Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen/Huizen in de stad

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Erven, parken, tuinen en kastelen
  4. De stad
  5. Huizen in de stad
  6. Boerderijen
  7. Leefgemeenschappen
  8. Ontspoorde kloosters en kerk
  9. Religie
  10. Literatuur
  11. Beeldende kunst
  12. Waarnemen
  13. Lichaam
  14. Kleding en sieraden
  15. Ziekte en dood, artsen en magie
  16. Bad en sauna
  17. Het bed
  18. Keuken
  19. Bronnen en links

5. Huizen in de stad

Kerken en kloosters[bewerken]

Friedrich Herlin 001.jpg
Friedrich Herlin 002.jpg

In de steden stonden heel veel kerken, kapellen en kloosters en die hoorden doorgaans tot de best gebouwde gebouwen. In de kerk zaten de mannen en de vrouwen vaak gescheiden, elk aan een kant van het middenpad.

Bouwmaterialen[bewerken]

De huizen in de stad waren gebouwd van: steen, hout, gedroogde klei of leem of van baksteen. Vaak waren de huizen van hout op een fundering van steen. Voor de rijken waren de huizen helemaal van steen. De daken waren soms belegd met leisteen of pannen, maar zeker tot 1400 veel vaker met riet. Welke bouwmaterialen werden gebruikt hing mede af van het klimaat, van hoe groot en dichtbevolkt de stad was en van de economische activiteiten in die stad. De armoede of rijkdom van de bouwer van het huis speelden natuurlijk ook een rol.

Daklozen[bewerken]

De vagebonden en bedelaars sliepen onder de marktstalletjes of aan de kant van de straat. Het waren meestal oude mannen en vrouwen, ook wel dienaren en gezellen die niet in het huis van hun meester konden wonen. Verder waren er studenten bij die geen plaats in de studentenhuizen konden vinden. De stad Doornik liet in 1439 overdekte kraampjes voor deze mensen plaatsen zodat ze tenminste droog konden slapen.

Ambachtshuizen[bewerken]

Zeker de helft van de stadsbevolking werd gevormd door de kleine burgerij met hun familie en personeel. Dit gemene of gewone volk (commun, populaire) bestond uit ambachtslieden, winkeliers en kleine handelaren, al dan niet verenigd in gilden en broederschappen. Doorgaans woonden zij zelfstandig in een huis dat ook meestal geheel of grotendeels van hen was, en dat diende als woning en als werkplaats en/of winkel. De waarde van deze ambachtshuizen kon erg variëren afhankelijk van de grootte, de ligging en de staat waarin het verkeerde. Dat hing natuurlijk samen met de rijkdom van de bewoner. Sommigen van hen waren rijk: als ze een aanzienlijk beroep uitoefenden, veel kennis bezaten en een grote klantenkring hadden en anderen waren arm: de lasten voor een gezin waren zwaar, de mensen werden geteisterd door ouderdom, ziekten en beroepsongevallen.

Het "gemiddelde" ambachtshuis[bewerken]

Het gemiddelde ambachtshuis van een Franse stad in de veertiende en vijftiende eeuw had:

  • Een hoofdgevel die zonder voorperk direct aan de straat grensde.
  • Sommige huizen hadden een puntgevel, die huizen stonden haaks op de straat en andere huizen stonden evenwijdig aan de straat.
  • De gevel was meestal maar 5-6 meter breed met een minimum van 11 voet ~ 3,3 meter en een maximum van 33 voet ~10 meter.
  • Er was een benedenverdieping of "begane grond" (in Parijs nog steeds "rez-de-chaussée" genoemd).
  • Er was een verdieping (le premier).
  • Er was een kelder waarvan het plafond een stukje boven het maaiveld uitstak zodat je 2 of 3 treden op moest klimmen om vanaf de straat op de begane grond te komen.
  • De diepte van de huizen was 7-10 meter.
  • De hoogte van de vertrekken op de begane grond was 3 - 3½ meter.
  • De hoogte van de vertrekken op de verdieping was 2,70-3 meter.
  • De verdieping had vaak een erker aan de straatzijde waardoor men een beetje ruimte won maar waardoor er tevens minder licht en lucht konden binnenkomen. Deze erker maakte het huis vaak minder stevig.
  • Er was nog een zolder, toegankelijk via een ladder en een luik.

Het huis was voornamelijk van hout maar in bepaalde gebieden gebruikte men steen en dan vooral voor de muren van de benedenverdieping. Na 1400 moedigden de stadsbestuurders hun inwoners aan om de daken van hun huizen met leisteen of pannen te bedekken in plaats van met riet, niet alleen omdat rieten daken lekten, maar vooral omdat zij zo brandgevaarlijk waren. Om dezelfde reden moedigde het stadsbestuur de overgang van centrale stookplaatsen naar muurschoorstenen aan. Soms oefenden de stadsbesturen zelfs enige dwang uit om deze veranderingen tot stand te brengen.

