Sociale geschiedenis in de literatuur/Identiteit

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Gemeenschap en individu
  3. Bijzondere plaatsen en mensen
  4. Vrouwen en mannen
  5. Het lichaam
  6. Identiteit
  7. Portret, droom en spiegel
  8. Bronnen en links

6. De identiteit

Identiteit[bewerken]

De troubadour Bernard de Ventadour, 1125-1195
Richard of Wallingford, 1292-1336, abd van St Albans, wijst naar een klok die hij de abdij geschonken heeft. Zijn gelaat is door lepra geschonden.
Charles d'Orleans, 1394-1465
François Villon, 1431-1463
Roelantslied, illustratie uit de 14de eeuw

Mensen werden zich ervan bewust dat ze een identiteit hadden. Ze keerden zich vaker in zichzelf en begonnen meer te lezen. Lezen leidt immers tot zelfinkeer en brengt de fantasie op gang. Het kan de tijd laten stilstaan.

De held die, in de verhalen van de twaalfde en dertiende eeuw, uit de gemeenschap vertrok, werd 'peinzend' of 'dromerig' genoemd of 'in gedachten verzonken': hij zei geen woord. Totdat er opeens iemand toevallig zijn pad kruiste en er van alles gebeurde. In de vijftiende eeuw werden de verhalen somberder en zou 'peinzend' een vorm van zwaarmoedigheid worden[1].

De opkomst van de ik-figuur in de Middeleeuwse lyriek[bewerken]

De twaalfde eeuwse lyriek was opgebouwd uit eindeloos herhaalde motieven. Troubadours en trouvères legden op smartelijke en extatische toon bekentenissen af over hun liefde en hun zinnelijke genot. Maar het "ik" dat zij in hun liederen gebruikten was niet het "ik" van een uniek individu, want de mens kon en mocht nog niet buiten de gemeenschap staan. Dit "ik" was feitelijk de stem van de gemeenschap en dat zou de gehele Middeleeuwen zo blijven in de literatuur.

Rond 1200 kwam er een meer persoonlijke, meer realistische vorm van poëzie waarin in heftige bewoordingen geschreven werd over de dood, over zorgen, neerslachtigheid en eenzaamheid. Het leek alsof de werkelijkheid van een individu werd beschreven, alsof de dichter de lezer in vertrouwen nam, maar dat was alleen maar schijn. Nog tot 1300 was er sprake van een pseudo-vertrouwelijke poëzie. Zelfs bij de meest aangrijpende (zelf)bekentenissen als door François Villon (rond 1450) bleek het toch altijd nog te gaan om een geheel van conventies.

Aan het einde van de Middeleeuwen werd die ik-figuur met ruimtelijke zaken vergeleken. Al in de dertiende eeuw beschreef een dichter de liefde waarin hij gevangen zat als een kerker van begeerte waarvan de deuren schone blikken waren en de ketenen goede hoop. Deze vorm van vergelijking werd in de vijftiende eeuw nog visueler gebracht door Charles d'Orleans. Eenzaamheid werd: de kluizenaars cel van de gedachten. Zelfinkeer werd: de gastvrije herberg.

Identificatie met de ik-figuur[bewerken]

1) In de verhalen tot 1250 was het verband tussen oorzaak en gevolg in de verhalen altijd heel duidelijk[2]. De liefdesgedichten die de troubadours en trouvères zongen waren behoorlijk stereotype[3]. Zowel de zanger als zijn luisteraars identificeerden zich zeer met de hoofdpersoon van het gedicht.
2) Na 1250 ging men over tot een meer subjectieve lyriek, een op vertrouwelijke mededelingen gebaseerde poëzie die gelezen werd. De dichter ging er toen naar streven om het identificatieproces van de lezer met het "ik" van het gedicht te verhinderen en daardoor dat "ik" te dramatiseren[4].

De dichter ging allerlei allegorische figuren beschrijven met allemaal andere eigenschappen. De bedoeling hiervan was niet om het werkelijke "ik" te verhullen, alswel om het "ik" te verveelvuldigen en daardoor de identificatie over veel figuren te verdelen: als waren zij een soort deelpersoonlijkheden van het "ik".

Kronieken[bewerken]

Na 1300 ontstonden de gedenkschriften en kronieken waarin men zijn eigen levensloop ging beschrijven, onderbroken door uitweidingen en herinneringen. De kroniek kende een bloeiend bestaan in de veertiende en vijftiende eeuw.

De schrijver was zelf het onderwerp van zijn boek en werd daarmee geïndividualiseerd. Het voorwoord van de kroniek begon bijna altijd met een zin als: "Ik, de naam, de functie, de plaats, het werkwoord dat de handeling van het schrijven aangaf". Bijvoorbeeld: "Ik Jean Froissard, schatbewaarder en kanunnik van Chimay ..." of "Ik, Christine de Pisan, vergeleken met de grote geesten een vrouw, gehuld in de nevelen van onwetendheid ...". Het individu werd beschreven als een bijzonder wezen.

De schrijver van de kroniek zag zichzelf als geschiedschrijver: hij leverde bewijzen dat hij de waarheid sprak. Sommige van die 'bewijzen' mogen ons nu vreemd lijken, toentertijd schijnt men daar geen problemen mee te hebben gehad. Zo vertelde de schrijver wel eens zaken die hij onmogelijk zelf waargenomen kon hebben. Toch bestudeerde hij doorgaans de gebeurtenissen die hij beschreef zeer goed.

