Sociale geschiedenis van de late oudheid/De kerk

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Filosofie
  3. Eenvoud des harten
  4. Restauratie
  5. Christendom
  6. De kerk
  7. Kloosters
  8. Seksualiteit
  9. Bronnen en links

6. De Kerk

Constantijn de Grote, buste, 4e eeuw
Kerkvader Augustinus
Constantijnbasiliek te Trier, begin 4e eeuw

Macht[bewerken]

De christelijke kerk was al rond 300 een instituut geworden met vele geestelijken. Er werden veel armen onderhouden. De kerk was in de steden zeker even groot geworden als de grootste broederschappen. Omdat de kerk steeds machtiger werd en omdat de geestelijken en bisschoppen celibatair leefden (wat hen boven de gemeenschap plaatste), vonden veel mensen de kerkelijke elite net zo prestigieus als de traditionele notabelen.

Licinius en Constantijn de Grote vaardigden in 313 het edict van Milaan uit dat iedereen vrijheid van godsdienst gaf. Vanaf dat moment groeide het aantal volgelingen snel. Onder keizer Theodosius werd het christendom in 380 feitelijk de staatsgodsdienst.

Rijk maar marginaal[bewerken]

De keizer schonk openbare gebouwen aan de steden, maar hij liet ook veel mooie kerken bouwen volgens een rijksontwerp: de basiliek. Deze was afgeleid van de audiëntiezaal van de keizer, maar in plaats van de rechtersstoel van de keizer stond in de basiliek de rechterszetel van God.

De geestelijkheid werd vrijgesteld van belasting en kreeg voedsel toegewezen, net zoals alle burgers. De bisschop had toegang tot de provinciegouverneurs en de potentes om te pleiten voor de armen en de onderdrukten, hoewel hij soms lang in het voorportaal moest wachten. De kerk in de vierde eeuw leek indrukwekkend, maar bleef voor de wereld van de macht (in Kerklatijn saeculum) een randverschijnsel.

Groepen in de basiliek[bewerken]

De christelijke gemeenschap bleef proberen te voldoen aan haar ideaal van samenhorigheid, iets dat zichtbaar werd tijdens de ceremonies in de basiliek. De hiërarchische structuur van het saeculum was hier bijna afwezig.

Natuurlijk schitterden de machtigen in hun zondagse kleren (met voorstellingen van het evangelie erop geborduurd) tussen het gewone, grauwe volk. Ook waren mannen en vrouwen gescheiden, elk aan één kant van het middenpad. Toch bleven de christelijke basilieken plaatsen waar mannen, vrouwen en personen van alle rangen en standen samenkwamen. En voor de vorsende blik van God waren zij allemaal gelijk. Vanaf de preekstoel werden de hoge heren wel eens openlijk gehekeld als de aanstichters van kwaad en sociaal onrecht. Zoals vroeger de filosoof zedenpreken mocht houden tegen de elite, zo mochten nu de geestelijken en de bisschop zedenpreken houden tegen iedereen. En de christenen probeerden deze vrijheid vanuit de basiliek op te schalen naar de hele stad.

Tijdens de eucharistieviering werden de mensen openlijk in groepen verdeeld. Tijdens de consecratie (de mystieke verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus) werden de ongedoopten uit de basiliek verwijderd.

Aan het einde van de viering, de communie, kwamen de gelovigen naar voren om lichaam en bloed van Christus tot zich te nemen: eerst de bisschop, dan de geestelijken, dan de kuise mannen en de kuise vrouwen, en als laatsten de gehuwden.

Achterin de basiliek stonden de boetelingen, zij hadden gezondigd en mochten niet ter communie gaan. Ze stonden daar ongeschoren en met oude kleren te wachten tot de bisschop zich met hen wilde verzoenen[1]. Hier stonden zowel rijken als armen. Ambrosius van Milaan stuurde ooit keizer Theodosius zonder kroon en mantel daarheen omdat hij de inwoners van Thessaloniki had laten afslachten. Tijdens de hele late oudheid bleef deze methode van openbare boetedoening bestaan.

