Nieuwgrieks/Les 16

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nieuwgrieks
Nieuwgrieks

Alfabet en uitspraak
Lessen: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20

Ένα ζευγάρι ετοιμάζει το σπίτι του[bewerken]

1 - Ο Στέφανος και η Χριστίνα παντρεύονται και για αυτό χτίζουν σπίτι.

2 - Το σπίτι τους θα έχει δυο κρεβατοκάμαρες, μια τραπεζάρια, ένα σαλόνι, μια κουζίνα, ένα μπάνιο και ένα χολ.

3 - Θα τελειώσει σε έξι μήνες.

4 - Όμως άρχισαν κιόλας να αγοράζουν έπιπλα.

5 - Της Χριστίνας της αρέσει να τριγυρίζει στα μικρά μαγαζιά και να ψάχνει για παλιά τραπέζια, καρέκλες, κομοδίνα.

6 - Πιστεύει ότι αυτά δίνουν χρώμα και προσωπικότητα σ'ένα σπίτι.

7 - Θέλει να το επιπλώσει μόνη της, με το προσωπικό της γούστο.

8 - Αύριο θα πάει μαζί με το Στέφανο σ'ένα παλαιοπωλείο να διαλέξουν μερικά κομμάτια.

9 - Είναι πραγματική απόλαυση να αγοράζει πράγματα για το σπίτι τους.

10 - Και ο Στέφανος και η Χριστίνα, κάθε φορά που ψωνίζουν κάτι, κάνουν σαν μικρά παιδιά από τη χαρά τους.


Vertaling[bewerken]

Εen koppel richt hun huis in

1 - Stefaan en Christina zijn getrouwd en daarom bouwen ze een huis.

2 - Hun huis zal twee slaapkamers hebben, een salon, een keuken, een badkamer en een hall.

3 - Het zal in 6 maanden voltooid zijn.

4 - Ze zijn echter reeds begonnen meubels te kopen.

5 - Christina houdt van (aan Christina bevalt) om in kleine winkeltjes rond te snuffelen en om naar oude tafels, stoelen en nachttafeltjes te zoeken.

6 - Ze gelooft dat die kleur en persoonlijkheid geven aan een huis.

7 - Ze wil het alleen bemeubelen, volgens (met) haar persoonlijke smaak.

8 - Morgen zal ze samen met Stefaan naar een antiekwinkeltje gaan om enkele stuks uit te kiezen.

9 - Het is een echt plezier om dingen te kopen voor hun huis.

10 - Zowel Stefaan als Christina gedragen zich, iedere keer dat ze iets aankopen, door hun vreugde als kleine kinderen.


Οι πρώτες δυσκολίες[bewerken]

1 - Χριστίνα, οι μέρες πέρνουν, ο γάμος πλησιάζει και νομίζω ότι πρέπει να αποφασίσουμε τι μπορούμε να αγοράσουμε τώρα και τι αργότερα.

2 - Ένα λεπτά, θα τελειώσω τη δουλειά μου κι έρχομαι.

3 - Θέλω τώρα να μην αγοράσουμε τίποτα για το σαλόνι.

4 - Θα φέρω εγώ το γραφείο μου, θα φέρεις εσύ τη βιβλιοθέκη σου, και με δυο τρία μαξιλάρια στο δάπεδο θα είμαστε εν τάξει.

5 - O θείος Πέτρος ρωτάει τι δώρο θέλουμε να μας δώσει.

6 – Πες του να μας πάρει μια λάμπα για το γραφείο, για να δουλεύουμε πιο άνετα.

7 – Για την κρεβατοκάμαρα ένα διπλό κρεβάτι.

8 – Σύμφονοι. Μένει η κουζίνα. Θέλουμε οπωσδήποτε ψυγείο και ηλεκτρικό φούρνο.

9 – Και πλυντήριο για τα ρούχα. Δεν μπορώ να πλένω στο χέρι.

10 – Kαμιά αντίρρηση. Ελπίζω μόνο να φτάσει τα λεφτά μας.

11 – Κι εγώ το ελπίζω, αλλά στην ανάγκη υπάρχουν και οι δόσεις.


Vertaling[bewerken]

De eerste moeilijkheden

1 - Christina, de dagen gaan voorbij, het huwelijk nadert en ik denk dat we moeten beslissen wat we nu kunnen kopen en wat achteraf.