Tijdsbesef[bewerken]

In de kroniek werd de tijdsduur van de vertelling over de tijdsduur waarover de verteller wilde verhalen heen geschoven.

Dat mensen in de kronieken hun levensloop beschreven, viel samen met de geleidelijke invoering van de klok die in de dertiende eeuw al sporadisch werd toegepast maar in de veertiende en vijftiende eeuw enigszins in zwang begon te raken[5].

Uit de poëzie van de late Middeleeuwen blijkt dat men erg in beslag genomen werd door het verglijden van de tijd, door de ijdelheid van aardse zaken en door de kwetsbaarheid van de mens die oud zou worden en zou sterven. Er werd in de gedichten beeldend geschreven over het heengaan van vrienden: ze werden "door de wind meegevoerd".

De ervaring van het verstrijken van de eigen tijd kon tot smartelijke constateringen leiden. Verstreken tijd die verloren was kon alleen hervonden worden door erover te schrijven.

Interne monoloog[bewerken]

In de liefdesromans werd ook de eenzaamheid beschreven. Ridder Roland had in zijn eenzame doodstrijd al innerlijke gebeden tot God gericht, maar Chrétien de Troyes (1135-1183) werkte de interne monoloog als verhaaltechniek verder uit. Er verschenen in de verhalen lange monologen die dienden om het gevoel van de romanfiguur, zijn vreugde, waanzin, verdriet, hoop en wanhoop te kunnen beschrijven en daarmee de lezer een beter inzicht in die persoon te geven.

In de dertiende eeuw gebruikte men een nog verder uitgewerkte vorm van innerlijke monoloog, waarin het "ik" zich niet alleen uitsprak via de verteller, maar ook via een lyrisch citaat.

Uit die in eenzaamheid uitgesproken innerlijke monoloog sprak niet altijd alleen maar verdriet over een onbereikbare liefde, maar het leverde ook wel eens een praktisch plan op om die liefde te winnen.

Verloren of verborgen identiteit[bewerken]

Problemen met de identiteit waren een obsessie in de late Middeleeuwen. Iemands ware identiteit vinden was soms niet eenvoudig. Soms had bijvoorbeeld een meisje wel een lief gezicht maar was ze in feite hooghartig en achterbaks. Een identiteit die verloren was gegaan moest teruggevonden worden. Ook werd de identiteit wel eens verborgen gehouden door iemand die intussen wèl aanwijzingen verspreidde, zodat zijn identiteit later duidelijk zou worden.

Men kon in de literatuur iemand ontdoen van de kenmerken waaraan men hem kon identificeren. Al in de dertiende eeuw waren er verhalen waarin een persoon door toedoen van een toverkruid zijn gelaatstrekken kon veranderen zodat hij niet meer te identificeren was. En natuurlijk was er ook een kruid dat die gelaatstrekken op het gewenste tijdstip weer deed verschijnen. Mensen konden in de verhalen hun lichaam met een huid bedekken om zich tegen herkenning te beschermen. Het individu kon zichzelf reduceren tot een kleur: bijvoorbeeld de rode ridder. De kleur rood wees op slechte bedoelingen, groen op een onstuimig karakter, blauw betekende dat iemand incognito wilde blijven en zwart betekende eerst van alles, maar werd later meestal negatief uitgelegd.

In veel verhalen weigerden mannen en vrouwen een tijd om hun identiteit prijs te geven, bijvoorbeeld meisjes waaraan de vader zich vergrepen had. Zij waren gevlucht en hun zwijgen uit schaamte en verdriet was misschien ook deels om hun (vroegere) familie te beschermen.

In de avonturenromans van de dertiende eeuw kwam wel eens het thema van de 'gemaskerde ridder' voor. Omdat niemand wist wie hij was, verloor hij zijn rang en maatschappelijke plaats. Hij wilde zijn naam niet noemen, zelfs niet als hij in een toernooi of gevecht had gezegevierd. De herauten konden dan niets anders doen dan mededelen dat de 'groene' of de 'rode' ridder gezegevierd had. Maar op een speciaal moment (meestal nadat de held al vele overwinningen had behaald) onthulde hij zijn naam en kreeg daardoor zijn identiteit weer terug. Dit was natuurlijk ook een goed middel om het verhaal spannend te maken.

Om herkend en op waarde geschat te worden, scheen het individu een 'gemaskerde' fase door te moeten maken. Een identiteit moest worden veroverd en als zij eenmaal veroverd was, kon ze ook weer verloren gaan en moest dan heroverd worden. Het incognito was een fase op de inwijdingsweg.

Ook spoken (die in de verhalen wel eens voorkwamen) wisten hun identiteit geheim te houden.

Noten[bewerken]

  1. 'Peinzend' kon zowel betekenen: zich hullen in onbestemde gedachten, als ook: een toestand van zich afsluiten voor het gemeenschapsleven. En die toestand zag men als verkeerd.
  2. Zie ook: Afzondering
  3. Bijvoorbeeld: ze gingen over een goede en een slechte man.
  4. De bijdragen van de vidas en de razos vergrootten de afstand van de lezer tot de ik-figuur van het gedicht.
  5. Deze uitvinding had een grote invloed op iedereen. Tot dan toe was elke dag in een aantal gelijke stukken (uren of zandloperglazen) verdeeld. Deze 'uren' waren in de winter kort en in de zomer lang. Door de klok kwam de invoering van gelijke uren.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.