aan de waterproef onderworpen. Als ze die niet doorstonden, werden ze gemarteld. Vaak bekenden ze echter al vóór de marteling. Er stierven ook mensen tijdens de foltering. Ook werden de beschuldigden tijdens de marteling gedwongen om toe te geven dat zij een ketters verbond met de duivel hadden gesloten en zelfs geslachtsgemeenschap met hem hadden gehad en met hem hadden gedanst tijdens de heksensabatten, samen met andere heksen. Zij werden gedwongen om de namen van die andere heksen te noemen. Hierdoor ontstond een keten van processen. In Asten waren de beschuldigden niet alleen armlastige en onpopulaire vrouwen, maar er waren er ook van goede naam en zelfs bemiddelde mensen. Deze laatsten konden zich voor grof geld vrijkopen. Zeker 19 mensen zouden geëxecuteerd zijn.

Inquisitie[bewerken]

In 1592 had koning Filips II van Spanje een waarschuwing doen uitgaan wegens toegenomen hekserij en de kerkelijke en wereldlijke overheden opgeroepen om de toverij uit te roeien. Ook moesten zij niet meer wachten op aanklachten vanuit het volk (accusatoir recht) maar zelf actief zoeken naar verdachte personen (inquisitoir recht). Deze raad werd door de autoriteiten opgevolgd en er werden in de Peel vele heksen opgepakt.

Processen elders in het Peelland[bewerken]

Heksen bezig met babies te koken om aldus vliegzalf te bereiden

Jenneke Goessens uit Leende werd van hekserij beschuldigd. Bij de waterproef bleef ze drijven, waarmee haar schuld vaststond. Bij het verdere verhoor werd zij gedwongen om de namen van andere heksen te noemen, waarop acht arrestaties in Mierlo en zeven in Lierop volgden. Binnen een week werden de vonissen uitgevoerd. De vrouwen werden eerst gewurgd en daarna verbrand, mogelijk bij de Hoenderboom op de Strabrechtse Heide.

Griet Mijnsheren, een demente vrouw die men had beschuldigd van het bewaren van een pot met babyvet, werd zelfs niet eerst gewurgd maar levend verbrand. Het babyvet (gemaakt door het koken van pasgeboren en ongedoopte jongetjes) zou door de heksen gebruikt worden in de vliegzalf waarmee ze naar verafgelegen heksensabatten zouden kunnen vliegen.

Processen te Asten[bewerken]

Praetorius, heksensabbat op de Bloksberg

De beschuldigden uit Lierop en Mierlo hadden onder foltering de namen genoemd van twee mannen uit Asten, namelijk Claes Beusen en Peter Ceelen en van twee vrouwen: Goedele Diepenbeek-Zanders en Anna Ceelen.

De nieuwbakken kasteelheer van Asten, Bernard van Merode kwam in actie en liet hen gevangen nemen. Zij werden aan de waterproef onderworpen. Peter Ceelen ging onder en werd vrijgelaten. Claes Beusen en de twee vrouwen bleven drijven en werden gefolterd. Zij gaven daarbij drie andere vrouwen aan. Anna Ceelen stierf op het kasteel aan de gevolgen van de foltering.

Deze drie vrouwen waren echter van goede naam en niet onbemiddeld. Mogelijk was Bernard de Merode uit op confisquatie van hun bezit.

Jutta Verschueren, de dienstmeid van de pastoor van Mierlo, werd opgepakt. Zij zou een kind behekst hebben door het te liefkozen. De heer van Mierlo (Erasmus van Grevenbroek) zou zij hebben willen beheksen door middel van de peren die zij hem gegeven had. Tijdens de pijnlijke ondervraging (marteling) gaf zij toe een verbond met de duivel te hebben gesloten en noemde zij de namen van diverse Bossche vrouwen, waarmee ze tijdens de heksensabatten gedanst zou hebben. Ook noemde zij de namen van enkele vrouwen uit Mierlo. Ook dezen werden gefolterd en noemden weer nieuwe namen.

De pastoor van Mierlo probeerde zijn dienstmeid Jutta en de andere gevangenen te helpen. Hij is op het kasteel in Mierlo geweest en kreeg van een gevangene te horen: Lieve heere pastoir, zij hebbe me zoe gequelt, dat ik u maecht (dienstmeid) Jutta noemen zoude, maer ick en hebbe nyet gedaen. Na twaalf dagen mocht Jutta gaan, maar haar rechterarm kon ze nooit meer gebruiken.

