Sociale geschiedenis van Toscane (1300-1500)/Het huis

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Het huis
  4. In en rond het huis
  5. Inrichting van het huis
  6. Het gezin
  7. Gezinsleven
  8. Huwelijk
  9. Sociaal netwerk
  10. Sociale contacten
  11. Conflicten
  12. Huispersoneel en slaven
  13. Geboorte en opvoeding
  14. Ouderdom, ziekte en dood
  15. Schilderkunst, brieven en kronieken
  16. Kleding
  17. Religie, magie en kerk
  18. Stadsbestuur
  19. Bronnen en links

3. Het huis

Huizen op het platteland[bewerken]

Landarbeiders en keuterboertjes[bewerken]

De huizen van de landarbeiders in loondienst en van de keuterboertjes waren heel eenvoudig. De muren waren van leem en de daken van riet. De afmetingen waren 4 tot 5 bij 8 tot 10 meter. Deze huizen waren rokerig en vaak vervallen. Ze bestonden uit een enkel vertrek zonder tussenmuren. Dat ene vertrek diende overal voor, nergens kon je tot rust komen of enige intimiteit ervaren.

Pachters[bewerken]

De boerderijen (poderi) van de pachters (die grond hadden gepacht bij een grootgrondbezitter, zoals bijvoorbeeld een notabele burger uit de stad of een klooster) zagen er meestal beter uit. De muren waren van natuur- of baksteen, het dak van pannen, de afmetingen waren 5 tot 6 bij 10 tot 12 meter en er was meestal een etage opgebouwd. Elke etage was verdeeld in verschillende vertrekken. Er was een woonkamer (sala), een of meer slaapkamers (camera), soms slaapkamertjes voor de kinderen, een voorraadkamer (cella), een keuken, een eetkamer en een loggia (een binnenpleintje) zodat men buiten kon werken. Of alle pachters het zo goed hadden, weten we niet.

In de Apenijnen was er een buitentrap tussen de etages met een gaanderij. De woning was op de eerste verdieping en op de begane grond waren de stallen.

Als een boer meer geld kreeg en zijn huis wilde uitbreiden, kon hij er een werkkamer bijnemen, een tweede slaapkamer, een voorraadkamer of een bakkerij.

Feodale adel[bewerken]

De kastelen op het platteland (rocche) van de feodale adel hadden een kamer die vaak net zo luisterrijk was als die van de koninklijke kastelen. De feodale edelen borgen daar de documenten waarop hun macht was gebaseerd op in hun kisten.

Huizen in versterkte dorpen en stadjes[bewerken]

De ambachtslieden van ommuurde dorpen en stadjes leefden binnen de muren dicht op elkaar, ook als ze niet arm waren. Hun huis (domus) stond vaak tegen de stadsmuur aangebouwd, dus een vierde wand hoefde niet gebouwd te worden. De andere drie wanden waren van steen. Deze huizen waren heel stevig maar klein, soms maar 27 vierkante meter (circa 4 bij 7 meter) en doorgaans verdeeld in twee vertrekken.

Huizen in de stad[bewerken]

In de steden werden in de dertiende en vooral in de veertiende eeuw de zeer brandbare houten constructies van de twaalfde eeuw grotendeels vervangen door natuur- of baksteen. Wanneer men natuursteen en wanneer men baksteen gebruikte, was in elke stad anders.

  • In Florence gebruikte men baksteen voor de eenvoudige bouwsels en natuursteen voor de huizen van de welgestelde burgers.
  • In Siena gebruikte men baksteen voor de eenvoudige huizen en op de palazzi als versiering maar vanaf de 15de eeuw gebruikte men voornamelijk natuursteen.
  • In Genua gebruikte men natuursteen voor de bouw op de begane grond, maar vanaf de tweede verdieping baksteen.

Armen[bewerken]

Armen, zoals kaarders (een soort textielarbeiders) leefden meestal in een primitieve behuizing, soms nog slechter dan de woningen van de keuterboertjes op het platteland. Bijvoorbeeld: jonge vrijgezellen die zich in 1330 in Florence vestigden, kropen nogal eens met een heel stel in een enkel vertrek. De woning van een arme in Toscane in de vijftiende eeuw was een benepen hok, slecht onderhouden en van hout en leem gemaakt. Meestal stond dit soort huizen bij elkaar in de armenwijken.

