Sociale geschiedenis van Toscane (1300-1500)/Religie, magie en kerk

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Het huis
  4. In en rond het huis
  5. Inrichting van het huis
  6. Het gezin
  7. Gezinsleven
  8. Huwelijk
  9. Sociaal netwerk
  10. Sociale contacten
  11. Conflicten
  12. Huispersoneel en slaven
  13. Geboorte en opvoeding
  14. Ouderdom, ziekte en dood
  15. Schilderkunst, brieven en kronieken
  16. Kleding
  17. Religie, magie en kerk
  18. Stadsbestuur
  19. Bronnen en links

17. Religie, magie en kerk

Vittore Carpaccio, 1493, vrouwen op bedevaart ontmoeten de paus
Carpaccio, 1431, Sint Antoninus wordt door duivels geslagen

Religie[bewerken]

Vrijwel iedereen was godsdienstig. De armen hadden medaillons en gewijde palmtakken in hun huis opgehangen. De rijken hadden rozenkransen van amber, kruisbeelden, godsdienstige boeken en afbeeldingen van Maria in hun slaapkamers neergezet, zelfs in de slaapkamers voor de gasten en de dienstmeisjes. In de woonkamer stonden meestal geen religieuze attributen, maar hier kwam het hele gezin wel eens bij elkaar om te luisteren naar de vader die dan uit godsdienstige boeken voorlas. De kinderen leerden al vroeg de christelijke gebeden.

De onzekerheden van het leven, de zorgen, de pijn en de dood werden toegeschreven aan de voorzienigheid Gods. Daarom vroeg men Hem om Zijn mededogen. Voor de overledenen bad men en hield men missen. Daardoor, zo dacht men, zouden ze uit het vagevuur (men dacht dat de meeste overledenen naar het vagevuur zouden gaan[1]) naar de hemel gaan, zeker de onschuldig gestorven kinderen. Het geloof in de hemel bleef op deze manier levend.

Artsen[bewerken]

Bron van dit hoofdstuk: Keith Thomas, Religion and the decline of magic.

Alleen de welgestelden in de steden konden zich een arts veroorloven als ze ziek waren. Hoewel veel artsen hun tarieven verlaagden voor de minder rijken, maakten dezen daar slechts zelden gebruik van. Op het platteland waren er nauwelijks artsen. Zij konden nog niet veel uitrichten. De meesten gingen uit van de theorieën van Galenus, die inhielden dat de vier lichaamssappen of humores: slijm, bloed, gele gal en zwarte gal in evenwicht moesten zijn, omdat er anders een ziekte zou ontstaan. Hun therapeutische middelen beperkten zich voornamelijk tot: aderlaten, een dieet, de patiënt laten braken en het spoelen van zijn darmen door middel van klysma's. De opleiding van de artsen was nagenoeg geheel theoretisch, pas Paracelsus zou hier verandering in aanbrengen.

De barbier (de kapper) verrichte ook aderlatingen tegen een schappelijkere prijs. De barbier (en na 1600 de chirurgijn) verrichtte operaties onder een primitieve vorm van narcose, met niet-gesteriliseerde instrumenten en zonder antibiotica tot zijn beschikking te hebben. De mensen waren doodsbang voor deze operaties en maar weinigen overleefden ze. De meeste mensen vonden dat de maatschappelijke positie van artsen en opererende barbiers ergens tussen de straatvegers en de slagers in lag.

Natuurlijk waren er tevens boeken met huismiddeltjes in omloop zoals de tacuinum sanitatis, 1390-1400. Daar stond bijvoorbeeld in dat latuw (sla) zou helpen tegen slapeloosheid en gonorroe. Maar men dacht dat het gebruik van sla de paring en het gezichtsvemogen zou schaden. Die bijwerking zou men echter kunnen opheffen door selderij aan de latuw toe te voegen.

Rond 1500 vond de arts en onderzoeker Paracelsus het medicijn laudanum uit, een mengsel van wijn, 10% opium en eventueel bilzekruid. Dit vermeende wondermiddel is tot in de negentiende eeuw populair geweest.

