Sociale geschiedenis van de hoge middeleeuwen/Inwoners Noord-Franse kastelen

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Feodalisme en adel
  3. Klooster
  4. Kerk
  5. Volk
  6. Noord-Franse kastelen en donjons
  7. Noord-Franse vestinghuizen
  8. Inwoners Noord-Franse kastelen
  9. Leven in de Noord-Franse kastelen
  10. Huwelijk in de Noord-Franse kastelen
  11. Opkomst van het individu
  12. Bronnen en links

8. Inwoners Noord-Franse kastelen

Huishouding[bewerken]

In elk kasteel leefde slechts één echtpaar (de graaf en gravin of de koning en koningin). Als hun kinderen of ridders trouwden, mochten ze niet meer (zoals daarvoor) op het kasteel blijven wonen, maar moesten ze het huis verlaten, net zoals de grootouders. Grootmoeder moest maar naast het klooster gaan wonen om zich door de monniken te laten verzorgen[1] en opa werd met zachte hand op bedevaart naar Jeruzalem gestuurd (ter voorbereiding op zijn dood) of hij moest zich ook maar terugtrekken naast een klooster.

In een kasteel of versterkt huis konden tientallen mensen (soms wel 200) samenwonen en dan kwam er ook nog vaak bezoek aan. De mensen in het huis hadden zich overgegeven aan de kasteelheer (de graaf of bisschop), ze waren 'in zijn hand' (Mundeburnium). De heer moest iedereen voeden en kleden, een bed bezorgen, zelfs schoeisel, maar hij had ook het recht om hen te straffen en te geselen, net zoals in de Merovingische tijd.

De dienaren (het huispersoneel, de familia) kregen eenvoudige maaltijden waarvan donker brood het voornaamste bestanddeel was. Als het huis erg groot was, leefden veel dienaren apart in het naburige dorp. Mogelijk is mede uit deze groep uitwonend dienstpersoneel de latere burgerij (van handwerkslieden en kooplieden) voortgekomen.

De heer of meester had de volgende helpers:

  1. De geestelijken (een college van Kanunniken onder zijn leiding) en een kapelaan die de missen en preken in de kapel hield. Zij moesten bidden voor de meester.
  2. De ridders moesten vechten voor de heer.

De meeste geestelijken en ridders waren (aangetrouwde) bloedverwanten van de heer. Het waren zijn wettige of bastaardzonen en -neven. De ridders (of hoge functionarissen) die geen bloedverwanten van de heer waren, kregen van hem soms een dochter uit zijn geslacht als echtgenote. Door zo'n huwelijk werd de ridder zelfstandig en moest hij in een eigen huis gaan wonen (dat de heer hem gaf) want er mocht maar één echtpaar in de vesting wonen: de heer en zijn vrouwe.

Ook nam de heer jongemannen van goede geboorte (de zonen van zijn zusters of van zijn ridders) in huis die daar als schildknapen leerden hoe ze hoofs en moedig moesten optreden.

Vaak kwamen er vreemdelingen aanlopen. Als ze van stand waren (te paard reisden) mochten ze een tijd blijven en kregen ze onderdak, voedsel en drinken. Hoewel sommige reizigers behoorlijk op zijn gastvrijheid konden parasiteren kon de heer hen niet eenvoudig kwijtraken want deze gastvrijheid was verplicht. Zelfs de armen mochten af en toe in de vesting komen om de restjes op te eten.

Hiërarchie[bewerken]

In een kasteel had rond 1000-1200 ieder zijn plaats.

1. Kasteelheer[bewerken]

De graaf of heer (dominus, pater familias) bestuurde het kasteel samen met zijn raad waarin de ouderen boven de jongeren stonden. Hij huwelijkte zijn eigen dochters en die van zijn ridders en personeel uit aan zonen uit naburige kastelen. Meestal deed hij dat om de onderlinge relaties tussen de huizen te verbeteren of om er zelf beter van te worden. Het voortbestaan van zijn huis hing af van zijn kinderen dus moest hij zich voortplanten en dus had hij een vrouw in zijn bed nodig. Diep in het kasteel was de slaapkamer van de heer met het bed waarin voor de voortplanting werd gezorgd. Als zijn vrouw hem geen erfgenaam kon geven, probeerde hij zich van haar te ontdoen.

