Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen/Literatuur

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Erven, parken, tuinen en kastelen
  4. De stad
  5. Huizen in de stad
  6. Boerderijen
  7. Leefgemeenschappen
  8. Ontspoorde kloosters en kerk
  9. Religie
  10. Literatuur
  11. Beeldende kunst
  12. Waarnemen
  13. Lichaam
  14. Kleding en sieraden
  15. Ziekte en dood, artsen en magie
  16. Bad en sauna
  17. Het bed
  18. Keuken
  19. Bronnen en links

10. Literatuur

Schrijven[bewerken]

Jurist, 1426

Wij hebben veel meer schriftelijke bronnen over de tijd na 1325[1] dan over de tijd daarvoor, mede omdat men na 1325 meer ging opschrijven[2]. Dit betekent natuurlijk absoluut niet dat zaken die pas na 1325 werden beschreven, daarvoor niet bestonden.

Vooral de leken in de steden gingen meer schrijven, hoewel het om een kleine minderheid bleef gaan. Behalve schriftelijke bronnen zijn er ook nog schilderijen en beeldhouwwerken waaruit we gegevens van die tijd kunnen afleiden en verder zijn er nog de archeologische vondsten.

Het individu[bewerken]

Een individu kon breken met zijn familie, met zijn beroep en desnoods met de hele gemeenschap en kon daardoor buiten de wet komen te staan. Dit waren de krankzinnigen die we tegenkomen in de wouden zoals die werden beschreven in de gefantaseerde avonturenromans van de middeleeuwen. In werkelijkheid leefden daar alleen maar wat houtskoolbranders en kluizenaars. De meeste mensen bleven braaf in hun eigen omgeving.

Wie tot de hogere klassen behoorde, was zo veel mogelijk werkzaam in een publiek ambt (res publica) aangezien er geen eer viel te behalen in de privéwereld (res privata)[3]. Het humanisme (dat in Italië was ontstaan door toedoen van onder andere Petrarca en Boccaccio en zich over heel Europa had verspreid) verheerlijkte weliswaar het individu, maar dan wel in dienst van het algemene welzijn dat ook door het humanisme boven het privéwelzijn werd gesteld[4].

In het Florence van de vijftiende eeuw konden de zakenman, de pater familias (huisvader) en de humanist zich alleen maar afzonderen van de rest van de huishouding door zich terug te trekken in hun studio's. Zij hadden nog niet veel ruimte voor een persoonlijk leven of de ontplooiing van hun ego.

Deze huisvaders waren uitermate deugdzaam want ze lazen Cicero, Livius en Plinius. De familiekronieken die zij schreven, stonden bol van de doorwrochte maar conformistische formuleringen. Zij verkondigden uiterst conservatieve standpunten en waren bijzonder tevreden met zichzelf want zij hadden altijd voor de juiste zeden gekozen. Zij schreven hun kronieken voornamelijk om het nageslacht te laten zien hoe actief zij waren geweest in het openbare leven. Emoties en openhartigheid hoeven we in deze kronieken niet te zoeken en zo was het op het einde van de middeleeuwen overal in Europa. Mogelijk moeten we daarom de mens die zijn gevoelens kon uiten op het platteland zoeken. Daar leefde hij immers in eenzaamheid en hoefde hij zich niet anders voor te doen dan hij was.

Het individu op het platteland[bewerken]

Op het platteland stonden kastelen en boerderijen:

  • Kastelen. Men was daar weliswaar eenzaam, maar er was ook doorlopend opwinding en lawaai in plaats van rust en vrede. Het kasteel was niet voor het plezier gebouwd, maar ter verdediging. Daarom waren er verdedigingswerken, was het klein van binnen, waren er stallen en wapenmagazijnen. Het stonk er naar kruit, overal liepen ruiters en honden, en er waren zoveel mensen dat je ze niet eens meer allemaal kende. Er konden dus ook boeven en verraders tussen zitten[5].
  • Boerderijen. Daar was altijd lawaai: schapen blaatten, koeien loeiden, honden blaften, landarbeiders schreeuwden, karren knarsten. Lag de boerderij dicht bij een bos, dan hoorde men ook nog de wolven huilen. De seizoenen wisselden, de boeren moesten bomen planten, velden bevloeien, ploegen, eggen, zaaien, bemesten, oogsten en dorsen. En als de oogst mislukte, was er armoede en ellende. Boeren hadden noch de middelen noch de tijd om met zichzelf en hun gevoelens bezig te zijn.

