Naar inhoud springen

Plato/Allegorie van de grot

Uit Wikibooks
Plato

De Allegorie van de grot maakt deel uit van Plato's werk 'Staat' (Politeia), waarin hij een beeld schetst van de ideale staat. De opvoeding van de staatsman-filosoof wordt - in feite door Plato, maar bij monde van Socrates - vergeleken met een tocht uit de grot naar het licht van de ware kennis. De fictieve dialoog tussen Socrates en Plato's broer Glauco wordt verteld in Boek VII van de Staat.

De gelijkenis wordt in het verhaal door Socrates als volgt voorgesteld. Stel je de situatie voor van iemand die gevangen zit in een grot, met zijn rug gekeerd naar het vuur. Hij is zich van het bestaan van de gang achter hem niet bewust, want hij zit zodanig vastgeketend dat hij alleen maar voor zich uit kan kijken. Het enige wat hij ziet, zijn de schaduwen op de rotswand van voorwerpen die achter zijn rug door mensen worden gedragen. De gevangene houdt uiteraard de schaduwen voor de werkelijkheid. Pas wanneer hij zich op een of andere wijze van zijn ketenen kan bevrijden en zich naar boven, naar de uitgang en het vuur begeven, neemt hij de echte voorwerpen waar. Hij is echter niet gewend aan het licht en zal pas na lange tijd daartoe in staat zijn. Als hij terugkeert naar de grot, zullen zijn medegevangenen echter niet weten waar hij het over heeft. Zij zullen hem zelfs als een gevaar zien en hem mogelijk doden.

Allegorie van de grot

Interpretatie

[bewerken]

De tocht uit de grot (allegorisch voor de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid) naar buiten (de werkelijkheid van de Ideeën), symboliseert het opvoedings- en onderwijsproces dat de filosoof-regeerder moet volgen, wil hij aan het hoofd kunnen staan van Plato's ideale staat. Plato is vrij elitair en heeft met deze opvoeding dus alleen filosofen voor ogen, die pas na jaren intellectuele en morele opvoeding de leiding van de staat op zich kunnen nemen. Niet iedereen is in staat om kennis over de Ideeën te verwerven. Plato maakt in zijn werk onderscheid tussen degenen die voorbestemd zijn om de staat te leiden, de filosofen, en het gewone volk dat aan meningen en rituelen voldoende heeft.

De allegorie is gerelateerd aan Plato's theorie van de Vormen: de Ideeënleer. Plato poneert daarin de Vormen of Ideeën als buiten ruimte en tijd bestaand, en daardoor eeuwig en onveranderlijk. Hij zet zich daarbij af tegen de wereld van de zintuiglijke gewaarwordingen en kent alleen aan de 'Vormen' absolute werkelijkheidswaarde toe.

[bewerken]
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.