De heer sloeg voedsel en wijn op in zijn kelders om die tijdens de vele feesten vrolijk te kunnen verkwisten. Als er een christelijke feestdag was of een huwelijk dan was het huis bomvol mensen die aten en dronken. Hij moest niet alleen zo veel mogelijk kinderen krijgen, maar ook zo veel mogelijk vrienden. En die vriendschap moest gekocht worden, dus moest hij vrijgevig zijn. Het eten dat hij op zijn feesten aan zijn ridders, functionarissen en gasten gaf was veel verfijnder dan het eten dat zijn lagere dienaren kregen.

Rond 1180 was er een economische opleving in heel Noord-Frankrijk. Men ging ook steeds meer met geld betalen in plaats van met andere goederen. De aristocratie smeet met geld. Veel aristocraten dreigden ten onder te gaan aan hun eigen 'vrijgevigheid'.

De heer was ook een opvoeder, hoewel veel heren in de twaalfde eeuw nog niet konden lezen en schrijven. Dat gebeurde pas in de dertiende eeuw. De heer stelde vaak leermeesters (die een school hadden bezocht) aan als tijdelijk hulppersoneel en gaf hen voedsel en onderdak. Hij liet ze boeken uit zijn bibliotheek halen en die uit het latijn vertalen en zich voorlezen. De kennis die hij zo verkreeg gaf hij door aan zijn omgeving. Die leermeesters waren vaak kanunniken of monniken en vaak waren ze familie van hem.

De kapelaans hoorden bij zijn huishouding en hielden de missen en de preken in de kasteelkapel. De meester liet hen (omdat zij konden schrijven) ook vaak redevoeringen en liederen schrijven voor zijn feesten, want die hoorden zijn 'vrienden' nu eenmaal liever dan de preken[2].

2. Vrouwe[bewerken]

Als het de vrouwe (de domina) niet lukte om mannelijke erfgenamen te krijgen, werd zij meestal zonder pardon weggestuurd. Als zij kinderen kreeg, werden die door voedsters opgevoed (in een kamer naast de slaapkamer), zodat de vrouwe zo snel mogelijk weer voor de voortplanting beschikbaar was.

  • Zij terroriseerde en bestrafte alle vrouwen in het huis.
  • Zij gaf leiding aan het huishouden en aan de voedsters van haar jonge kinderen.
  • Zij hield toezicht op de voorraden levensmiddelen in huis.
  • Zij hield toezicht op het innen van de belastingen die de aan het kasteel onderworpen boerenhuishoudens opbrachten[3] [4][5].

Omdat veel vrouwen in het kraambed stierven en veel mannen (vooral als het nog onervaren krijgslieden waren) op het slagveld sneuvelden, werd er vaak hertrouwd. Weinig kinderen kenden hun grootouders.

3. Kinderen[bewerken]

Als de kinderen ongeveer tien jaar oud waren:

  • werden de meisjes afgezonderd. Zij waren de toekomstige moeders en men deed erg zijn best om hun maagdelijkheid te bewaken. In de tijd van de Capetingen (1000-1300) werden dochters die men ging uithuwelijken, opgesloten tot aan het huwelijk.
  • De jongens mochten en moesten het huis uit om een vrouw te zoeken. De eerstgeboren zoons hadden de meeste erfrechten. De later geboren zoons moesten echter ook een deel van de erfenis krijgen als zij trouwden. Omdat de heer meestal wilde verhinderen dat de erfenis versnipperd raakte, stuurde hij zijn jongere zoons vaak al op jonge leeftijd als oblaten naar een klooster.

4. Strijdmakkers[bewerken]

Zij reden reden altijd dicht bij de graaf om hem zo nodig met hun leven te verdedigen. Zij waren meestal zijn familie en even oud als hij. Ze aten samen met hem en leefden in het kasteel. Vanaf hun kinderjaren waren ze al met elkaar omgegaan en ze hadden op dezelfde dag de ridderslag gekregen. Mogelijk stonden zij boven de gewone ministerialen.

5. Ministerialen[bewerken]

Maar ook de ministerialen (dienaren) vergezelden de graaf op al zijn militaire expedities en werden geacht hem met hun leven te verdedigen. Hun ster rees in de twaalfde eeuw snel en (na langdurige inspanningen daartoe) gingen zij op in de ridderstand, het stadspatriciaat en de landadel.

Zij waren belast met een 'vak' (ministerium) binnen de vesting. Meestal waren ze familie van de heer. Ze aten samen met hem en leefden in het kasteel. Ze hadden een paard (de ridders hadden er twee) en kregen elk jaar nieuwe kleding en geld (livrei) om hun uitrusting aan te vullen.