Op het platteland was dus altijd opwinding, angst en wanhoop. Enige vrijheid kon men alleen bereiken door te lezen en te schrijven midden in de drukte van het hof waar men altijd alleen was te midden van al die anderen.

De ik-figuur[bewerken]

In de middeleeuwen mocht een schrijver alleen maar de ik-vorm gebruiken als hij een verdediging van het christendom schreef of als hij over de geschiedenis schreef. Anders schreef hij in de derde persoon enkelvoud of hij gebruikte beeldspraak[6]. Pas na 1450-1500 zou de echte autobiografie ontstaan.

Biecht, commentaar, dagboek en kroniek zijn bronnen van informatie voor ons. De mededelingen die de schrijver daarin deed over zichzelf, de waarnemingen, gevoelens en opvattingen, waren soms oprecht.

Biecht[bewerken]

Petrarca (1304-1374) wordt wel de "vader" van het humanisme genoemd. Hij liet zich door de confessiones (belijdenissen) van Augustinus inspireren om de Mont Ventoux te beklimmen en daarover in de ik-vorm te schrijven[7]. Hij schreef echter heel weinig over zichzelf en de enkele keer dat hij dat deed, schreef hij er zonder veel emoties over. Na hem zouden humanistische schrijvers steeds vaker verwijzen naar en gebruik maken van de klassieke Latijnse literatuur.

De christenen hadden rond 1300 geleerd om hun eigen geweten te onderzoeken als zij gingen biechten[8][9]. Zij maakten dus af en toe de balans van hun geestelijke leven op en deze introspectie heeft waarschijnlijk mede geleid tot het schrijven van verhalen in de ik-vorm. Maar de doorwrochte redeneringen en de zedepreken die men overnam van de klassieke schrijvers stonden de introspectie in het schrijven in de weg, net zoals de hang naar roem (die men in de privéwereld niet kon vinden) de introspectie in de weg stond. Over het eigen geweten schreef men liever niet en meestal waren de beschrijvingen van het eigen leven zouteloos en oppervlakkig. Slechts een enkele keer verdween het conformisme naar de achtergrond en werd het geschrevene persoonlijk, soms sarcastisch, melancholiek of berustend.

Commentaren[bewerken]

Een commentaar gaf een beschrijving van bepaalde gebeurtenissen of van iemands keuzes. Die gebeurtenissen of keuzes werden van een commentaar (toelichting of uitleg) voorzien. Vaak leek zo'n commentaar objectief, maar meestal was dat alleen maar schijn. Sommige feiten werden namelijk helemaal niet vermeld, andere juist weer zeer uitvoerig.

De benaming "commentaar" stamt van de Romeinen, later ging men deze beschrijving: "memoire" noemen.

Dagboeken[bewerken]

In dagboeken verhaalde de schrijver over de gebeurtenissen die hij had meegemaakt (of die hij voorwendde te hebben meegemaakt). Er werden oordelen in uitgesproken en er werden plaatsen en mensen in beschreven. Natuurlijk werd alles gekleurd door de gevoelens van de schrijver, maar de schrijver zelf en diens emoties waren in deze dagboeken nauwelijks zichtbaar. Wat de schrijver vooral deed, was zijn eigen gedrag en zijn daden in het openbare leven roemen, verdedigen of rechtvaardigen.

(Familie)kronieken[bewerken]

Zie ook: Familiekronieken in Toscane (1300-1500)

Zie ook: Kronieken in Frankrijk (1000-1500)