2 - Een minuutje, ik ga mijn werk beëindigen en ik kom.

3 - Ik wil nu niets kopen voor het salon.

4 – Ikzelf zal mijn bureau meebrengen, jijzelf zal je boekenkast meebrengen en met twee drie kussens op de vloer zullen we op orde zijn.

5 - Oom Peter vraagt welk geschenk we willen dat hij ons geeft.

6 – Zeg hem dat hij ons een lamp voor het bureau brengt, om gerieflijker te werken.

7 – Voor de slaapkamer een dubbel bed.

8 – Natuurlijk. Dan blijft de keuken (over). We willen in elk geval een ijskast en een elektrische oven.

9 – En een wasmachine voor de kleding. Ik kan niet met de hand wassen.

10 – Geen probleem. Ik hoop alleen dat ons geld volstaat.

11 – Ιk hoop het ook, maar in geval van nood bestaan er ook afbetalingen.


Grammatica[bewerken]

De toekomende tijden[bewerken]

Net zoals we twee verleden tijden gezien hebben (de aorist en het imperfectum) kent het Grieks ook twee toekomende tijden. Ze worden allebei op dezelfde manier gevormd enkel de gebruikte stam verschilt: plaats θα voor het werkwoord en gebruik de uitgangen van de tegenwoordige tijd, bij toekomende tijd 1 gebruiken we de stam van de tegenwoordige tijd (de eerste stam) en bij toekomende tijd 2 de stam van de aorist (tweede stam):

Toekomende tijd 1 Toekomende tijd 2 Vertaling
1ste pers. Enk. θα διαβάζω θα διαβάσω ik zal lezen
2de pers. Enk. θα διαβάζεις θα διαβάσεις jij zult lezen
3de pers. Enk. θα διαβάζει θα διαβάσει hij/zij/het zal lezen
1ste pers. Mv. θα διαβάζουμε θα διαβάσουμε wij zullen lezen
2de pers. Mv. θα διαβάζετε θα διαβάσετε jullie zullen lezen
3de pers. Mv. θα διαβάζουν θα διαβάσουν zij zullen lezen


De vertaling is voor beide tijden hetzelfde, het verschil is analoog aan het verschil tussen het imperfectum en de aorist. Beide tijden zijn ook soortgelijk en verschillen enkel door het gebruik van de stam (eerste stam voor het imperfectum, tweede stam voor de aorist).

We noemen dit gebruik van deze stammen een aspect: de tijden gevormd met de eerste stam (imperfectum en toekomende tijd 1) behoren tot het onvoltooide aspect en de tijden gevormd met de tweede stam (aorist en toekomende tijd 2) tot het momentane aspect.

Enkel de tegenwoordige tijd kent geen aspect, daarom wordt deze altijd gevormd met de eerste stam. Het Grieks kent geen tegenwoordige tijd die van de tweede stam gebruik maakt.


Voorbeelden:

θα φτάνω πάντα στο μάθημα στην ώρα μου   "ik zal altijd op tijd in de les komen"
θα φτάσω στην Αθήνα στις 4.00 το απόγευμα   "ik zal om 4 uur in de namddag in Athene aankomen"

De eerste zin drukt een herhaalde gebeurtenis uit en behoort dus tot het onvoltooide aspect; de tweede zin bevat een eenmalige gebeurtenis en behoort tot het momentane aspect.

θα λείπουμε από το σπίτι μας όλο το καλοκαίρι   "we zullen ons huis heel de zomer missen"
θα λείψουμε από το σπίτι μας την άλλη Κυριακή   "we zullen ons huis volgende zondag missen"

De eerste zin duurt een langere periode dus ontvoltooid aspect, de tweede zin slechts één dag dus momentaan aspect.

θα γράφεις στους φίλους σου τακτικά;   "zal je regelmatig naar je vrienden schrijven?"
θα γράψεις τώρα ένα γράμμα στους φίλους σου;   "zal je nu een brief naar je vrienden schrijven?"

In de eerste zin duidt het woord "regelmatig" op een onvoltooid aspect, in de tweede zin geeft "nu" aan dat het om een momentaan aspect gaat.