Het gemiddelde huis had een vloeroppervlakte van 50 m², met de bovenverdieping erbij samen 100m² waar gemiddeld 5 personen op leefden. Dan waren er ook nog een kelder, een zolder en verschillende bijgebouwen op de binnenplaats achter het huis: een keuken, bedrijfsruimte enzovoort. Men zat dus zeker niet op elkaars lip.

  • In de voorgevel van de benedenverdieping zat de buitendeur die (beweerde men in de vijftiende eeuw) de hele dag open gehouden werd door een speciale stoel schuin onder de klink te schuiven. In Parijs zouden mannen en vrouwen, jong en oud, meesters en knechts de hele dag op de drempels van de deur of voor het huis zitten.
  • Achter die buitendeur was een smalle gang die 1 - 1½ meter breed was en aan die gang grensden twee vertrekken:
    • Een voorkamer die diende als werkplaats, winkel, atelier enzovoort.
    • Een achterkamer, de zaal of lage kamer genoemd, die diende als woonkamer en die uitkwam op de binnenplaats.
  • In het huis was een wenteltrap naar de eerste verdieping die in twee of drie slaapkamers verdeeld was. Na 1500 werd die wenteltrap vaak buiten het huis geplaatst.

Veel huizen, zelfs huurhuizen van de wat gewonere mensen, hadden een latrine, hetgeen werd aangemoedigd en vaak zelfs verplicht gesteld door vooruitstrevende stadsbesturen vanaf 1450-1510. Onder de grond lag dan een beerput met daarboven een 'stilletje' of een 'gemak' tussen de huizen. Aanvankelijk werd de bouw en het onderhoud ervan vaak door een paar buren onderling betaald die de latrine dan gemeenschappelijk gebruikten. De beerput werd van tijd tot tijd (tegen betaling) leeggemaakt. De inhoud ervan werd uitgestrooid op de landerijen rond de stad.

Het "armste" ambachtshuis[bewerken]

Het "armste" ambachtshuis had maar een enkele kamer, die meestal gehuurd was en in een groter huis lag. Hij werd bewoond door het gewone volk: handwerkslieden, arbeiders (bijvoorbeeld wolkaarders), ondergeschikte ambtenaren, dienaren en knechts, alleenstaande weduwen en studenten. In deze kamer stond meestal niet veel meer dan een bed met een deken en wat keukenspullen. In Parijs hadden in het begin van de zestiende eeuw de meeste gezinnen maar de beschikking over één vertrek.

Het "zeer arme" ambachtshuis[bewerken]

Dit ambachtshuis werd bewoond door de armste winkeliers en handelaren.

Het huis had twee vertrekken:

  • Een werkplaats en/of winkel.
  • Een zolderkamer die diende als woonkamer, slaapkamer en keuken tegelijk.

Het "arme" ambachtshuis[bewerken]

Dit ambachtshuis werd bewoond door arme winkeliers en handelaren.

Het huis had drie vertrekken:

  • Een achterkamer die als slaapkamer diende.
  • Een voorkamer die als woonkamer en keuken diende.
  • Een werkplaats.

En verder was er nog een zolder waar koren werd opgeslagen en soms nog een kelder.

De "armste", "zeer arme" en "arme" ambachtshuizen waren niet alleen kleiner dan de "gemiddelde" ambachtshuizen maar werden door de belastingdienst ook lager aangeslagen.

Het "rijkere" ambachtshuis[bewerken]

De rijkeren hadden goed gebouwde huizen die zeker na 1400 vaak van steen waren en een dak hadden dat bedekt was met leisteen of pannen waardoor ze goed beschermd waren tegen regen, kou en wind. Hun huizen hadden luiken voor de ramen en de ramen zelf waren na ~1380 bespannen met geolied papier, perkament of linnen dat licht doorliet en vanaf ~1420 waren er voor de rijken zelfs vaste of afneembare glazen vensterruiten[1]. In deze huizen werd zowel gewoond als gewerkt. Veel van deze rijkere mensen konden er een privéleven op na houden omdat zij eigen kamers hadden die op slot konden[2].

In het huis van een rijkere ambachtsman hadden de meeste vertrekken na 1380-1430 muurschoorstenen[3] hoewel die zeker niet allemaal tegelijkertijd gebruikt werden.