In hoofdzaak waren er drie functies: seneschalk, opperkamerheer en opperschenker (in volgorde van belangrijkheid). Deze lucratieve ambten waren erfelijk geworden, normaal erfde hun oudste zoon dit ambt. Als de heer daartoe toestemming gaf, mochten deze ambten verkocht worden. Rond 1200 waren deze functies erefuncties geworden en hoefden de seneschalk, opperkamerheer en opperschenker niet meer op het kasteel te wonen. Maar zij hadden altijd toegang tot het kasteel en mochten deelnemen aan de praaloptochten waarin de heer zijn macht etaleerde.

Ook onder de ministerialen bestond een hiërarchie. Hier worden de functies aan het grote hof van het graafschap Henegouwen rond 1210 als voorbeeld gegeven.

5.1. Seneschalk[bewerken]

De seneschalk was de voornaamste functionaris. Hij stond vrijwel naast de graaf en de gravin en was verantwoordelijk voor de zaal en de tafels. Als het mooi weer was, werden de tafels buiten gezet. Eten was een plechtige en openbare handeling, je stond niet uit het vuistje iets weg te werken. Hij zorgde voor de gerechten bij het brood (companage) en voor het voedsel dat buiten het kasteel werd gekocht (escae, dit was voornamelijk vlees) en in de hoofdkeuken werd klaargemaakt. Onder de seneschalk stonden:

  • De koper en bewaarder van de escae.
  • Drie koks, (queux).
  • De huisbewaarder die de vuren brandend moest houden: de vuren in de keukens en het mooiere vuur in de zaal.
  • De poortwachter die de gasten ontving en naar hun plaats bracht.
  • Degene die verantwoordelijk was voor de messen en het zout.

De met de tafel belaste functionarissen droegen dezelfde kleren als de ridders en als de heer uitreed, vergezelden zij hem samen met de koks en de huisbewaarder.

5.2. Kamerheer[bewerken]

De opperkamerheer had meer een privéfunctie want hij was verantwoordelijk voor de kamer en de kostbaarheden die daar lagen. Hij beheerde het geld, de roerende goederen en de uitzet van de vrouwe. Onder hem stond:

  • De kamerheer die het water aanbood aan de graaf, de gravin de geestelijken. Onder hem stond:
    • De onderkamerheer die het water aan zijn superieur leverde, die waswater aan de leden van het hof gaf en die voor het hof de bedden opmaakte. Hij zorgde voor het onderhoud van de kleding en voor het maken en verdelen van de kaarsen.

De heer, de vrouwe en de seneschalk kregen tijdens de maaltijden als enige een kaars voor zich op tafel die in een brood gestoken was en zoutbroodjes voor bij het vlees.

5.3. Schenker[bewerken]

De opperschenker stond onder de seneschalk en de opperkamerheer. Hij was verantwoordelijk voor de kelder en voor de goede wijn. Hij beval de wijn naar de tafel te brengen en schonk deze soms zelf in. Onder hem stond:

  • De wijnbewaarder, die de wijn in kruiken en kannen schonk. Onder hem stonden:
    • Magazijnknechten en pottenbakkers, een inferieur geacht vak. Nog lager stond:
      • De broodmeester die zorgde dat de ronde broden gebakken werden. Voor de heren was het brood van ondergeschikt belang geworden[6]. Alleen voor het gewone volk was brood nog belangrijk voedsel. Onder de broodmeester stonden:
        • De bakker, een erfelijk vak. Hij was in het dorp buiten het kasteel gevestigd zoals de onafhankelijke ambachtslieden.
        • De broodleverancier.
        • Een broodbewaker die de sneden brood bewaakte waarop het vlees werd gelegd. Daaronder stond:
          • De man die de broodsneden op tafel zette en helemaal onderaan stond:
            • De spekmeester, want spek was volksvoedsel dat uit de achterkeuken kwam.

Noten[bewerken]

  1. Verzorging ouderen, weduwen, etc.
  2. Eigenkerk
  3. De vrouwe beheerde de belastingafdracht in de Karolingische tijd.
  4. Toen ooit een boerin het vereiste schaap niet kon leveren, moest zij de vrouwe haar dochter geven. De gravin zorgde ervoor dat ze trouwde en kinderen baarde die zij aan haar huispersoneel (familia) kon toevoegen.
  5. Als een man een van haar dienaressen zwanger had gemaakt, dwong zij hem om met haar te trouwen.
  6. Brood was in de vroege middeleeuwen het hoofdgerecht
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.