Grote thema's[bewerken]

De kerk had in de late oudheid drie grote thema's:
1) Zonde
2) Armoede
3) Dood
Als de gelovige met deze thema's omging zoals door de geestelijkheid was vastgelegd, dan kon hij toegang verwerven tot de "Stad Gods". Deze werd op christelijk mozaïeken afgebeeld als een verrukkelijke plaats met grazige weiden gelegen aan verkwikkend water, waar geen pijn en ellende bestonden [2].

Zonde[bewerken]

Het begrip 'zonde' was nieuw in de samenleving. De seksuele beleving, de opvatting over de christelijke dogma's en de 'misdaad in gedachten' van de ketterij konden door de geestelijkheid worden veroordeeld. De zondaar kon dan openlijk uit de christelijke kerk worden verstoten (excommunicatie) en mocht de eucharistieviering niet meer bijwonen. Deze kerkban kon alleen worden opgeheven door een openlijke verzoening met de bisschop. Een wat mildere straf was dat men enige tijd als boeteling achterin de kerk moest staan tijdens de eucharistievieringen en niet ter communie mocht. De kleine dagelijkse zonden zou God wel vergeven, als men tenminste aalmoezen aan de armen zou geven.

Armoede[bewerken]

Daklozen, waaronder gehandicapten, zwervers en mensen die de ellende van het platteland waren ontvlucht: heel deze grauwe, anonieme massa sliep in de gaanderijen rond de basiliek en stond voor de basiliek als er een mis was, zodat de gelovigen erdoorheen moesten waden (en aalmoezen geven).

De meeste Romeinen hadden deze afstotende wrakken altijd als een bedreiging gezien, een uitzondering waar ze niets mee te maken wilden hebben. De kerk gaf hun bedeling. De meeste mensen hoefden voor hun dagelijkse zonden (genotzucht, ijdele en onkuise gedachten) geen publieke boetedoening te doen, maar door een aalmoes aan de armen te geven, zou God mogelijk hun zonden kwijtschelden.

De kerk stelde dat de armen van God verlaten waren net zoals de zondaars van God verlaten waren. Daardoor kwam er spontaan medeleven met de armen, want armen en zondaars zaten in hetzelfde schuitje. En iedereen was zondaar. Elke gedachte aan seksualiteit maakte de mens immers al tot zondaar. De zondaar riep om de genade van God, en als hij die niet kreeg, werd hij er door de kerk fijntjes aan herinnerd, dat zoals hij niet aan elke arme gaf, God ook niet elke zondaar zijn genade schonk. Dit alles droeg bij aan het solidariteitsgevoel van de christenen.

Giften[bewerken]

In de klassieke tijd hadden de mecenassen royaal geschonken aan de stad, nu schonk men aan de kerk. De rijken schonken heel veel, zodat er basilieken gebouwd konden worden. De meeste basilieken werden echter door de keizer geschonken. Rijke en vooraanstaande geestelijken schonken veel en zij konden daarmee, net als vroeger de mecenassen, bewijzen dat zij recht hadden op het leiderschap in de kerk.

Aan het begin van de eucharistie brachten de gelovigen offers naar het altaar, de namen van de de gevers van grote schenkingen werden door de geestelijke voorganger afgeroepen onder luid gejuich van de overige gelovigen. Deze gulle gevers kregen daardoor wel eens het gevoel dat ze boven de massa verheven waren, maar dat werd snel getemperd: ook zij waren zondaars. Iedereen was een zondaar. En elke aalmoes aan de armen was welkom. De giften aan de kerk waren daarom niet zozeer groot (gebouwen, monumenten etc. zoals vroeger door de mecenassen gegeven werden), er was eerder een constante stroom van aalmoezen.

Dood[bewerken]

In de klassieke oudheid hadden de Romeinen nauwelijks enig idee over de dood en het hiernamaals. De christenen echter hadden een onwankelbare doctrine over het hiernamaals.

