Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen/De stad

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Erven, parken, tuinen en kastelen
  4. De stad
  5. Huizen in de stad
  6. Boerderijen
  7. Leefgemeenschappen
  8. Ontspoorde kloosters en kerk
  9. Religie
  10. Literatuur
  11. Beeldende kunst
  12. Waarnemen
  13. Lichaam
  14. Kleding en sieraden
  15. Ziekte en dood, artsen en magie
  16. Bad en sauna
  17. Het bed
  18. Keuken
  19. Bronnen en links

4. De stad

Gentile da Fabriano, stadsgezicht, (1423)
Diebold Schilling der Jüngere, stadsgezichten, ~1500

De stad[bewerken]

Hoewel de middeleeuwers bijna overal omheiningen omheen bouwden, bouwden ze toch pas betrekkelijk laat muren om hun steden. Die muren en wallen verkeerden vaak in een slechte staat omdat men het in tijden van vrede vaak te duur vond om ze te onderhouden. En langs de toegangswegen tot die steden lagen buitenwijken die niet ommuurd waren.

In de steden stonden de straten en de pleinen onder het gezag van het stadsbestuur of van de heer of de koning. Er waren weinig openbare gebouwen en pleinen, hoewel er wel eens particuliere gebouwen werden onteigend (tegen een schadevergoeding) om een openbare ruimte te creëren. Toch was er maar weinig in het publieke domein en dat weinige werd ook nog eens geregeld ingepikt door particulieren (die zich bijvoorbeeld soms een steegje toe-eigenden). Dergelijk gedrag werd vaak door de autoriteiten gelegaliseerd want de staat was nog heel zwak en had maar weinig middelen en bronnen van inkomsten.

Sommige steden raakten ontvolkt door oorlogen (vooral in de honderdjarige oorlog[1]), de pest of doordat de economische situatie van de streek verslechterde. Maar er waren ook steden die zelfs midden in de honderdjarige oorlog hun bevolkingsaantal op peil konden houden of zelfs overbevolkt raakten, steden als Parijs die nieuwe economische bronnen wisten aan te boren en zelfs nieuwbouw pleegden.

Kerken en kloosters[bewerken]

In de steden stonden heel veel kerken en kloosters en die hoorden vaak tot de beste gebouwen. Bij die kerken en kloosters hoorden: hoven, tuinen, moestuinen en kerkhoven die binnen de stadsmuren lagen. Soms lagen de kerkhoven los van een kerk of klooster maar meestal lagen ze tegen een parochiekerk aan, zodat de levende en de dode gelovigen in elkaars gezelschap konden verkeren.

Binnenplaatsen en tuinen[bewerken]

In veel steden hadden de meeste huizen aan de achterzijde een binnenplaatsje dat gebruikt werd voor de beroepsuitoefening of voor het familieleven. Vaak was er ook nog een tuintje achter het huis, zelfs in de dichtst bebouwde wijken. Meestal waren die plaatsjes en tuintjes aan het zicht onttrokken door hoge muren of omdat er ononderbroken rijen huizen omheen stonden. In de zeer compacte Zuid-Franse steden hadden de huizen echter vaak geen tuinen en binnenplaatsjes.

Sommige rijke en machtige mensen (als bisschoppen en graven) hadden een grote tuin of een boomgaard in de stad, vaak tegen de stadsmuur aan. Soms lagen er binnen de muren en los van de woonhuizen ook groepen van omheinde tuinen die vaak in het bezit waren van kerkelijke instellingen.

Doolhof[bewerken]

De meeste straten in de stad waren erg smal, vaak waren ze maar 1,20-1,50 meter breed zodat er nog geen kar doorheen kon. Een straat van 7 meter breed gold als zeer breed. Al die kronkelige, vaak steil op- en aflopende straatjes en steegjes waren doorlopend verstopt met mensen, karren en dieren. De straatjes gingen zo vaak onder de huizen door dat het soms wel donkere gangen leken. Deze hele wirwar van straatjes leek wel een doolhof. Er waren veel binnenplaatsen en nauwe, doodlopende stegen. Je kon nergens ver kijken. Ook de toenmalige bewoners vonden het verre van ideaal, maar men voelde zich in de stad veilig tegen weer en wind en tegen indringers.

