Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen/Erven, parken, tuinen en kastelen

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Erven, parken, tuinen en kastelen
  4. De stad
  5. Huizen in de stad
  6. Boerderijen
  7. Leefgemeenschappen
  8. Ontspoorde kloosters en kerk
  9. Religie
  10. Literatuur
  11. Beeldende kunst
  12. Waarnemen
  13. Lichaam
  14. Kleding en sieraden
  15. Ziekte en dood, artsen en magie
  16. Bad en sauna
  17. Het bed
  18. Keuken
  19. Bronnen en links

3. Erven, parken, tuinen en kastelen

Erven: privé en publiek[bewerken]

De meeste landbouwgebieden werden in de late middeleeuwen afgebakend, net als in de vroege middeleeuwen[1]. Men gebruikte daarvoor grensstenen (die echter gemakkelijk verplaatst konden worden), staken, palen, bomen, een muur, beek, weg, rotsblok of een bron.

Op zekere momenten in het jaar − bijvoorbeeld na de oogst − verviel voor een tijd het particuliere eigendomsrecht op weilanden, akkerland en bossen. Het werden dan zogenoemde 'meentgronden', die door alle boeren met weiderecht (of met het recht om hout te sprokkelen) gebruikt mochten worden. Zo gauw de grond weer onder particulier bezit viel (omdat er bijvoorbeeld gezaaid werd), werden er weer staken omheen in de grond gestoken.

De wegen, bronnen, grote rivieren, pleinen waarop markt gehouden werd en de plaatsen waar vee bijeen gedreven werd, waren altijd publiek bezit.

Hoe dichter je bij een plattelandsdorp kwam, des te vaker zag je omheiningen (van heggen, palissades of zelfs muren) rondom wijngaarden of weiden, rondom de hennepakker, het wilgenbosje, het erf, de warmoeshof, de tuin of de boomgaard en soms ook rondom de hut of het huis.

Middeleeuwse tuin in Perugia
Abel Grimmer, 1607
Wandtapijt, Musée de moyen age, Paris, L'Inflexibilité du roi, Zuidelijke Nederlanden, rond 1520

Particulier eigendom vonden de middeleeuwers heel belangrijk. Bepaalde percelen werden omheind of zelfs ommuurd, zo blijkt uit miniaturen, uit in perspectief getekende plattegronden, uit reisverslagen en uit gerechtelijke akten van die tijd. Deze terreinen heetten 'eigen terreinen' ('defense') en waren verboden voor onbevoegden. De eigenaar van dergelijke gronden borg binnen die omheining zijn voorraden, roerende goederen, landbouwwerktuigen en zijn veestapel op[2]: dat alles was daar onder normale omstandigheden veilig. Door die omheining beschermde hij zichzelf en zijn gezin tegen de blikken van vreemdelingen, tegen buren, rondzwervende huisdieren en vee en tegen wilde beesten die op het einde van de 15de eeuw weer in grote getale verschenen. Door hun koeien binnen omheind terrein te laten grazen, hoefden de boeren er bovendien geen toezicht op te houden, want de koeien konden zo niet bij de buren de oogst gaan vertrappen of opvreten.

Vlak voor de oogst werden veel akkers omgeven met (tijdelijke) omheiningen om ze tegen al dit soort zaken te beschermen. De messiers hielden de wacht, soms dag en nacht. In Vlaanderen was de 'Bock de vylles' de misdaad van iemand die een gat in een omheining had gemaakt om een deel van de oogst te stelen. Het aanbrengen van een omheining was niet alleen maar vanwege de veiligheid. De omheining liet tevens (op een haast rechtsgeldige manier) zien dat dit gebied particulier bezit van iemand was.

Parken[bewerken]

In Bretagne betekende het woord 'parc' een groot complex van landgoederen. Landgoederen en leenroerigheden waren meestal door wegen van elkaar gescheiden. Ze bevatten allemaal erven, akkers, weilanden, heidevelden en bossen, vaak ook nog een boomgaard en een jachtgebied. En al deze gebieden waren op zich ook weer omheind: door sloten, heggen, een houten of zelfs een stenen omheining.

Graven, ridders, bisschoppen en abten bestemden vaak stukken van hun landgoederen zoals: bossen, jachtgebieden of lusthoven tot speciale gebieden waar men plezier aan wilde beleven. Tevens verhoogde een dergelijk bezit het aanzien van de bezitters. Zij stelden boswachters en houtvesters aan die indringers moesten verwijderen en ervoor moesten zorgen dat de gebieden voldoende opleverden.

