Sociale geschiedenis van Toscane (1300-1500)/Het gezin

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Het huis
  4. In en rond het huis
  5. Inrichting van het huis
  6. Het gezin
  7. Gezinsleven
  8. Huwelijk
  9. Sociaal netwerk
  10. Sociale contacten
  11. Conflicten
  12. Huispersoneel en slaven
  13. Geboorte en opvoeding
  14. Ouderdom, ziekte en dood
  15. Schilderkunst, brieven en kronieken
  16. Kleding
  17. Religie, magie en kerk
  18. Stadsbestuur
  19. Bronnen en links

6. Het gezin

Vader[bewerken]

Piero della Fransesca, 1472

De huisvader (pater familias) was de baas in huis en beheerde alle goederen.
1) Van de spullen in huis waren sommige van hemzelf.
2) Andere spullen waren als bruidsschat door zijn vrouw ingebracht. Ook waren er spullen ingebracht door schoondochters die met zijn zonen waren getrouwd en een bruidsschat hadden meegenomen. De vader kon al deze bruidsschatten gebruiken en zelfs verkopen als hij dat wilde, zonder dat zijn vrouw of schoondochters daarbij iets in de melk te brokkelen hadden en de wet gaf hem daar alle bevoegdheden toe. Ook vonden de rechtsgeleerden dat de inkomsten die voortvloeiden uit de bruidsschat van de vrouw, niet opnieuw moesten worden geïnvesteerd maar gestort moesten worden in de gemeenschappelijke huishoudpot (voor de dagelijkse uitgaven) die door de man beheerd werd, terwijl de inkomsten die voortvloeiden uit de bezittingen van de man wèl konden worden geherinvesteerd in grond of koopwaar.
3) Ook over de spullen die zijn zoons hadden gekregen, gekocht of geërfd was hij de baas. Hij mocht ze gebruiken en verkopen als hij dat wilde. Het geld dat zijn zonen verdienden, was ook van hem. Hoe oud zijn zoons ook waren en welke functie ze ook bekleedden, ze waren aan zijn gezag onderworpen.

Bij de pachters op het platteland ging het ongeveer hetzelfde. De vader organiseerde, verdeelde en controleerde het werk, de schulden, de oogst en de voorraden. Hij voelde zich ook de hoofdverantwoordelijke voor de opvoeding van de kinderen, hoewel hij zijn vrouw het meeste werk liet doen in de opvoeding.

Noch de moeder noch haar ouders hadden ook maar iets iets in de melk te brokken. De pater familias behield zijn gezag (patria potestas) over zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, ook al was hij zestig jaar of ouder. Dit was geen dode letter maar in de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw de praktijk van alledag en het werd voortdurend verstevigd in de wet.

Zijn vrouw kon niets ondernemen inzake haar bezit of de toekomstige erfenis van haar kinderen. Ze moest haar echtgenoot gehoorzamen en respecteren. De Dominicanen (in die tijd de grote geestelijke leidsmannen) en de burgerlijke moralisten (Fra Paolino, Alberti, E. Barbaro en anderen) waren het daarin helemaal met de rechtsgeleerden eens. De man was de baas in huis en alle anderen waren aan hem onderworpen[1]. Omdat ze als zwak en kwetsbaar van lichaam en karakter werd gezien, vertrouwde de man zijn vrouw slechts ondergeschikte verantwoordelijkheden in het huishouden toe. Hij vertelde haar ook lang niet altijd zijn geheimen.

Tucht en eerbied waren centrale begrippen. De vader mocht verzet en aanmatigend gedrag van zijn kinderen, zijn jongere broers of zijn vrouw bestraffen. Hij mocht ze ook slaan; volgens de wet stond hij daarmee volkomen in zijn recht[2].

Maar de vaders hadden waarschijnlijk ook wel eens echte, ontroerende zorg voor de zedelijke en verstandelijk opvoeding van hun kinderen. Tijdens de zomeravonden praatte hij tegen hen. Hij gaf ze advies, moedigde ze aan, beknorde ze en toonde ook wel eens genegenheid.

Moeder[bewerken]

Antonello da Messina, 1476, huisvrouw en zwerver

De vrouw was op het moment dat ze trouwde meestal nog piepjong (tussen de 16 en 18), bangelijk en onervaren. Ze geloofde dat haar man alles beter wist. Hij hield schoolmeesterachtige toespraken tegen haar en kneedde haar tot een 'volmaakte' huisvrouw.