De ontkenning van de toekomende tijd gebeurt door δε voor θα te plaatsen:

δε θα δουλεύω στο γραφείο από αύριο   "ik zal vanaf morgen niet (meer) in het bureel werken"
δε θα δουλέψω στο γραφείο αύριο   "ik zal morgen niet in het bureel werken"


Tussen θα en het werkwoord mag je alleen maar persoonlijke voornaamwoorden plaatsen nooit een ander woord:

θα τους γράψω   "ik zal hun schrijven"
θα της το δίνω κάθε βδομάδα   "ik zal het haar elke week geven"

De aanvoegende wijs[bewerken]

De aanvoegende wijs is in het Nederlands zo goed als verdwenen, in het Grieks wordt deze wijs echter nog veel gebruikt. Deze wijs heeft verschillende functies maar de meest voorkomende is waar het Nederlands een infinitief gebruikt.

Het Grieks kent wel een infinitief maar die wordt enkel gebruikt om bepaalde tijden te vormen (zie hiervoor een latere les):

ik wil een brief schrijven - hier is "schrijven" een infinitief
θέλω να γράψω ένα γράμμα - hier is "να γράψω" een aanvoegende wijs

De aanvoegende wijs kent dezelfde tijden als de toekomende tijd, dus een aanvoegende wijs 1 met de eerste stam die tot het onvoltooid aspect behoort en een aanvoegende wijs 2 met de tweede stam de tot het momentaan aspect behoort.

Toekomende tijd 1 Toekomende tijd 2 Vertaling
1ste pers. Enk. να διαβάζω να διαβάσω ik ... lezen
2de pers. Enk. να διαβάζεις να διαβάσεις jij ... lezen
3de pers. Enk. να διαβάζει να διαβάσει hij/zij/het ... lezen
1ste pers. Mv. να διαβάζουμε να διαβάσουμε wij ... lezen
2de pers. Mv. να διαβάζετε να διαβάσετε jullie ... lezen
3de pers. Mv. να διαβάζουν να διαβάσουν zij ... lezen

Zoals je merkt, is de vorm van de aanvoegende wijs bijna identiek aan de toekomende tijd alleen vervangen we θα door να.


Het gebruik is wel analoog:

μπορείτε να ταξιδεύετε πολύ   "jullie kunnen veel reizen"
μπορείτε να ταξιδέψετε φέτος   "jullie kunnen dit jaar reizen"

We herhalen dus de persoon en het getal van het basiswerkwoord in de aanvoegende wijs (hier allebei tweede persoon meervoud).

πρέπει να διαβάζεις τα μαθήματά σου κάθε μέρα   "je moet elke dag je lessen lezen"
πρέπει να διαβάσεις τα μαθήματά σου σήμερα   "je moet vandaag je lessen lezen"

Het werkwoord πρέπει "moeten" is een uitzondering omdat het onpersoonlijk is (het Grieks zegt dus eigenlijk steeds "het moet dat"), hier zie je de persoon en het getal dus enkel aan de vorm van de aanvoegende wijs.


De ontkenning van de aanvoegende wijs gebeurt echter niet met δεν of δε maar met een afzonderlijk woordje μην of μη (de eind-ν valt weg volgens de gewone regels). Dit woordje wordt echter steeds tussen να en het werkwoord geplaatst:

θέλουμε να μην αγοράζουμε πράγματα   "wij willen geen dingen kopen"
θέλουμε να μην αγοράσουμε αυτά τα παπούτσια   "wij willen die schoenen niet kopen"

Bij het werkwoord θέλω "willen" kunnen de personen van beide werkwoorden verschillen:

θέλω να μου στείλεις ένα γράμμα   "ik wil dat je me een brief schrijft"

In het Nederlands vinden we dan een bijzin met "dat".

Hierbij is er een verschil of we δεν (bij θέλω) of μην (bij de aanvoegende wijs) gebruiken:

δε θέλω να μου στείλεις ένα γράμμα   "ik wil niet dat je me een brief schrijft"
θέλω να μην μου στείλεις ένα γράμμα   "ik wil dat je me geen brief schrijft"


Tenslotte merken we op dat de aanvoegende wijs onafhankelijk is van de gebruikte tijd van het hoofdwerkwoord:

θέλω να αγοράσω ψωμί   "ik wil brood kopen"
ήθελα να αγοράσω ψωμί   "ik wou brood kopen"
θα θέλω να αγοράσω ψωμί   "ik zal brood willen kopen"


Les 15   ←   →   Les 17


>> Nieuwgrieks >> Les 16

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.