Lusthoven[bewerken]

Elk adellijk verblijf had zijn lusthof (jardin de plaisance) een liefelijk paradijs, waar de tijd stil kon staan. Hier vond men rust en vrolijkheid en kon men zingen, spelen, kletsen en grappen maken. Men kon er ook genieten van openlijke of geheime liefdes.

Deze lusthoven waren goed ommuurd met een hoge muur, die zelfs wel eens van kantelen was voorzien (bataillé). Soms lagen er ook nog grachten omheen.

In de lusthof lagen fonteinen, prieeltjes, hutjes, bosjes en open plekken, een grote weide, vijvertjes en poeltjes en een tuin met groenten en fruitbomen. Alles was in geordende en goed onderhouden perken verdeeld en om die perken heen stonden soms weer (groen geschilderde) houten hekken. Er waren wandelpaden met bankjes erlangs. Verder was er een kippenhof omgeven door stallen en schuren en een vogelkooi.

Vaak was er ook nog een jachtgebied met wild: zwijnen, damherten, herten, hazen, konijnen, wilde geitenlammeren en vijvers met vissen erin. Er stonden paviljoens om tijdens de jacht in uit te rusten.

Ieder kasteel in de late middeleeuwen was het aan zijn stand verplicht om te kunnen pronken met een lusthof. Kosten noch moeite werden gespaard. Zo'n hof kon een omtrek hebben van 3 km. De koninklijke parken waren natuurlijk nog groter en mooier, zoals bijvoorbeeld dat van Karel VI (1368-1422). Honderd jaar later deed Lodewijk XII (1462-1515) daar niet voor onder.

Ook de vrouwenkloosters hadden lusthoven die symbool stonden voor de maagdelijkheid van Maria.

Kastelen[bewerken]

Zie ook: Kastelen en donjons in de hoge middeleeuwen.

Kastelen lagen meestal op het platteland en werden voornamelijk bewoond door een koning of een graaf.

  • Er was een tuin, soms met een fontein.
  • Een 'grote binnenplaats' (grand cour), goed en mooi geplaveid, die wel eens 1000 m² groot kon zijn en waar de edelen hun privéleven leidden en zich vermaakten.
  • Een 'kleine binnenplaats' (basse cour) die bestemd was voor landbouwactiviteiten, hier lag ook de hoenderhof.
  • Een kapel die iedereen verplicht was te bezoeken.

Het kasteel was, net als veel paleizen verdeeld in een gedeelte bestaande uit de privé- en ontvangstvertrekken van de heer en een ander gedeelte bestaande uit de ruimtes van de huishoudelijke diensten en de vertrekken van het personeel.

  • De vertrekken van de heer lagen op de zonnigste hoek van het kasteel, vlak bij de fontein, de tuin en de gaanderij. Het waren onder andere: een grote zaal, pronkkamer, slaapkamer, kleedkamer, privévertrek, studeerkamer, spreekkamer, bibliotheek, de badkamer en een speelzaal om in te kaatsen, te knikkeren, biljarten of ballen.
  • Er was een apart kamertje voor de vrouwen.
  • De ruimtes voor de huishoudelijke diensten: de linnenkamers, broodbakkerijen, keukens, zolderkamers, gaanderijen, paardenstallen, een zadelmakerij, bottelarij, proviandkamer, een sauskeuken, schenkkeuken en een fruitopslagplaats.
  • Kamers voor het personeel zoals koks en andere dienaren.
  • Er waren veel goede latrines in het kasteel.

Er waren wenteltrappen naar de hogere etages, veel vertrekken waren verwarmd, de wanden waren gelambriseerd, de ramen konden gesloten worden niet alleen met luiken maar ook met beglaasde vensters[3] en op de plavuizenvloer lagen matten.

Aan de voet van het paleis lag de lusthof met fruitbomen waarop men kon uitkijken vanaf een overdekte gaanderij.

De muren van het kasteel konden wel een meter dik zijn. Het dak was bedekt met leisteen. Soms was het dak versierd met vergulde koperen banieren waar de wapens van de graaf of koning op geschilderd waren.

Het bouwen van een kasteel was een uitermate kostbare zaak. Metselaars, timmerlieden, stukadoors, dakbedekkers, loodgieters en grondwerkers moesten betaald worden en verder natuurlijk ook nog de grond en het materiaal. Als het huis af was, moest er nog voor meubilair, hang- en sluitwerk, beglazing en versiering worden betaald. De bouw van een kasteel kon gemakkelijk 100 x duurder zijn dan die van een grote pastorie op het platteland.

Noten[bewerken]

  1. Omheiningen
  2. Vrijplaats.
  3. Glazen ramen waren rond 1330 in Toscana uitgevonden.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.