De armen die het een beetje beter hadden, woonden ook wel in een pand van meerdere etages dat er van buiten soms fraai uitzag en waarin ze een of twee vertrekken hadden gehuurd. Vaak grensden die twee vertrekken niet aan elkaar. En als ze al aan elkaar grensden, dan kwam dat omdat ze op de hoogste verdieping lagen, of op de eerste verdieping (palco inferior) een soort tussenverdieping. Ook lagen de beide vertrekken wel eens boven elkaar op verschillende verdiepingen: op de ene verdieping de woonkamer, daarboven de slaapkamer en een heel enkele keer daarboven nog een keukentje, hoewel dat (als het er al was) meestal erg klein was en op de zolder lag. Meestal was er geen keuken en werd er op de binnenplaats gekookt. De etages waren door een trap met elkaar verbonden. Deze woningen waren donker en hadden nauwelijks enig comfort. In deze panden huurden de armen de goedkopere woningen aan de binnenplaats, terwijl de betere woningen aan de straatkant voor de wat welgesteldere middenstanders waren.

De armen huurden de woningen meestal voor een jaar. Daarna verhuisden ze vaak, ook naar een andere wijk, waardoor ze vaak hun vriendschaps- en burenbanden moesten verbreken. Ze zaten wel vaak in de cliëntèle van een beschermheer, omdat dit niet zozeer aan de plaats van hun woning gebonden was, maar het valt te betwijfelen of zij toegang hadden tot de rijkste en machtigste beschermheren.

Als de armen het wat beter kregen en hun huis wilden uitbreiden naar drie kamertjes, namen ze er vaak een keukentje bij of een extra slaapkamer: daartoe werd er meestal in de oorspronkelijke slaapkamer (camera) een dun wandje aangebracht, meestal van hout of van leem, dus van privacy was nauwelijks sprake.

Armen leefden vaak zo dicht op elkaar dat ze soms tot promiscuïteit en incest vervielen.

Middenstanders[bewerken]

Middenstanders (populi medio), zoals ambachtslieden en winkeliers, woonden doorgaans in betere woningen. Ze huurden een appartement aan de straatkant van de grote huizen met meerdere verdiepingen (waarvan de armen de achterkant bewoonden) of ze bezaten zelf een stenen huis met meerdere verdiepingen en een dak van pannen.

In het hart van hun woning bevond zich de zaal of woonkamer en de slaapkamer, net zoals dat in de hoge Middeleeuwen het geval was. Meestal bezaten ze een keuken in het huis in plaats van een kookplaats op de binnenplaats, hoewel die keuken meestal op de vliering was weggestopt. Als ze een eigen huis bezaten, hadden ze een binnenplaatsje en een tuin, een vooraadkamer, een paardenstal, een eigen waterput enzovoort. Het was een teken van echte weelde als hun huis over twee of meer slaapkamers beschikte (liefst verdeeld over de verdiepingen). Extra slaapkamers werden vaak gemaakt door een grote slaapkamer met een houten schot in tweeën te delen.

In Florence waren er van 1320-1380 stadsuitbreidingen uitgevoerd met rechte straten en (rijtjes)huizen die aan de ene kant uitzicht hadden op de straat en aan de andere kant op de tuin. De woonkamers lagen doorgaans aan de straatzijde en de slaapkamers (zeker die van de vrouwen) lagen aan de achterzijde waar de tuin was. Door deze nieuwe wijze van bouwen veranderde het nabuurschap. De huizen stonden niet langer om een binnenplein dat iedereen uitnodigde om bij elkaar te komen, maar de huizen stonden nu aan de straat die meer afstand schiep. Er kwam daardoor een nieuwe intimiteit rondom de tuin en de eigen kamers.

Patriciërs[bewerken]

De patriciërs woonden in de dertiende eeuw nog in versterkte huizen die soms zelfs kantelen hadden. Er stonden in de steden zelfs nog torenhuizen (donjons), in Bologna nog in 1286. Men kon deze torens alleen binnengaan via een ladder, want de deur bevond zich op de halve hoogte van de toren.

Deze middeleeuwse vestingstijl van kleine en oncomfortabele huizen, werd rond 1300 overboord gegooid. De huizen in Toscane en Lombardije werden in de veertiende en vijftiende eeuw groter en er kwamen overal deuren en vensters in. Ze waren gebouwd van bak- of natuursteen en aan de buitenkant versierd met smeedwerk (ringen, lantarens), marmeren pilaren langs de ramen (Siena), rondbogen boven de ramen (Florence), versieringen langs de dakrand etcetera. Deze huizen verschenen in Florence al vóór 1300. Aanvankelijk leken ze nog op de middeleeuwse huizen. Ze werden (niet geheel terecht) 'palazzo (palazzi)' genoemd. Bekende voorbeelden zijn het Palazzo dei Mozzi, het Palazzo Frescobaldi en het Palazzo Peruzzi.

In de eerste helft van de veertiende eeuw hadden de adel, de bankiers, doktoren, notarissen, rechters, de belangrijke kooplieden en zij die de belangrijkste ambachten uitoefenden dit soort degelijke huizen. Ze hadden meerdere verdiepingen (vaak twee en soms drie: begane grond en eerste en tweede etage), voorraadkamers, kelders, vertrekken voor de dienstbodes, meerdere woonkamers en meerdere slaapkamers en een binnenplaats als middelpunt van het huis. Aanvankelijk waren er op de begane grond aan de straatzijde nog rijen winkeltjes en magazijnen voor de ambachtslieden maar rond 1400 werden deze zeldzamer en verdwenen want ook de begane grond werd toen bestemd voor privégebruik.

