Sociale geschiedenis van Toscane (1300-1500)/Huispersoneel en slaven

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Het huis
  4. In en rond het huis
  5. Inrichting van het huis
  6. Het gezin
  7. Gezinsleven
  8. Huwelijk
  9. Sociaal netwerk
  10. Sociale contacten
  11. Conflicten
  12. Huispersoneel en slaven
  13. Geboorte en opvoeding
  14. Ouderdom, ziekte en dood
  15. Schilderkunst, brieven en kronieken
  16. Kleding
  17. Religie, magie en kerk
  18. Stadsbestuur
  19. Bronnen en links

12. Huispersoneel en slaven

Huispersoneel[bewerken]

Een burgergezin had in de vijftiende eeuw in Florence maar een paar bedienden[1].

  • De uitgebreide- en meerkernengezinnen in de grote palazzi (adel en patriciërs) hadden vaak niet meer dan 5 tot 7 bedienden.
  • Een huishouden in de grote burgerij (doktoren, notarissen, rechters, kooplieden) had genoeg aan 2 tot 3 bedienden.
  • Een huishouden in de kleine burgerij of middenstand (ambachtslieden, winkeliers en handelaren) had er maar een en dat was meestal een vrouw.
  • Handwerkslieden hadden nauwelijks of geen huispersoneel.

In Pisa had men in 1428 nog minder huispersoneel dan in Florence.

Dit personeel moest vooral huishoudelijke taken doen. Ze kwamen vaak al jong in het gezin. In 1427 was in Florence 40% van het mannelijke huispersoneel (456 dienaren) en 90% van het vrouwelijke huispersoneel (280 dienaressen) tussen de 8 en 17. Ze stonden door hun jonge leeftijd dus dicht bij de kinderen en werden ook net zo behandeld: ze werden bestraft en geslagen als ze iets fout hadden gedaan. Maar de meester en meesteres dienden volgens moralisten als Alberti en Rucellai rechtvaardig en edelmoedig te blijven en de bedienden hun fouten te vergeven. Bedienden moesten niet voor elk klein foutje een pak slaag krijgen.

Als een gezin meerdere bedienden had, kregen die verschillende namen en taken: voedster, kamermeisje, famulus (dienaar), domicellus (jonge heer), fante (waarschijnlijk een neger) en ragazzo (knaap).

Het kamermeisje hielp de vrouw des huizes bij bij het toilet maken, baden en jurken passen. Daardoor was ze meer dan de andere dienaressen betrokken bij het privéleven van mevrouw. Meestal was een kamermeisje tussen de 15 en de 30 jaar oud. De vrouw des huizes trouwde doorgaans tussen haar 16de en 18de. Mevrouw en het kamermeisje waren dus ongeveer van dezelfde leeftijd en ze zaten allebei opgesloten in een huis met een oude, strenge man die vaak op reis was, dus kregen ze wel eens een vertrouwelijke band met elkaar. Soms werd het kamermeisje medeplichtig gemaakt aan de amoureuze avontuurtjes van mevrouw, als we de vertellers tenminste mogen geloven: cijfers hierover ontbreken.

Er konden ook banden van genegenheid ontstaan met de andere dienaren en dienaressen, zeker met de voedsters. Bedienden bleven wel eens tot aan hun oude dag in hetzelfde huis werken. De meester zette een dergelijke trouwe bediende wel eens in zijn testament. Als de meester stierf, liet hij hem een mooi kledingstuk na of een paar goudstukken of een lapje grond. Hij kon zelfs bepalen dat deze bediende levenslang gevoed en gehuisvest moest worden door een van zijn erfgenamen, net zoals dat met zijn weduwe gebeurde.

Ondanks het feit dat de meester de dienaar rechtvaardig zou moeten behandelen en dat er soms langdurige vertrouwensbanden ontstonden tussen meester en knecht, gebeurde het toch ook vaak dat de meester een jarenlange achterstand had met de uitbetaling van het loon. Veel van het edele gepraat over 'rechtvaardigheid' en 'onderling vertrouwen' zou wel eens bedoeld kunnen zijn om dat feit te verhullen. Er heersten dus ook vaak wantrouwen en irritaties tussen meester en knecht. De meesters verweten de bedienden (volgens hun familiekronieken en brieven) dat ze incompetent, lui en stiekem waren en dat ze stalen. De meesteres was bang dat haar man zou vallen voor de charmes van de jonge, knappe dienstmeisjes maar de meester vond de "oude tangen" die zijn vrouw in huis haalde te lelijk. De bedienden konden weliswaar niet schrijven, maar het is waarschijnlijk dat zij hun meesters grof, krenterig en geil vonden. Dienaren gingen gemakkelijk bij een andere meester werken en meesters namen gemakkelijk een andere dienaar.

De dienaar werd meestal bij notariële overeenkomst in dienst genomen. In Genua was de duur van de verbintenis normaal gesproken 6 jaar. Maar deze contracten werden slechts zelden gerespecteerd. We kennen 30 van die verbintenissen uit de vijftiende eeuw en daarvan duurden er maar vier meer dan een jaar. Dienaressen bleven gewoonlijk maar 3 tot 6 maanden in dienst bij hetzelfde huishouden.

Aan het einde van de veertiende eeuw kreeg het personeel van hun welgestelde meesters in Florence een enigszins fatsoenlijke behuizing, een eigen kamertje, meestal in een berghok, met een eigen bed en een paar stoelen. De lakens, handdoeken en tafellakens, die uiteraard van een mindere kwaliteit waren, bleven eigendom van de vrouw des huizes die ze in haar eigen kisten bewaarde en die goed controleerde of de bediende er wel goed mee omging. Maar dat deed zij met alle linnengoed in huis.

