Naar inhoud springen

Duits/Les 7

Uit Wikibooks

Duits

Inleiding
Lessen
Grammatica naamvallen
Grammatica Naamwoorden
Grammatica Werkwoorden
Toetsen
Overig
 Zie Duits/Grammatica/Werkwoorden
<Inhoudsopgave - Les 6 - Les 7 - Les 8>

Tegenwoordige tijd

[bewerken]

De regelmatige vervoeging gaat als volgt:

Sagen Zeggen
Ich sage Ik zeg
Du sagst Jij zegt
Er/Sie/Es sagt Hij/Zij/Het zegt
Wir sagen Wij zeggen
Ihr sagt U zegt, Jullie zeggen
Sie sagen Zij zeggen, U zegt•
Man sagt Men zegt

Sie sagen met Sie met een hoofdletter betekent: u zegt. sie sagen in een zin (niet aan het begin) met sie met een kleine letter betekent: zij zeggen.

Er zijn echter een aantal werkwoorden met een onregelmatige vervoeging. Dit zijn de belangrijkste:

Sein

[bewerken]
Sein Zijn
Ich bin Ik ben
Du bist Jij bent
Er/Sie/Es ist Hij/Zij/Het is
Wir sind Wij zijn
Ihr seid U bent, Jullie zijn
Sie sind Zij zijn, U bent
Man ist Men is

Können

[bewerken]
Können Kunnen
Ich kann Ik kan
Du kannst Jij kunt
Er/Sie/Es kann Hij/Zij/Het kan
Wir können Wij kunnen
Ihr könnt U kunt, Jullie kunnen
Sie können Zij kunnen, U kunt
Man kann Men kan

Haben

[bewerken]
Haben Hebben
Ich habe Ik heb
Du hast Jij hebt
Er/Sie/Es hat Hij/Zij/Het heeft
Wir haben Wij hebben
Ihr habt U heeft, Jullie hebben
Sie haben Zij hebben, U heeft
Man hat Men heeft

Werden

[bewerken]
Werden Worden èn Zullen
Ich werde Ik word/zal
Du wirst Jij wordt/zult
Er/Sie/Es wird Hij/Zij/Het wordt/zal
Wir werden Wij worden/zullen
Ihr werdet U wordt/zult, Jullie worden/zullen
Sie werden Zij worden/zullen, U wordt/zult
Man wird Men wordt/zal
<Inhoudsopgave - Les 6 - Les 7 - Les 8>
Informatie afkomstig van Wikibooks NL, een onderdeel van de Wikimedia Foundation.