Sociale geschiedenis van Toscane (1300-1500)/Sociaal netwerk

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Het huis
  4. In en rond het huis
  5. Inrichting van het huis
  6. Het gezin
  7. Gezinsleven
  8. Huwelijk
  9. Sociaal netwerk
  10. Sociale contacten
  11. Conflicten
  12. Huispersoneel en slaven
  13. Geboorte en opvoeding
  14. Ouderdom, ziekte en dood
  15. Schilderkunst, brieven en kronieken
  16. Kleding
  17. Religie, magie en kerk
  18. Stadsbestuur
  19. Bronnen en links

9. Sociaal netwerk

Vrienden[bewerken]

De welgestelden leefden graag samen met veel mensen, daarom leefden ze in meerkernengezinnen of uitgebreide gezinnen[1] en hadden ze veel vrienden. In Toscane stonden de vrienden doorgaans onder de verwanten (in Frankrijk stonden ze op ongeveer dezelfde hoogte). Elk gezin had een vriendenkring maar meestal onderhield men slechts met een handvol daarvan intieme betrekkingen.

Buren[bewerken]

Haast niets bleef voor de buren verborgen. De muren waren dun en de huizen stonden dicht bij elkaar. Zodra er wederzijdse sympathie was, werden de buren tot de vriendenkring gerekend. Omdat aanvankelijk de huizen van de welgestelden grensden aan die van minder welgestelden, kon ook een handwerksman de vriend worden van een patriciër of een bankier.

Peters en meters[bewerken]

Vrienden of buren konden peetoom of peettante van een pasgeboren kind worden. Daarmee werd deze 'peter' of 'meter' een verwant van de ouders. Een kinderrijk huis had een grote kring van deze peters en meters die zich op hun beurt ook weer met elkaar verbonden voelden. Zij hadden (ook als zij uit een maatschappelijk veel lager niveau kwamen) vrije toegang tot het huis.

Wederzijds dienstbetoon[bewerken]

Veel welgestelde Florentijnen zuchtten onder de belastingen die zij moesten betalen. Ze maakten zich bovendien zorgen om de politiek die vrijwel volkomen werd beheerst door maar een paar families, zoals de nogal dictatoriale Medici. Ze moesten oppassen dat ze geen vijanden maakten, omdat ze anders het gevaar liepen verbannen te worden. Daarom wilden ze een uitgebreid netwerk van mensen om zich heen, om zich te verzekeren van hulp tegen willekeur en tegenspoed. Men knoopte banden buiten het gezin aan om zich te verdedigen tegen het monster van de belastingen en tegen een overheid die steeds meer grip op hun leven probeerde te krijgen.

De verwanten stonden elkaar met raad en daad bij. Men ondernam voor elkaar stappen bij de autoriteiten of bij het gerecht en beslechtte geschillen. Men moest vrijgevig zijn en aan de naaste vrienden geschenken geven of geld lenen als ze daar om vroegen en ze alles toevertrouwen: plannen, gedachten, successen en mislukkingen. En met de buren en zelfs de wijkgenoten diende men op goede voet te staan, want die konden je wel eens een belastingverlaging bezorgen of met je meeleven. Men bezocht elkaar, ging bij elkaar eten, deed ontboezemingen aan elkaar, schreef elkaar brieven. Waarschijnlijk deed men ook weleens alsof, want het ging in feite meestal om eigenbelang.

Cliëntèle[bewerken]

De machtigen waren beschermheer van een cliëntèle. De cliënten konden op aanbeveling van hun beschermheren baantjes, gunsten en belastingverlaging krijgen. Om vooruit te komen in het openbare leven had men echt een beschermheer nodig. De patriciërs werden daartoe overladen met verzoeken, smeekbedes, geschenken en vlijerijen. Ze werden behandeld als een imitatievader of -broer. Beschermheer zijn van een grote clientèle was vaak de basis van een politieke carrière in het Toscane van de veertiende en vijftiende eeuw.

Gilden[bewerken]

Buiten het huis van het gezin vond men de wereld gevaarlijk. Er waren gestructureerde organisaties als broederschappen en gilden die het gezin konden vervangen.

Groepsleven[bewerken]

Italië was in deze periode zeer verstedelijkt [2] en gesocialiseerd. Mensen wilden graag meedoen met informele groepen waarin men zich thuis kon voelen en die een afspiegeling van het gezin waren.

Brigate[bewerken]

Een 'brigata' was een groep gelijkgestemden met meestal een tamelijk informeel karakter. Een moderne benaming voor dit soort groepen zou 'team' kunnen zijn.