Discretie[bewerken]

Van de ingehuurde bedienden werd verwacht dat ze een geheim konden bewaren. Zij waren getuige van veel van wat zich afspeelde in de slaapkamers van de meester en meesteres en daar zouden ze over kunnen gaan roddelen. Vandaar dat de slaapkamers op slot gingen en de meesteres de sleutels aan haar ceintuur droeg. Vandaar de afgesloten kisten in de slaapkamers. Toch konden de echtelieden wel eens gevoelens uiten (woede, verdriet of vreugde) of lichamelijke gebreken hebben (ziekte, verwonding of verminking) die het personeel kon zien bij het baden. Ook waren er bedienden bij als na een huwelijk de bruid en bruidegom naakt naar bed werden gebracht. Soms wisten ze van een amoureus avontuur van een van de echtelieden dat niet aan het licht mocht komen.

De welgestelden trokken zich overigens weinig aan van geroddel over hun naaktheid maar ze wilden discretie omtrent de echte geheimen die met hun geslacht of met hun rijkdom te maken hadden.

Slavinnen[bewerken]

Laura de'Dianti, Titiaan, 1523, jonge slaaf uit Afrika

De slaven (servi) waren vrijwel allemaal afkomstig uit het Oosten. Ze werden gebruikt op het platteland in Spanje en op Sicilië, maar de meesten werden als bediende gebruikt in de huishoudens van de steden van Toscane. In Genua waren er in 1458 meer dan 2000, waarvan 97,5% vrouwen. Ook in Venetië en Florence waren veel slavinnen. De koopprijs van de duurste slavin was namelijk minder dan zes jaar loon voor een vrije dienares. De slavinnen werden meestal gekocht als ze nog erg jong waren. In Florence werden tussen 1366 en 1397 340 slavinnen verkocht waarvan 40% onder de 23 jaar was.

De slavinnen en slaven kwamen meestal in dienst van de vrouw des huizes. Voor de vrouwen van de welgestelden was het een tijdlang de gewoonte om slavinnen te hebben en het vermeerderde hun status. De slavinnen moesten veelal het vuile en zware werk doen waar de vrije dienaressen geen zin in hadden. Een enkele keer kregen ze lichter werk als naaien en werd er met ze gepraat. Sommige slavinnen werden zelfs als voedster gebruikt.

Deze vrouwen waren volstrekt ontworteld: ze waren in hun jeugd opgepakt, ontvoerd uit hun gezin, verkocht in een ver land en in een huishouden te werk gesteld waar ze door iedereen werden afgesnauwd en geslagen. Ze waren doorlopend bang voor slaag. Maar soms, als ze kamermeisje mochten zijn en daardoor bij het privéleven van de meesteres werden betrokken, werden ze na een paar maanden wat zelfverzekerder en vrijmoediger. Ze waren wel eens diep betrokken bij de intieme wereld van hun meesteres en soms kwam er een vertrouwensband. Een enkele keer werd de meesteres zo verzot op een toegewijde slavin die al vele jaren in haar huis was, dat ze niet werd doorverkocht en het hele huishouden mocht bestieren[2]. Soms had de slavin zelfs een eigen kamertje op zolder, al was het maar een voorraadhok, of ze mocht slapen in een woonkamer naast het brandhout en het bouwmateriaal. Ze mocht daar alleen maar slapen, of ze daar ook een bed had, is niet bekend. Een heel enkele slavin kreeg een fatsoenlijke kamer, waar ze zelfs haar kleren en beddegoed in haar eigen kist mocht opbergen. Ze mocht door de stad wandelen, mensen bezoeken en bezoek krijgen zonder dat ze daar verantwoording over hoefde af te leggen.

Maar de meeste gezinsleden waren zeer conformistisch en stoorden zich aan de slavin. Men vond haar vreemd en was bang dat ze in stilte aasde op een mogelijkheid om zich te verzetten of weg te lopen. Ze had waarschijnlijk, door wat haar overkomen was, een trauma opgelopen en daardoor had ze vaak een karakterstoornis. Daar kwam nog bij dat ze zich 'anders' gedroeg omdat ze uit een ver land kwam en omdat haar opvoeding niet af was gekomen door de ontvoering in haar jeugd. Dit alles werd haar kwalijk genomen samen met haar kleine diefstallen, leugentjes en geruzie. En dan rook ze ook nog eens anders. De echtgenotes waren bang dat de slavinnen hun mannen het hoofd op hol zouden brengen. Die vrees was niet onterecht: 25 tot 33% van de te vondeling gelegde kinderen (trovatelli) die tussen 1430 en 1445 in de Florentijnse weeshuizen werden opgenomen, waren kinderen van slavinnen en hun meesters.

Enerzijds werden slavinnen behandeld als afhankelijke kinderen, maar anderzijds waren het getraumatiseerde volwassenen die een eigen leven wilden leiden. Dat verlangen konden ze alleen maar uiten door hun meester te verleiden, door een protesthouding aan te nemen, door geweld of diefstallen te plegen of door weg te lopen. Uiteindelijk werden veel slavinnen dan ook vrijgelaten als de toestand onhoudbaar werd.

Noten[bewerken]

  1. In de zestiende eeuw zouden dat er veel meer worden. In 1552 zou in Florence 16,7% van de totale bevolking als huispersoneel werken. Ook het aantal keuterboertjes zou afnemen. Zij werden steeds vaker knecht bij een grote pachter.
  2. Zoals blijkt uit een document van 1390 uit Florence.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.