De straten stonken en ze waren nauw en lawaaierig. Het was er altijd druk en er was altijd wel iets te doen. Mensen gingen graag en vaak de straat op. De vele werkplaatsen die er in de stad waren, kwamen bijna allemaal op de straat uit, overal hingen uithangborden. Aan de straatzijde verzorgde en versierde men zijn huis het best en waren de ramen het grootst. De beste kamers van een huis (zoals de kamer van de heer en vrouw des huizes) lagen aan de straatkant.

Als voorbeeld van hoe een laatmiddeleeuwse stad eruit gezien zou kunnen hebben, wordt hier een fotogalerij van de Medina van Fez in Marokko getoond. Het is natuurlijk niet zo dat Fez er precies hetzelfde uitziet als een laatmiddeleeuwse West-Europese stad, want het is bijvoorbeeld een moslimstad in plaats van een christelijke stad en op de daken staat het tegenwoordig vol met satellietschotels, maar in grote lijnen lijkt het er veel op. Het zal niet eenvoudig zijn om een stad te vinden die nog gewoon in gebruik is en die meer lijkt op "onze" middeleeuwse steden.

NB. TEKST GAAT VERDER NA DE FOTO'S

Vernieuwingen[bewerken]

Mensen bouwden op elke mogelijke en onmogelijke plaats in de stad een huis, want de stadsbesturen konden het particuliere initiatief aanvankelijk weinig in de weg leggen. Sommige vooruitstrevende stadsbestuurders wilden wel anders en al in de dertiende eeuw begonnen zij hier en daar met de bouw van een nieuw soort steden met een geometrische plattegrond en met rechte en brede straten, soms wel tot 11 meter breed, en voorzien van ruime pleinen (zoals in Libourne).

In veel Franse steden heerste er tussen 1350 en 1450 een diepe troosteloosheid vanwege de door de honderdjarige oorlog en de pestepidemieën veroorzaakte depressie. Tussen 1450 en 1500 waren er nog niet teveel mensen in de steden en vonden er veel stadsvernieuwingen plaats met brede, rechte straten en grote pleinen. Het stadsbestuur moest zich daarbij met hand en tand verzetten tegen particulieren die graag veel geld wilden verdienen met het volbouwen van deze pleinen. Het stadsbestuur verfraaide zelfs wel eens die pleinen (zoals in Mechelen). De straten en pleinen werden geplaveid en de straten werden aan de zijkant een beetje hoger gemaakt zodat het water en de modder er niet in bleven staan. In sommige steden werden kanalen aangelegd. Nogal wat huizen uit die tijd staan nog steeds overeind.

Na 1500 kwam er in veel steden een enorme overbevolking. [2]

Men denkt wel eens ten onrechte dat het lang duurde voor men in onze streken de vernieuwingen en uitvindingen uit Italië en Frankrijk overnam, maar meestal duurde dit hoogstens enkele decennia omdat kooplieden en kunstenaars heel veel landen bezochten en van alles dat zij zagen notities maakten.

Latrines van Fort Pampus.
Diebold Schilling der Jüngere, brandschattende Zwitserse troepen, ca. 1500

Hygiëne, verkeer en veiligheid[bewerken]

Al in de veertiende maar vooral in de vijftiende eeuw werden er stedelijke verordeningen en reglementen uitgevaardigd op het gebied van de openbare hygiëne, het verkeer van mensen en goederen en de veiligheid van mensen en hun bezittingen. In dit opzicht lag Frankrijk enkele decennia achter bij de haar omringende landen. Deze verordeningen werden uitgevaardigd omdat:
1) De situatie in de steden vrijwel onhoudbaar was geworden.
2) Ziektes als de pest vrij spel hadden.
3) Doordat de stadsbestuurders meer te vertellen kregen, durfden zij nu zelfs aan het privédomein enkele minimale eisen te gaan stellen. De stadsbestuurders kregen ook wat meer middelen en personeel om hun ideeën te verwezenlijken. Ze namen zelfs wel eens maatregelen die verder gingen dan hun eigenbelang: mogelijk wilden ze graag trots kunnen zijn op "hun" stad.

Na 1400 moedigden vooruitstrevende stadsbestuurders hun inwoners aan om de daken van hun huizen met leisteen of pannen te bedekken in plaats van met riet, niet alleen omdat rieten daken lekten, maar vooral omdat zij brandgevaarlijk waren. Om dezelfde reden moedigden zij de overgang van centrale stookplaatsen naar muurschoorstenen aan. Soms gebruikten de stadsbesturen zelfs enige dwang om deze veranderingen tot stand te brengen.