De christelijke geestelijken zorgden nu voor de nagedachtenis aan de doden. Tot dan toe had de stad dat gedaan. De geestelijken herdachten de namen van de doden in hun gebeden ten overstaan van de hele christelijke gemeenschap die als een soort substituutfamilie diende. Ook werd er gebeden voor het zieleheil van de doden. Er kwamen jaarlijkse feesten om hen te herdenken. Dit werd betaald uit de offergaven die tijdens de eucharistieviering werden gedaan.

Maar de geestelijken weigerden offergaven als zij gedaan werden voor een dode die niet bekeerd was, of als hij een zondaar zonder berouw was geweest of een zelfmoordenaar. Voor dit soort mensen werd ook niet gebeden. Zij mochten ook niet meer op de 'gewijde grond' rond de basiliek begraven worden.

Graven[bewerken]

Catacomben van Rome

De sarcofagen van de elite uit de tweede en derde eeuw vielen op door hun unieke grafschriften die in originaliteit met elkaar wedijverden. De christenen hadden slechts een beperkt repertoire aan grafschriften die op bijna al hun graftombes voorkwamen.

De rijke christenen begroeven in de late oudheid hun doden in praalgraven en familiemausoleums. Voor de armen kwamen er steeds meer begrafenisverenigingen.

Al in het begin van de derde eeuw waren er grote christelijke begraafplaatsen op, wat de christenen 'heilige grond' noemden. Daar waren de praalgraven voor de rijken en op gepaste afstand daarvan de onderaardse gangenstelsels (catacomben) waar de armen in nissen naast en boven elkaar lagen, zodat er heel veel armen in konden. De geestelijkheid verzorgde deze graven.

Op het einde van de vierde eeuw lagen de begraafplaatsen niet meer rond de praalgraven, maar rond de graven van de vele martelaren. Kuise vrouwen, geestelijken en monniken werden hier dichtbij begraven. Verder weg lagen de eenvoudige, deugdzame leken. De klassieke, publieke feestmalen ter nagedachtenis van een bekende overleden notabele raakten in onbruik. Zelfs de keizer liet het herdenken van zijn overleden potentes nu steeds meer over aan de kerk.

Rijke vrouwen[bewerken]

De geestelijkheid was in de vierde eeuw deels afhankelijk van de giften van rijke weduwen of van de vrouwen van vooraanstaande senatoren. Volgens de heidense Romeinen was dat vrouwelijke patronaatschap een mogelijke bron van schande. Vrouwen speelden officieel geen leidende rol in de kerk. Maar soms deden zij grote schenkingen en als ze dan ook nog een hoog niveau hadden en morele moed betoonden, dan konden ze invloed krijgen. Dat werd echter elke keer door de tegenstanders van de kerk aangegrepen om er een schandaal van te maken. Maar er rustte geen taboe op een patronaat van de vrouw over menselijk uitvaagsel. Dus als beschermvrouwe van de armen werd zij geaccepteerd. Zij gaf aalmoezen aan hen en verzorgde de zieken en de vreemdelingen in de herbergen. Daardoor verwierf zij een publieke status die zij als vrouw van een notabele nooit had kunnen krijgen.

Bisschop[bewerken]

De positie van de celibataire bisschop werd in de vierde eeuw steeds belangrijker. De christelijke gemeenschap was in die tijd echter nog niet de overheersende factor. In de vijfde eeuw werden veel grote steden in het westelijke deel van het Romeinse rijk door de volksverhuizing getroffen. Rome werd verwoest door de Westgoten, Carthago werd ingenomen door de Vandalen. Men vroeg zich af of de laat-Romeinse steden met hun potentes zouden verdwijnen en of de christelijke bisschoppen de macht zouden krijgen. Sommige bisschoppen deden flink van zich spreken: Ambrosius van Milaan, Augustinus van Hippo, Paus Leo I in Rome, Johannes Chrysostomus van Constantinopel, Theophylus van Antiochië.

Noten[bewerken]

  1. Die verzoening werd maar één keer in het leven van de zondaar gegeven. Als hij daarna weer zondigde, was hij voor eeuwig verdoemd
  2. Augustinus: de stad Gods
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.