  • Mogelijk had de kroniek haar oorsprong in de dertiende eeuw, toen mensen losse memobriefjes ophingen aan een spijker in de muur, zoals op een schilderij uit die tijd weleens is te zien.
  • Leken die konden schrijven, zoals notarissen, schrijvers in dienst van het openbare domein, kooplieden (van kleine handelaren tot leiders van internationale ondernemingen) en zelfs een enkele ambachtsman, gingen documenten bewaren. Dit deden ze mede om de familieherinneringen levend te houden.
  • Daarna werd de kroniek een verzameling schriften met herinneringen aan verplichtingen en vervaldata. Verder bewaarde men: contracten, boekhoudkundige documenten, geboorte- en sterftelijsten, medische recepten, raadgevingen voor verzoeningen, brieven en gereconstrueerde stambomen[10]. Vanwege de verdeling van de erfenis moesten alle panden en onroerende goederen maar ook de geestelijke verplichtingen goed worden genoteerd.
  • Tussen 1300-1600 zou de groep schrijvenden zich uitbreiden tot alle notabelen van alle steden van Europa. Soms schreven vrouwen verder aan de kroniek van hun vader of man nadat die was gestorven.
  • In de Midden- en Noord-Italiaanse steden vanaf ~1350 en in de Hanzesteden van Noord-Duitsland vanaf ~1380 gingen de kooplieden en bankiers het verst in het schriftelijk vastleggen van hun activiteiten. Ze voerden een degelijke boekhouding in een aantal bedrijfsdagboeken en in die boeken stonden ook verwijzingen tussen de boeken onderling. Hierin werden alleen mededelingen gedaan aangaande de commerciële activiteiten zoals winst en verlies. Daardoor ontstond toen de behoefte om ook huishoudboekjes over de huishoudelijke activiteiten en "geheime" boeken over de privézaken bij te houden: deze laatste waren de familiekronieken. Door deze kronieken kunnen we iets te weten komen over de bezigheden van de schrijver en de grootte en de inhoud van zijn erfgoed: iets dat het publiek niet mocht weten, vandaar dat de kroniek "geheim" was, vaak zelfs voor de eigen vrouw van de schrijver[11]. Ze waren bestemd voor de volgende generatie.
  • Dus men hield langzamerhand verschillende soorten boekjes of schriften bij: bedrijfsdagboeken, huishoudboekjes en familiekronieken. Sommigen scheidden hun familiekroniek ook nog eens in verschillende boeken, zoals: een boek voor de persoonlijke carrière, een boek voor de uitgaven aan weelde en een boek over de kinderen. Maar het onderscheid was tot ~1450 nog niet zo scherp. In de familiekronieken werden persoonlijke of anekdotische gegevens opgeschreven maar ook wel eens huishoudelijke rekeningen of de inkomsten uit de domeinen. Er werden handelsgebruiken beschreven, ervaringen in zaken of de politiek. Het blijft vaak bij losse aantekeningen over het familiebezit, over de schrijver zelf en zijn gezin. En ook werden er wel eens opmerkingen gemaakt die wij nu niet meer kunnen plaatsen.
  • Tot ~1550 en zelfs nog daarna waren deze kronieken nogal chaotisch, men laste van alles in op het moment dat men zich dat herinnerde: lijsten met namen van kinderen werden afgewisseld met de clausules van een huwelijksovereenkomst. De beschrijving van een verkoop op de markt werd opgevolgd door een recept voor zieke paarden.

De kooplieden noteerden bedrijfsbalansen, inventarisaties (ook van privébezit zoals jurken, sieraden en zelfs relikwieën). Er werden opsommingen gegeven van geboorten, huwelijken en sterfgevallen. Er werd beschreven hoe je kinderen moest opvoeden. Jong gestorven kinderen werden op de lijst doorgestreept net zoals de oninbare vorderingen. Contracten werden vastgelegd maar ook de geestelijke erfenis, hoewel die vaak grotendeels bestond uit gebeden en Bijbelcitaten. Verder een gedragscode die een voorouder voor het eerst had opgeschreven en die door elke generatie opnieuw werd overgeschreven. Soms noteerde men een politiek testament maar politieke gebeurtenissen werden meestal alleen maar opgeschreven in zoverre ze invloed hadden op het leven van het gezin.

Men schreef de familiekronieken meestal in de derde persoon enkelvoud en stelde zichzelf dan doorgaans voor als een vertegenwoordiger van de politieke correctheid, als een voorbeeldig koopman die zijn succes aan zijn kennis te danken had, als iemand die alles verafschuwde dat nadelig was voor de gemeenschap en die zich nooit in woord of gebaar verzette tegen de machthebbers. De verhalen over zijn persoonlijke leven hadden dus meestal kraak noch smaak. Zo'n figuur van een dergelijke (zelfgemaakte) bovenmenselijke kracht kon echter soms opeens breken, als bijvoorbeeld zijn zoon stierf.

Het uiten van gevoelens[bewerken]

Sommige dingen konden in het openbaar gezegd worden maar andere dingen alleen privé. Mensen schaamden zich ervoor om veel over hun geluk of hun droefheid te spreken en te schrijven. Als men bedroefd was omdat een naaste stierf, stuurde men vaak iedereen weg om een tijd alleen te kunnen zijn.

