Duits/Les 2

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Inleiding
  1. Inhoud
Lessen
  1. Alfabet, geslacht en getallen
  2. Ontmoeting, handige woorden
  3. De klok, de week, het weer, groeten
  4. Het weer verder
  5. Dagen
  6. Maanden
  7. Sagen, sein, können, haben: tegenwoordige tijd
Grammatica Naamvallen
  1. Der Nominativ
  2. Der Genitiv
  3. Der Dativ
  4. Der Akkusativ
  5. Samenvattende tabel lidwoorden
Grammatica Naamwoorden
  1. Zelfstandig naamwoord en co
  2. Geslacht van het zelfstandig naamwoord
  3. Meervoud van het zelfstandig naamwoord
  4. Lidwoord
  5. Bezittelijk voornaamwoord
  6. Aanwijzend voornaamwoord
  7. Bijvoeglijk naamwoord
  8. Persoonlijk voornaamwoord
Grammatica Werkwoorden
  1. Werkwoorden
  2. HabenSeinWerden
  3. Klankwissel in de stam in de tegenwoordige tijd
  4. Regelmatig (zwak) in de tegenwoordige tijd
  5. Voltooid deelwoord
  6. Modale werkwoorden
  7. Scheidbare werkwoorden
  8. Lijdende vorm
  9. Konjunktiv
Toetsen
  1. Toetsenbank Duits
Overig
  1. Zinsbouw
  2. Platform voor leraren
Auteurs
  1. Ischa1
  2. Bdcooman
  3. en vele anderen


<Inhoudsopgave - Les 1 - Les 2 - Les 3>

In deze tweede les leer je hoe je je kunt voorstellen, niet moeilijk. In de vorige les heb je het alfabet geleerd.

Ontmoeting[bewerken]

Stel je voor: je wandelt in Duitsland en komt een vriendelijk jongetje tegen, die zegt: "Hallo, ich bin Jens. Wie heißt du?" (Hallo, ik ben Jens. Hoe heet jij?)

Dan kun jij zeggen: "Ich heiße (hier jouw naam)". Misschien wil Jens weten waar je woont, stel in Amsterdam.

Jens: Wo wohnst du? (waar woon je?)
Jij: Ich wohne in Amsterdam. Das liegt in Holland. Und du? (ik woon in Amsterdam. Dat ligt in Nederland. En jij?)
Jens: Ich bin aus München. (ik kom uit München)

Handige woorden[bewerken]

De klemtoon is vet aangegeven.

  • Ja - ja
  • Nein - nee
  • Wie geht es? of Wie geht's - hoe gaat het?
  • das Mädchen - het meisje
  • (die) Frau - (de) mevrouw, vrouw
  • (der) Herr - (de) meneer
  • der Mann - de man, Mann - men
  • der Junge - de jongen
  • Guten Tag - goedendag
  • Tschüss! - doei!
  • Auf Wiedersehen - tot ziens
  • Bis bald - tot gauw
  • Wie - hoe
  • Was - wat
  • Wer - wie
  • Wann - wanneer; tijdsaanduiding
  • Wenn - wanneer; als
  • Wo - waar
  • Welche - welke
  • Warum - waarom
  • Holland - Nederland
  • Deutschland - Duitsland
  • Belgien - België
<Inhoudsopgave - Les 1 - Les 2 - Les 3>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.