  • Kinderen van dezelfde wijk speelden in groepen op straat, nog niet gescheiden door rang of stand. Loopjongens van de handwerkslieden of spelende kinderen vormden vriendengroepen met een hechte onderlinge band.
    • Zo gingen brigate van de jongens op liefdespad, ze keken naar de meisjes, staken serenades af en genoten van een eventuele 'verovering'
    • Groepen meisjes kwamen bij elkaar om te lachen en feest te vieren. Ze bleven elk jaar trouw naar het feest komen.
    • Op het platteland leefden de herderinnetjes normalerwijze op grote afstand van elkaar in de velden, maar ze kwamen van tijd tot tijd bij elkaar om te kletsen.
    • In de stad hadden die brigate soms een naam, eigen gewoonten, geheime rituelen en zelfs wel eens een uniform. Soms was er ook onderlinge rivaliteit. In 1420 waren er in Florence twee jeugdbendes die met elkaar slaags raakten.
  • Florentijnse mannen trouwden meestal pas na hun 27ste of 28ste en soms pas na hun dertigste. Dan pas werd hun de verantwoordelijkheid over een gezin of een politieke carrière toevertrouwd. Dat gaf hun mogelijk een onbevredigd gevoel waardoor ze zich aangetrokken voelden tot bepaalde vormen van een gezelschapsleven in clans en surrogaatgezinnen. Ook na hun huwelijk raakten mensen nog wel eens betrokken bij deze surrogaatgezinnen, vooral vrouwen, want ook moeders hadden hun brigata: ze gingen samen biechten of kletsen. Vrome vrouwen vormden brigate om heiligen te vereren. Als een vrouw verhuisde naar een andere stad, maar ook als ze een lange pelgrimstocht ging maken, sloot ze zich aan bij een brigata.
  • Mensen met een zwervend leven zoals pelgrims, kooplieden, herders en zeelieden vormden ook brigate.

Dobbelaars[bewerken]

Overal werd hartstochtelijk gedobbeld. Overdag maar vooral 's nachts. Thuis, maar ook op kermissen en markten. Maar vooral heimelijk en in het duister, op verlaten markten, in de loggie (binnenpleinen die in verbinding met de straten stonden), in portieken voor de deuren van palazzi, in een hoekje van het plein of langs de rivieroevers, door mensen uit verschillende wijken, die elkaar niet kenden.

Homoseksuelen[bewerken]

Homoseksuelen doken nu eens hier en dan weer daar op. Net als de dobbelaars ontmoetten ze elkaar op ongemakkelijke plaatsen, soms in de kou en ze konden last krijgen van de politie.

Homoseksualiteit kwam in de veertiende en vijftiende eeuw overal in Italië voor: in Napels, Bologna, Venetië, Genua, Siena maar speciaal in Florence zo blijkt uit de woedende preken van de Toscaanse predikers en uit de geschriften van Dante (die ze opvoerde in 'de hel' van zijn boek "La Divina Commedia"). "Florenzer" noemden toentertijd de Duitsers een homoseksueel. De meeste homoseksuele contacten waren vluchtig en toevallig. De meeste mannen mochten voor hun dertigste niet trouwen en velen van hen bedreven de knapenliefde met jongens vanaf 8 jaar.

Sint Antonius meende dat dit kwam doordat de ouders te week waren. Traditionele mannenzaken als politieke strijd en oorlog waren minder belangrijk geworden ten gunste van typisch vrouwelijke waarden als zachtheid, beleefdheid en genegenheid. De jongens kregen deze vrouwenzaken opgelegd omdat ze voornamelijk door vrouwen werden opgevoed en de man ofwel te oud was ofwel te vaak op reis.

Bendes[bewerken]

Mensen met een ontworteld en zwervend bestaan werden soms avonturier of struikrover. Ontworteld kon men raken door de langdurige oorlogen waarvoor men op de vlucht sloeg, of doordat men geplunderd was of een hoge prijs aan losgeld had moeten betalen voor een gevangengenomen verwant. De bendeleden leefden samen in een soort kamp, waar ze dobbelden en hoeren deelden. Ze bouwden een vervangend gezin op, maar zonder de normen die bij het gezinsleven hoorden.

Noten[bewerken]

  1. Gezinsgrootte.
  2. Al in de late oudheid was er een ontstedelijking begonnen, die in de vroege middeleeuwen doorzette. Door de feodalisering werd de toestand dermate onveilig dat de handel tot stilstand kwam. Hieronder leden de steden. Door de Godsvrede verbeterde de toestand. De handel bloeide weer op en de steden werden belangrijker, door de invloed van de gilden, maar ook door de uitvinding van het buskruit. De macht van de steden werd groter ten koste van die van de adel en de geestelijkheid.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.