Brillen[bewerken]

Vanaf 1280 werd er in Italië melding gemaakt van lenzen die gebruikt werden om het gezichtsvermogen te verbeteren. Aanvankelijk bevond de lens zich in een standaard die met de hand werd vastgehouden. De op de neus geklemde bril met twee glazen kwam wat later. De eerste brillen waren voor vérziende mensen, vooral oudere monniken die moeite hadden met het lezen.

Magie[bewerken]

Magie kan gedefinieerd worden als het met de gedachten beïnvloeden van mensen, dieren, planten en hun (levens)processen. Men dacht dat dit ten goede en ten kwade gebruikt kon worden: er zou witte en zwarte magie zijn.

Op bezems vliegende heksen, 1451

Witte magie[bewerken]

Veel mensen zochten hun toevlucht bij magiërs (vrouwelijke en mannelijke tovenaars[2]) die gebruik maakten van kruiden, drankjes en (uitgesproken of opgeschreven) bezweringen. Elk dorp had wel een of meer van die magiërs en die werden meestal door de wereldse en kerkelijke autoriteiten met rust gelaten.

Zwarte magie[bewerken]

De kerk maakte zich meer zorgen over de zwarte magie die mensen soms op elkaar uitoefenden, zelfs op kinderen (mal occhio)[3]. Zo legde men knopen in veters om een man impotent te maken, gebruikte men liefdesdrankjes en bezweringen om een man aan zich te binden, zou men processen als bier- en kaasmaken laten mislukken, mensen en dieren ziek maken, de oogst laten mislukken en hagelbuien veroorzaken.

Toch zou het nog tot bijna 1400 duren voordat er sprake was van een enigszins systematische vervolging van de vermeende zwarte magiërs[4]. Deze heksenvervolging zou na 1500 vooral in Duitsland maar ook in Frankrijk ernstige vormen gaan aannemen[5].

De kerk[bewerken]

Maar magie was niet de grootste zorg van de kerk in Italië. Ze was veel meer bezorgd over het zedelijk leven. Door huwelijksfeesten, doopplechtigheden, banketten en openbare feesten werd men volgens de kerk vaak zelfingenomen, ijdel, behaagziek en het slachtoffer van opwinding en begeerte.

En niet alleen bij die gelegenheden. Alle mensen konden elke dag onfatsoenlijke gesprekken voeren en 'verkeerde' mensen ontmoeten, vooral de jongens met hun dubieuze vrienden. Zelfs onschuldige ontmoetingen wekten de zintuigen.

Zintuigen[bewerken]

  1. De geur veroorzaakte niet zoveel problemen in de ogen van de kerk.
  2. De ogen echter waren 'pijlen der liefde' en daarmee 'pijlen des doods'. Een schilderij kon al een zondige prikkel geven, laat staan vrouwen op straat. Beter was het om de ogen af te wenden.
  3. De oren lieten de mens vlijerijen horen, gefluisterde of gezongen schuine grappen. Men kon zich beter afwenden.
  4. Wie een gesprek aanging kreeg dat vanzelf allemaal te horen. Men moest op zijn woorden letten, alleen het strikt noodzakelijke zeggen, niet teveel praten, niet teveel lachen en zelfs op zijn gebaren letten.
  5. De smaakzin leidde volgens de kerk al haast vanzelf tot vraatzucht.
  6. De tastzin kon vreselijke gevolgen hebben. Sint Antoninus vond dat het aanraken van iemands hand in het voorbijgaan al een doodzonde zou kunnen zijn (afhankelijk van de bedoelingen erachter).

Zelfs wie zich in zijn huis opsloot was niet veilig voor de verleiding der zintuigen, want ook binnenshuis werd excessief getafeld en werd er zinloos gebabbeld. De kinderen hadden wel door dat hun ouders teveel aten en dronken en er heimelijk minnaars en minnaressen op na hielden. Daardoor zouden ze eveneens op het verkeerde pad kunnen raken. Binnenshuis ging men vaak slordig gekleed[6] en soms liep men er wel eens naakt. De jongens maakten in huis grove gebaren zoals de middelvinger omhoog steken en dat vonden ze zelf nog leuk ook. En dan waren er natuurlijk ook nog de verdorvenheden van het echtelijke bed!