Vanaf de vijftiende eeuw hadden de echt welgestelden ook nog: hallen, wachtkamers, een wapenkamer, een studio[1], een binnenplaats, arcaden, en een loggia op de hoogste verdieping: een soort inpandig balkon waar men een luchtje kon scheppen. In de veertiende en vijftiende eeuw werd de loggia een ware rage in Florence, Siena en Venetië[2].

In het souterrain of op de begane grond bevonden zich dienstruimtes en opslagruimtes. Vaak waren de bewoners van deze huizen grootgrondbezitters die dus boerderijen hadden verpacht. Een deel van de opbrengst van hun land (graan, gezouten vlees, olie, azijn) sloegen ze op in voorraadkamers (cella) of in overwelfde opslagplaatsen op de begane grond (volta), verder waren er houtkamers om brandhout in op te slaan en paardenstallen. Soms sloeg men ook voorraden op in de woonkamer en een enkele keer zelfs in de slaapkamer.

Op de begane grond lagen verder soms vertrekken van de heer des huizes aan de kant van de tuin. Soms lagen er slaapkamers aan de straatzijde als daar geen winkeltjes waren. Er was vaak een slaapkamer voor de gasten. Ook was hier vaak een woonkamer (sala) voor de ontmoetingen buiten de intieme sfeer en voor de bijeenkomsten van de brigate. Er stonden tafels, banken en krukjes, er waren 15-20 zitplaatsen. Handig was, dat in de nabij gelegen volta de wijn stond (doorgaans 600 liter rode en witte wijn).

De bovenverdiepingen waren permanent bewoond: hier lagen de ruimtes voor het dagelijkse privéleven. Op de eerste verdieping (piano nobile) lag de slaapkamer van de heer en vrouw des huizes, de wapenkamer, de wachtkamer, de studio en de grote woonkamer (of de zaal) die vaak langs de hele voorgevel lag. Maar deze zaal kon op alle verdiepingen liggen.

De patriciërs leefden in zo'n huis in een patriarchaal gezin, vaak was dat een uitgebreid gezin of een meerkernengezin. De verdiepingen konden ook afzonderlijk worden verhuurd (bijvoorbeeld elke verdieping aan een gezin).

De slaapkamer was het gezelligste vertrek in huis. Deze camera was uitsluitend bestemd voor de heer en de vrouw des huizes. De kinderen, het dienstpersoneel en de slaven sliepen niet daar, maar in afgeschoten hokjes. Het dienstpersoneel en de slaven soms zelfs zonder bed.

Palazzi[bewerken]

Eind veertiende begin vijftiende eeuw werden er nòg grotere en weelderigere huizen gebouwd: de palazzi[3]. Deze hadden 3 of 4 verdiepingen, 12 tot 30 vertrekken en een binnenplaats. Op de begane grond waren de winkeltjes en magazijnen aan de straatzijde weer teruggekomen. Deze palazzi gingen nog op in hun omgeving, volgden nog de stadsplattegrond en waren tegen 'mindere' bouwwerken aangebouwd zonder daar ze daar heel veel van verschilden.

Vanaf 1440 echter werden er hier en daar prestigieuze palazzi gebouwd die veel meer afstaken bij hun omgeving. Deze palazzi grensden niet meer aan de overigen huizen, twee of drie gevels grensden nu aan een straat en moesten versierd worden. Hele huizenblokken werden ervoor opgekocht en gesloopt. De winkeltjes verdwenen weer.

Deze prestigieuze palazzi hadden een zeer grote tuin en een binnenplaats met een zuilengalerij eromheen. Ze waren echter nauwelijks comfortabeler dan de 'gewone' palazzi of patriciërshuizen, soms zelfs minder. De prestigieuze palazzi waren weliswaar groter, maar omdat de vertrekken buitensporig groot en hoog waren, nam hun aantal per huis niet toe. Slechts een heel kleine minderheid van de aristocratie bewoonde deze soort palazzi, de meeste aristocraten woonden in de normalere huizen die ze hadden gekocht of geërfd. Deze waren soms 100 jaar oud. Ze werden vaak verbouwd, er werd een verdieping opgezet of er werd een stuk aangebouwd en dan waren ze vaak bruikbaarder, lichter en luchtiger en hadden soms zelfs meer (tot 30) vertrekken dan de kolossale en weelderige palazzi.

Noten[bewerken]

  1. Een studeerkamer.
  2. Elders wordt met loggia bedoeld een binnenplein dat in verbinding met de straat stond.
  3. Zie: HIER voor een lijst van alle palazzi in Florence
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.