Toch hebben een paar vaders op aangrijpende wijze geschreven over hun gevoelens naar aanleiding van de ziekte of dood van een kind. Ze beschreven dan hoe hun kind eruit zag, hoe het wegkwijnde en stierf, dat ze zich schaamden om hun verdriet te uiten, dat ze de dode niet konden vergeten, dat ze doorlopend aan hem dachten, dat ze verteerd werden door verdriet en niet eens zijn vroegere kamer meer konden betreden.

Stambomen[bewerken]

In de familiekronieken werd ook de stamboom van de familie gereconstrueerd. Soms werd die stamboom wel eens wat fraaier voorgesteld dan hij feitelijk was door een zeer belangrijke voorouder ten tonele te voeren.

Nut en fatsoen[bewerken]

De schrijvende kooplieden hadden twee criteria waaraan hun aantekeningen moesten voldoen en dat waren: "fatsoen" en "nut". Aan de ene kant beschreven ze de keuzes waardoor de samenleving of het familiegoed werden verstevigd of verzwakt en dat mondde soms uit in de verheerlijking van een voorouder of in het opbiechten van een eigen dwaling. Aan de andere kant beschreven ze de kennis die voor de familie nuttig en noodzakelijk was: van het in stand houden van een netwerk van verwanten en zakenvrienden tot instructies omtrent het legen van de beerput.

Autobiografie[bewerken]

Vanaf 1400-1430 beschreef men in de kronieken ook wel eens zaken die niet over "nut en fatsoen" gingen. Dit was misschien wel de eerste aanzet tot het ontstaan van de autobiografie.

In Florence schreef Bonaccorso Pitti († 1432) een kroniek waarin hij aanvankelijk zweeg over de oorsprong van zijn geslacht en over zijn kinderjaren. Daarentegen vertelde hij, hoe hij na de dood van zijn vader door de wereld ging zwerven. Dat was iets nieuws: hij vertelde over liefdesavonturen, over een moord, over de vendetta en over de opstand van de Ciompi. Hij schreef niet over zijn eigen geweldige morele deugden en ook niet over de familie-eer, maar hij schreef in een levendige stijl over zijn eigen ontplooiing. Maar naarmate hij ouder werd en successen boekte in de handel en hij openbare functies ging bekleden, schreef hij zijn kroniek verder in de oude stijl van "nut en fatsoen".

De echte autobiografie ontstond pas later, rond 1450-1500, toen men ging geloven dat de mens meer aan zijn eigen inspanningen te danken had dan aan zijn afkomst of aan de bescherming van God[12]. De levensroman was vaak gebaseerd op een dagboek en gaf op een oprechte manier de geschiedenis weer van een moeilijke kindertijd en de jaren van opleiding. Soms gingen deze verhalen ook over de laatste jaren van het leven van de schrijver.

Anderen, zoals Matthäus Schwarz die ~1528 een boek schreef over alle kostuums die hijzelf gedragen had, kozen ervoor om een narcistisch boek te schrijven vol van futiliteiten en schone schijn, waarin ze zichzelf zelfgenoegzaam ophemelden. Er brak na 1520 dan ook een andere tijd aan: die van provocatie en snobisme.

Noten[bewerken]

  1. Na 1325 komen er veel meer bronnen ter beschikking en zijn er ook veel meer resten in de bodem gevonden.
  2. De adel had pas in de dertiende eeuw leren schrijven.
  3. In het woud zou niemand de dolende ridder zien dus daar viel geen eer te behalen.
  4. De humanisten vonden dat een man in de wereld moest staan en doen waar hij goed in was.
  5. Rond 1200 werd de graaf zeer achterdochtig tegenover bezoekers van het kasteel.
  6. Het 'ik' was feitelijk de stem van de gemeenschap en dat zou de gehele middeleeuwen zo blijven in de literatuur.
  7. Dante (1265–1321) wordt door velen gezien als nog een echte middeleeuwer terwijl Petrarca (1304-1374) volgens sommigen aan het begin van de Renaissance zou hebben gestaan.
  8. Introversie en verinnerlijking van het geloof 1250-1320.
  9. Biecht.
  10. Stambomen in Toscane.
  11. Zelfs hun vrouw mocht de familiekroniek niet lezen in Toscane.
  12. Dit standpunt begon al vorm te krijgen in de "verinnerlijking" van het christelijke geloof tussen 1200-1320, maar werd feitelijk pas tot zijn hoogtepunt gebracht door de protestanten na 1530. Bron: Keith Thomas, Religion and the decline of magic.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.