Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen/Bad en sauna

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Erven, parken, tuinen en kastelen
  4. De stad
  5. Huizen in de stad
  6. Boerderijen
  7. Leefgemeenschappen
  8. Ontspoorde kloosters en kerk
  9. Religie
  10. Literatuur
  11. Beeldende kunst
  12. Waarnemen
  13. Lichaam
  14. Kleding en sieraden
  15. Ziekte en dood, artsen en magie
  16. Bad en sauna
  17. Het bed
  18. Keuken
  19. Bronnen en links

16. Bad en sauna

In alle milieus waste men regelmatig het hele lichaam. Op het einde van de middeleeuwen stopten de monniken met hun moralistische waarschuwingen aangaande het baden. De kerk begon er zelfs op aan te dringen het lichaam schoon te houden en regelmatig schoon ondergoed aan te trekken.

Baden[bewerken]

Next.svg Zie ook Baden en badhuizen

Als men thuis een bad nam, stond de tobbe bij het vuur en op dat vuur werd ook het water verwarmd, meestal lauwwarm. In het water hadden welriekende planten getrokken en over de (vrijwel naakte) bader strooide men rozenblaadjes uit.

Bij de rijken stond de badkuip of tobbe rond 1500 in een apart kamertje met een plavuizen vloer en soms stond daar ook een (geel)koperen kachel[1]. De tobbe was vaak maar net zo groot dat men er in kon zitten.

Op het platteland werd het bad waarschijnlijk net zoveel gebruikt als in de stad. Men nam het bad binnen of buiten het huis en hurkte dan in de tobbe met warm water. Over zichzelf en de kuip heen hing men vaak nog een laken waar de damp onder bleef hangen, zodat men ook nog iets van een stoombad had. Men ging het liefst samen met anderen in bad, ieder in zijn eigen tobbe, vanwege de gezelligheid en vanwege de gastvrijheid die gebood om gasten een bad aan te bieden.

Na de wijnoogst nam men altijd een bad. Vóór de bruiloft namen de bruidegom met zijn vrienden en de bruid met haar vriendinnen een bad.

Sauna[bewerken]

Het stoombad of de sauna kwamen vaak voor in de dorpen en steden van de Slavische en Duitse gebieden. Al in 973 werden ze beschreven in Saksen en Bohemen. Er hing een uithangbord met een takkenbos en bladeren aan de straat. De gang van zaken was als volgt:

  • De badmeester blies op zijn hoorn als de sauna openging.
  • Dan stroomden de mensen binnen, op blote voeten, zonder riem, met een badhemd of badjas over de arm.
  • In het (door de damp veroorzaakte) halfdonker ging men op houten banken liggen rondom hete stenen waar regelmatig water op werd gesprenkeld.
  • Men liet zich rug, armen en benen masseren door masseuses, men geselde zichzelf met takken waardoor men ging zweten en men wreef zichzelf in met zeep en as.
  • De kapper knipte haar en baard bij.
  • Dan trok men de badjas aan en ging in het rustvertrek naast het bad op een bed liggen.
  • Men kon in het badhuis ook praten, eten en zich amuseren.

Badhuizen[bewerken]

Next.svg Zie ook Baden en badhuizen
1480
1568

Sommige mensen gingen wel drie of vier keer per dag naar het badhuis. Zowel in de stad als op het platteland waren openbare baden. Sommige daarvan waren (geneeskrachtige) kuurbaden. Al in de Oudheid bestonden deze thermen[2][3]. In de vijftiende eeuw werden ze bezocht door hertogen en ambassadeurs die er samen met hun artsen naar toe gingen.

Men zou gemakkelijk kunnen denken dat er in de badhuizen amoureuze ontmoetingen plaatsvonden tussen (geheime) minnaars. In de literatuur wemelde het van de verhalen over dit soort erotische ontmoetingen in badhuizen, want iedereen liep er naakt, mannen en vrouwen door elkaar. Men zou er elkaar begeren en verleiden. Daardoor kregen de badhuishouders en de masseuses een slechte naam. De werkelijkheid was heel anders[4].

In 1416 beschreef de Florentijnse humanist Poggio hoe het er in het openbare badhuis van Baden bij Zürich echt aan toeging. Hij beschreef het badhuis als een schitterend complex van vele gebouwen rond een groot plein. Er waren in die gebouwen 2 openbare baden en 28 privébaden. Mannen en vrouwen kwamen door dezelfde deur naar binnen.

  • De openbare baden waren voor het gewone volk: vrouwen, mannen en kinderen. In de bassins waren mannen en vrouwen gescheiden door een hekwerk. Onder de vrouwen waren jonge godinnen en afgeleefde oude vrouwen. De mannen droegen hooguit een soort onderbroek. De vrouwen droegen een linnen tuniek die van boven of opzij open viel en hals, borst, armen en schouders bloot liet.
  • De privébaden waren chic, ook daar werden mannen en vrouwen gescheiden door een hekwerk met kleine openingen erin zodat men met elkaar kon drinken en praten en elkaar zelfs kon aanraken. Boven de privébassins liepen gaanderijen waar je kon zitten om te kijken en te praten. Men hoefde niet per se in zijn eigen badruimte te blijven maar kon ook naar andere ruimtes gaan om daar te kijken en te praten want de deuren waren niet afgesloten en er stonden geen wachten bij.

Men at vaak in het water: als men daarvoor bij de ingang betaald had, werd er een tafel gedekt die in het water stond. Men zong ook in het water, begeleid door een citer en zakte daarbij een beetje door de knieën. Bij de vrouwen dreven de tunieken als een sluier op het water.

Moraal[bewerken]

De mensen, schreef Poggio, waren rustig. Ze gluurden niet naar elkaar, hadden geen vieze fantasieën en gebruikten geen schunnige taal. Er hing geen enkele zweem van dubbelzinnigheid. De sfeer was gezellig, vrolijk en onschuldig. Deze Noord-Zwitserse mannen werden niet (zoals de mannen in Italië) meteen afgunstig als hun vrouwen door andere mannen werden aangeraakt.

Jonge godinnen en oude vrouwen liepen door elkaar. De oude, afgeleefde vrouwen schaamden zich niet voor hun verwelkte lichaam. Ze werden ook niet uitgelachen, men bekeek elkaar niet met begeerte.

Het badhuis straalde geestelijke gezondheid uit, maar Poggio was bang dat anderen hem met hun ogen zouden begeren en dat hijzelf misschien wel vrouwen zou gaan verleiden. Maar uiteindelijk kleedde de humanist zich maar uit en deed mee. Deze mensen waren vrolijk, onschuldig en hadden vrede met zichzelf.

Noten[bewerken]

  1. In de vijftiende eeuw installeerden de Fransen steeds meer kachels.
  2. De Romeinse publieke badhuizen werden nog een tijd onderhouden, maar werden steeds meer alleen door de zieken gebruikt.
  3. De openbare badhuizen waren vaak gebouwd rond een geneeskrachtige bron.
  4. Er was dus een groot verschil tussen het badhuis in de verhalen en het badhuis in de werkelijkheid.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.