Ze mocht zich alleen maar met het huishouden bezighouden. Ze werd uitgescholden en geslagen (soms met de zweep) vanuit het idee dat ze getemd moest worden. De moralisten en het grote publiek vonden dat heel normaal: anders zou het een slechte vrouw worden. Zij zorgde voor de bezittingen in het huis, voor de dienaren en voor de opvoeding van de kinderen. Ze lette op de olie, zoutte het vlees, veegde, spon, weefde, naaide en deed de was. Eigenlijk kon een dienstmeid dat allemaal net zo goed, maar de vrouw des huizes werd geacht het veel beter te doen.

De man gaf haar voortdurend huishoudelijke opdrachten, controleerde haar wantrouwend en overlaadde haar met pietluttige verwijten. In de dagelijkse praktijk had zij het echter in het huishouden voor het zeggen. Haar man zat haar ook niet constant op de huid want hij was vaak op reis, als het een koopman was. Als zij een sterke persoonlijkheid had en initiatieven en beslissingen nam wanneer haar man op reis was, dan kreeg zij daardoor een soort macht in huis en was zij ook beter voorbereid als hij stierf. Als haar man stierf, kreeg zij namelijk diens verantwoordelijkheden: zij moest dan leiding geven in huis en in zijn zaak en de kinderen opvoeden.

De vrouw vond vooral vervulling in de opvoeding van haar kinderen en zij baarde er veel. Een vrouw trouwde tussen haar zestiende en achttiende en haar man was dan vaak al dertig. Door haar jonge leeftijd stond zij dichter bij de kinderen dan de vader. Zij was voor de kinderen ook een meer constante factor, omdat de vader, als hij ambachtsman was, vaak lang moest werken en als hij koopman was, vaak op reis moest. De moralisten vonden de invloed van de moeder op de kinderen vaak te groot. Zij waarschuwden ertegen dat de kinderen te week werden opgevoed door de vrouwen. Maar in sommige burgerkringen was het in werkelijkheid zo dat de kinderen de vader als een figuur op de achtergrond zagen.

In theorie was er een hiërarchie. De vrouw moest 'u' (voi) zeggen tegen haar man, maar hij hoefde dat niet te doen tegen haar. Als de man een titel had (zoals messer of maestro), dan moest zijn vrouw hem daarmee aanspreken. Van de man werd geaccepteerd dat hij avontuurtjes had met de dienstmeisjes, de vrouw daarentegen moest haar eventuele liefdesavonturen strikt geheim houden want die werden van haar niet geaccepteerd. Bij het gewone volk (handwerkslieden, arbeiders, ambtenaren, dienaren, pachters, keuterboertjes en landarbeiders) ging het er anders aan toe. Vader en moeder tutoyeerden elkaar. Vrouwen hadden vaak 'haar op de tanden' en gaven hun man ongezouten 'lik op stuk'. Het elkaar met 'u' aanspreken was alleen de gewoonte bij de edelen en de patriciërs die aan hun tradities hechtten en vaak bewust teruggrepen op gebruiken uit vroegere tijden.

In veel traditionele huishoudens heerste een sterk vrouwvijandige sfeer, zo blijkt uit diverse familiekronieken. Een vrouw mocht zich niet kleden zoals zij wilde, want dan zou ze het huis 'in opspraak' kunnen brengen en ze mocht niet uitgaan tenzij het heel duidelijk was naar wie en met wie en hoelang. Deze opstelling heerste niet alleen in de burgerlijke milieus, maar ook bij de middenstanders (ambachtslieden, winkeliers en handelaren). De man zag soms wel in dat hij zijn vrouw onrechtvaardig behandelde en moedigde haar zelfs weleens aan om voor zichzelf op te komen, maar de toestand bleef toch in grote lijnen gelijk.

De vrouw was gastvrij voor de behoeftigen en bracht vrede en eendracht in huis. Dat zij zorgde voor de eenheid in huis, was een nieuwe manier van denken over de vrouw.

Kinderen[bewerken]

Een kind sprak allebei de ouders doorgaans met 'u' aan. Het kind was aan hen respect en gehoorzaamheid verschuldigd. Het moest onderdanig zijn, voor hen buigen en eerbiedig zwijgen als ze tegen hem spraken. Er kon dus weliswaar een machtsverschil zijn tussen de vader en de moeder, maar in de ogen van het kind waren zij min of meer gelijk.

Een kind moest zijn vader eerbiedig antwoorden met: "Messer, si". Hij moest rechtop staan met het hoofd nederig gebogen. Kinderen kregen met de stok als zij iets verkeerds hadden gedaan of het gezag van de vader waagden aan te tasten. De dominicaanse kardinaal Giovanni Dominici achtte lijfstraffen onmisbaar voor een goede opvoeding van de kinderen en het grote publiek was het daarmee eens, hoewel slaan uit woede werd afgekeurd[3].