Sint Bernardino preekt, 1445
Savonarola preekt, ~1490

Herderlijke zorg[bewerken]

Deze zorgen omtrent het gezin als de hoeksteen van de christelijke samenleving leidden er in de veertiende eeuw toe dat de bedelmonniken (de Dominicanen en Franciscanen) de gezinnen herderlijk gingen begeleiden door bij ze op huisbezoek te gaan. Ze werden vaak in vertrouwen genomen. De bedelmonniken lieten zich leiden door boekjes van Giovanni Dominici en Sint Antoninus.

De zintuigen leidden tot de zonden en daarom moesten die zintuigen gedresseerd worden. Mensen als Sint Bernardinus preekten na 1350 dat de privéwereld een oord van rust en meditatie zou moeten zijn, een oord zonder de agressie en het kwade van de buitenwereld. De slaapkamer moest afgeschermd zijn van huiselijke geluiden en geuren. Het rumoer en de verleiding van de wereld moesten buiten gehouden worden. Het hele leven moest doordrongen worden van tucht, al vanaf de kinderjaren. Ouders en biechtvaders moesten daar streng op toezien. Kinderen moesten hun ouders gehoorzamen, ouders moesten voor hun kinderen de juiste vriendjes kiezen en het goede voorbeeld geven. De ouders moesten het uitleggen en hun kinderen moesten het aanvaarden. En evenzo moesten de priesters het uitleggen en hun boetelingen moesten het aanvaarden. Het moest een ware dressuur worden. Eind veertiende en de hele vijftiende eeuw waren er vele honderden bedelmonniken als predikheren bezig om dit morele programma te verspreiden. De Dominicaner priester Savonarola zette zelfs aan tot boekverbrandingen en het vernietigen van kunstwerken.

Seksualiteit[bewerken]

Dit ascetische programma omvatte natuurlijk ook de seksualiteit; tussen getrouwde mannen en vrouwen wel te verstaan. Alle andere vormen van seksualiteit waren een doodzonde. Sodomie (anale gemeenschap) was een doodzonde en ongepaste standjes waren ook een doodzonde. Gemeenschap mocht alleen plaats vinden op gepaste plaatsen (zoals thuis in bed) en in door de kerk toegestane perioden (niet in de vastentijd, op feestdagen of wanneer men penitentie deed). Men mocht ook niet trouwen in door de kerk verboden perioden (zoals de vasten). Als het huwelijk dan werd geconsumeerd, gold dat als een doodzonde.

De bedelmonniken richtten zich voornamelijk op de vrouwen (vooral dames van stand en derde ordelingen) zij moesten in eenzaamheid hun devotie verdiepen. De vrouw moest een soort heilige worden, niet alleen in de kerk, maar ook tijdens wandelingen, in de woonkamer, bij de banketten en vooral in haar slaapkamer. Die slaapkamer moest zij veranderen in een soort kluizenaarscel met een bidstoel, afbeeldingen van Maria en een kruisbeeld. En in die slaapkamer moest zij bidden, mediteren en berouw hebben over haar zonden[7]. Op die manier kwam zij echter totaal buiten de wereld te staan.

De mannen hadden er weinig zin in om zich op een dergelijke manier te gaan gedragen. De meeste ontwikkelde mannen hadden ontdekt dat de humanisten vonden dat een man in de wereld moest staan en doen waar hij goed in was. Zij wilden geen gezelschap vermijden, niet de ogen afwenden van aangename zaken, zich niet in een soort klooster opsluiten, maar hun gaven gebruiken voor de publieke zaak. De humanisten noemden de predikers leeghoofdig, hypocriet en dogmatisch omdat zij mensen van belangrijke zaken afhielden.

Noten[bewerken]

  1. De priesters predikten dermate hel en verdoemenis dat de mensen de hoop hadden opgegeven om in de hemel te kunnen komen. De meeste mensen dachten dat ze wel in de hel zouden eindigen, dus dan viel het vagevuur eigenlijk nog wel mee (Joseph Klaits, Servants of Satan).
  2. Verder waren er ook nog magiërs die werkten als: waarzegger, astroloog en terugvinder van verloren of gestolen spullen en mensen.
  3. De moralisten raadden aan om de kinderen een stukje koraal om de hals te hangen.
  4. Begin van de heksenvervolging.
  5. Toename van de heksenvervolging.
  6. Slordige kleding binnenshuis
  7. Eigen kamer van de vrouw als kluizenaarscel
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.