Na 1450 lieten steeds meer stadsbesturen gemeenschappelijke latrines aanleggen langs de stadswallen of langs een rivier. Er waren aparte latrines voor mannen en vrouwen, soms zelfs voor kinderen.

De alinea hieronder heeft als bron: Keith Thomas, Religion and the declline of magic.

In de middeleeuwen (en ook later nog) konden hele stadsdelen in de vlammen opgaan. Vooral de wijken waarin veel armen woonden, liepen gevaar want de armen hadden nog lang houten huisjes met rieten daken. Soms waren deze branden aangestoken door mensen die zich wilden wreken omdat ze onrechtvaardig behandeld waren, maar meestal ging het om "ongelukjes" zoals: de was die vlam vatte nadat hij bij het vuur te drogen was gezet[3], een verstopte schoorsteen die met een geweerschot van onderaf werd open "geveegd" enzovoort. De brandbestrijding was in die tijd nog minimaal: er werd soms wat met emmers water vanaf de rivier of stadsgracht gezeuld maar meestal functioneerde dat in de paniek van de brand helemaal niet en probeerde iedereen alleen maar om het vege lijf te redden. Soms staken de autoriteiten rijen huizen opzettelijk in brand om een soort 'brandgang' te vormen. Soms deden zij dat door huizen op te blazen met buskruit. Velen verloren bij dit soort branden hun leven en degenen die het overleefden, werden vaak dakloos en afhankelijk van de steun van de kerk en het stadsbestuur.

Openbare ruimten[bewerken]

In veel steden was er een zaal die bestemd was voor de bijeenkomsten van de stadsvergadering: het "communehuis" of het "stadhuis". Op het einde van de middeleeuwen kwamen er ook zalen voor het kaatsspel en het steekspel, er waren omheinde terreinen waar men met de kruisboog kon schieten en na 1400-1450 ook met de haakbus. Er was een schuur voor de artillerie en een toren voor de klok.

Er waren gebouwen met een universitaire bestemming zoals een aktenzaal en een boekerij en er waren leslokalen voor leerlingen en studenten. Soms was er een openbare bibliotheek. Er was vaak een stadsarchief. Er werden openbare hallen gebouwd met stalletjes en kraampjes voor het houden van markten en jaarbeurzen.

Gebruik van de ruimte[bewerken]

In de laatste decennia van de middeleeuwen:

  1. Ging men dingen die men vroeger buitenshuis en in de openlucht deed, nu binnenshuis doen.
  2. Kregen ruimtes een enkele, strak gedefinieerde bestemming, terwijl de meeste ruimtes vroeger bestemd waren voor meerdere doeleinden. Er kwamen afzonderlijke plaatsen om in te spelen, te werken, recht te spreken, in eenzaamheid te bidden, gezamenlijk te bidden, onderwijs te geven, onderwijs te krijgen. Er kwam een plaats voor culturele bezigheden er kwam zelfs een foyer in de schouwburg.

Gezag[bewerken]

De autoriteiten streefden ernaar om meer greep op het volk te krijgen[4]. Als reactie daarop trokken de mensen zich meer en meer terug in hun huizen, waarvan de kwaliteit in de late middeleeuwen, zowel in de stad als op het platteland, langzamerhand beter werd.

De autoriteiten wilden de prostitutie terugdringen[5] naar bepaalde wijken of straten of naar publieke bordelen. Er was strenge controle op de openbare badhuizen, zo waren er soms zelfs aparte openingstijden voor mannen en voor vrouwen[6].

Noten[bewerken]

  1. Ontvolking en overbevolking in de honderdjarige oorlog.
  2. Nog tot in de negentiende eeuw waren er wijken in de steden die veel weg hadden van een doolhof. In Parijs profiteerde een deel van het volk (de commune) hiervan door er in 1871 een volksopstand te laten ontbranden. Pas nadat deze bloedig was neergeslagen werd het laatste stukje middeleeuwse doolhof van Parijs haastig opgeruimd.
  3. Half Londen is in 1666 hierdoor afgebrand.
  4. In Toscane voerden de Medici een tamelijk dictatoriaal bewind.
  5. Punt 6. Terugdringen van de prostitutie door de Toscaanse autoriteiten.
  6. Strenge controle in de laatmiddeleeuwse badhuizen.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.