Alle beschuldigden bleven drijven bij de waterproef behalve een vrouw en Peter Ceelen. Dezen werden vrijgelaten. De anderen werden gemarteld. Allen bekenden geslachtelijke gemeenschap met de duivel (in de gedaante van een man dan wel een vrouw) te hebben gehad en tijdens heksensabatten gedanst te hebben met de duivel. Naar verre dansplaatsen waren zij gevlogen met behulp van vliegzalf. Verder bekenden zij allerlei schadelijke toverijen aan mensen, dieren en gewassen te hebben bedreven.

Vóór de terechtstelling van de beschuldigden kwamen er mensen uit de streek om te vragen of de heks henzelf, hun kinderen, dieren of gewassen wilde zegenen (ontheksen). Het gebeurde wel vaker dat mensen rond de tijd van de gevangenneming van de heks en zelfs nog vlak voor haar terechtstelling naar haar toe gingen, om ontheksing te eisen. Als de heks daar aan toegaf, bekende ze feitelijk dat zij de schadelijke beheksing had verricht.

Aanklagers[bewerken]

Tijdens de processen van Asten waren de aanklagers: de heer van Mierlo (Erasmus van Grevenbroek), zijn zwager de heer van Asten (Bernard van Merode) en diens broer (Floris van Merode).

De goederen waarover de beschuldigden beschikten, werden verbeurd verklaard en kwamen in handen van deze heren. Mogelijk was de heer van Asten uit op confisquatie van het bezit van de beschuldigden. De meeste beschuldigden bezaten weinig tot niets maar sommigen hadden een goede naam en enkelen waren zelfs rijk. Deze laatsten konden zich voor grof geld vrijkopen. De pastoor van Geldrop vond Bernard van Merode eenen schelm, tiran ende beul.

Afloop[bewerken]

De pastoor van Mierlo was ontzet over de gang van zaken. Hij ging naar bisschop Ghisbertus Masius van 's-Hertogenbosch. Deze alarmeerde de Bossche Schepenbank. De schepenen voorkwamen dat er nog meer doodvonissen werden uitgesproken. Het definitieve vonnis over de nog niet terechtgestelde beschuldigden legden zij voor aan een hogere rechtbank te Cuyck. Tevens werd een klacht gedeponeerd bij de Raad van Brabant te Brussel. Deze stuurde een afgevaardigde naar den Bosch om de zaak te onderzoeken. Bernard van Mérode werd op het matje geroepen. Hij vond de argumenten van de geestelijke en wereldse autoriteiten falselijck ende onrechtveerdigh, en vond dat de Raad zich niet mocht bemoeien met mich ende mijnder heerlijckheid.

Per koninklijke ordonnantie uit naam van Filips II werd de waterproef verboden. Kort daarop liet de heer van Asten degenen die nog niet terecht gesteld waren, op borgtocht vrij. De heer van Asten had aan universiteiten gestudeerd dus waarschijnlijk wist hij dat er bezwaren waren tegen de waterproef. Maar hij beriep zich op het feit dat deze in 1581 in delen van Duitsland weer was ingevoerd. Het jaar 1595 markeerde het einde van de heksenprocessen in Brabant.

De archiefstukken omtrent deze processen zijn verdwenen. Slechts een dossier in het archief van de Raad van Brabant te Brussel bleef bewaard.

De waterproef[bewerken]

De beschuldigden werden daarbij geboeid in een bak met water gedaan en als ze bleven drijven, waren ze verdacht en werden ze gemarteld (pijnlijke ondervraging) en als ze zonken werden ze vrijgelaten. Meestal zaten ze aan een touw vast om te verhinderen dat ze zouden verdrinken. In sommige dorpen in Nederland zijn op grond van de waterproef 40 tot 50 heksen verbrand. De waterproef werd in 1593 in Holland verboden. Het gezag in Brussel en den Bosch verbood de waterproef rond 1595. Men vond namelijk dat de waterproef zelf een vorm van toverij was waar de rechtspraak niet van afhankelijk mocht zijn. Ook zou hij onrecht doen aan oude en verdwaasde vrouwen en men begreep wel, dat juist dezen vaak van hekserij beschuldigd werden. In de Malleus maleficarum was rond 1480 al afgerekend met de vuurproef.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.