Ook al had de zoon een belangrijke openbare functie, in het privéleven viel dat weg. Elk verzuim, elk verzet, elke belediging of onachtzaamheid zelfs als de vader bejaard was, kon worden bestraft, ofwel door de vader zelf ofwel door het openbare gerecht. In 1415 mocht een vader of grootvader in Florence een nakomeling die tekortschoot, in de gevangenis laten zetten en deze verordening werd in 1463 nog steeds toegepast. De christelijke predikers (vooral de Dominicanen) en de moralisten waren het daarmee eens: zij stelden dat wie zijn vader zou eren, ook door zijn eigen kinderen geëerd zou worden.

In de loop van de vijftiende eeuw zou de opvoeding echter wat toegefelijker worden

Uitgebreide- en meerkernengezinnen[bewerken]

Een uitgebreid gezin betekende dat een huisvader met zijn vrouw en kinderen, samen met zijn broers en zussen, grootouders, kleinkinderen, neven en nichten, ooms en tantes in één huis woonde.

Meerkernengezinnen bestonden uit meerdere gezinnen die aan elkaar verwant waren. Bijvoorbeeld: een broer van de huisvader woonde ook in het huis met zijn eigen vrouw en kinderen.

De onderlinge genegenheid ging meestal niet verder dan de mensen die in de uitgebreide- of meerkernengezinnen samen leefden, blijkt uit de geschriften van Alberti en de kroniekschrijvers. Weduwen, broers en schoonzusters rouwden en kleedden zich in het zwart als deze mensen stierven.

Geslachten[bewerken]

Een gezin maakte doorgaans deel uit van een geslacht (of familie). Een geslacht noemde men alle mensen die in de mannelijke lijn dezelfde voorvader hadden, voor zover men dat kon nagaan. Sommige van die geslachten sloten onderlinge verdragen. Deze verenigde geslachten hadden leiders en statuten. Er waren natuurlijk ook huwelijksverbintenissen tussen de geslachten.

Sommige notabele geslachten begonnen na 1400 een familienaam te kiezen om te laten zien dat ze een gezamelijke oorsprong hadden. In Florence had in 1427 33% van de belastingplichtigen een familienaam. In andere Toscaanse steden was dit 20%, en op het platteland maar 9%[4].

Een klein aantal voornamen werd van generatie op generatie doorgegeven om de herinnering aan degenen die eerder deze voornaam hadden gedragen (en hun kwaliteiten) aan de pasgeborene door te geven.

Een notabel geslacht had een gemeenschappelijk blazoen (wapenschild) dat op hun wapens, kleding, huizen, kapellen, altaarversieringen, doodskisten en banieren werd afgebeeld. Dat blazoen liet de (veronderstelde) ouderdom, macht en moed van het huis zien. Het geslacht bezat gemeenschappelijk landerijen, panden, torens, pleinen, stegen en kapellen. Ook trad men wel gemeenschappelijk op als beschermheer van een kerk. Dit alles gaf het geslacht zelfbewustzijn en een gevoel van saamhorigheid. Men diende alles op te offeren voor het geslacht, voor de eer van de familie moest je zelfs je bloed en leven over hebben.

De afstammelingen van zo'n geslacht kwamen natuurlijk steeds verder van elkaar af te staan naarmate de generaties voortschreden. Daarom bewaarde men de herinnering aan de gemeenschappelijke voorvaderen door in kerken en kapellen plechtigheden ter ere van hen te houden rondom hun graftombes. In de veertiende en vijftiende eeuw werd die herinnering op alle mogelijke manieren in stand gehouden. De schrijvers van de familiekronieken probeerden te achterhalen wie hun verste voorvader was: een schrijver vond er een uit 1170. Men begon de stamboom van zijn familie te reconstrueren. Na 1450 hadden de adel en de grote burgerij (doktoren, notarissen, rechters en kooplieden) schilderijen en borstbeelden in huis die hun voorouders moesten voorstellen. Na 1480 kwamen daar nog eens de dodenmaskers bij die geplaatst werden op schoorsteenmantels, deuren, ramen en kroonlijsten.

Dit alles leidde weliswaar tot een gevoel van samenhorigheid, maar slechts zelden tot intimiteit en vertrouwelijkheid. Soms stond men nader tot vrienden en buren dan tot verre verwanten die men nooit zag.

Noten[bewerken]

  1. De dominicaanse kardinaal Giovanni Dominici wees in 1398 een van zijn boetelingen erop dat de vrouw ondergeschikt was aan de man.
  2. Volgens onder andere een Toscaans decreet van 1373.
  3. Nu had Dominici goed praten: hij beschreef waarschijnlijk de toestand zoals hij die graag wilde zien, maar daarmee is niet gezegd dat iedereen zijn ideeën ook precies zo in de praktijk bracht.
  4. Echter, ook boeren zonder geslachtsnaam kenden hun verre neven en waren daar saamhorig mee.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.