Rijkere mensen hadden ook nog een eigen waterput, dan hoefden de vrouwen niet meer naar de bron, de rivier of het fontein te lopen, hoewel dat afleiding gaf en hoewel er in sommige steden (bijvoorbeeld in Parijs) waterdragers waren die het water tegen een kleine vergoeding aan huis kwamen brengen.

Oorspronkelijk waren de vloeren in de meeste huizen van aangestampte aarde geweest en later van hout, maar in de rijkere huizen ging men gelakte plavuizen op de vloer leggen, zowel op de begane grond als op de verdiepingen.

Herenhuizen[bewerken]

Slechts een kleine minderheid van de huizen in de stad waren de herenhuizen. Deze werden bewoond door:

  1. De hoge geestelijkheid zoals kanunniken en bisschoppen.
  2. De grote burgerij.
  3. Patriciërs en edelen.

NB. TEKST GAAT VERDER NA DE FOTO'S

Woningen van kanunniken[bewerken]

De huizen van kanunniken lagen meestal dicht bij de kathedraal of een klooster. Zo'n huis had een binnenplaats en een tuin, een tiental vertrekken waaronder een of twee zalen, verscheidene slaapkamers, alles goed gemeubileerd, een keuken en een bijkeuken, een studeerkamer (studio)[4] en een kapel. Verder had het huis een groot aantal bijgebouwen zoals: de stal, een voorraadkamer, kelder, gaanderij, een houthok en een opslagplaats voor steenkool. Blijkbaar stookten de rijken dus al met steenkool!

Paleizen van bisschoppen[bewerken]

Deze paleizen hielden het midden tussen de huizen van de kanunniken en de paleizen van de adel en patriciërs. Ze waren groter en luxueuzer dan de huizen van de kanunniken met nog meer kamers (waaronder ook een kleedkamer, studeerkamers en een of meer kapellen) en kamers voor het personeel: de kapelaans, de officiaal, zegelbewaarder, ontvanger, kok en de huisbewaarder. En soms ook nog voor: schildknapen, keukenpersoneel, opperkeldermeester, secretaris, schatbewaarder, vicaris, stalknecht, graanopzichter, procureur enzovoort. Ook was er een zolder, kelder en voorraadkamer. Verder had dit paleis veel bijgebouwen voor: een wijnpers, broodbakkerij en een paardenstal.

Rijkere mensen liepen niet door de straten maar verplaatsten zich op paarden en ezels. Heden ten dage kan men aan de aanwezigheid van een stal voor ezels of paarden afleiden hoe rijk de bewoner toentertijd geweest moet zijn.

Grote burgerij[bewerken]

De grote burgerij werd gevormd door: succesvolle kooplieden, rechtsgeleerden, bankiers, notarissen, vermaarde artsen en hoge ambtenaren in dienst van de koning zoals: parlementsleden, heren van de rekenkamer, belastingontvangers en schatkistbewaarders.

Deze leden van de grote burgerij namen zo veel mogelijk de gewoonten van de aristocraten over, hun huizen leken dan ook erg veel op die van de patriciërs en de aristocraten met maar één verschil: aan hun huizen kon je nog zien wat voor beroep de bewoners hadden. Er waren nog vertrekken in het huis waar geld werd verdiend. Er waren kantoren waar houten bureaus in stonden, overspannen met groen laken waarop de klerken de boekhouding controleerden. Soms was er zelfs een winkel in het huis.

De grote burgers probeerden zich een plaats tussen de adel te veroveren: het waren parvenus. Hun huizen waren zeer groot en indrukwekkend, prachtig versierd, met veel wandkleden en schilderijen, ze hadden zelfs wel eens torens[5]. Ze hadden tot wel vier zalen, tientallen vertrekken, een aantal studeerkamers en een kapel. Er waren gaanderijen, tribunes en in steen gehouwen blazoenen.

Adellijke- en patriciërshuizen[bewerken]

Deze huizen werden bewoond door de edelen (koningen, graven en ridders), door hoge geestelijken (bisschoppen en prelaten) en door de stadspatriciërs. De adel bewoonde deze huizen meestal alleen maar tijdelijk want de adel had vaak ook nog een kasteel en een buitenhuis en liet een deel van het jaar zijn herenhuis leegstaan[6].

Deze huizen leken sterk op de herenhuizen van de grote burgerij, ze hadden alleen geen vertrekken waar geld in verdiend werd, hoewel er vaak bestuurlijke kantoren in waren[7]. Natuurlijk waren ze vaak nòg weer groter en luxueuzer ingericht dan de herenhuizen.

Sommige van die huizen hadden een wapenkamer met allerhande oorlogstuig waaronder zelfs kanonnen. Ze hadden allerlei sierdieren op de binnenplaats zoals pauwen, maar beslist geen kippen of eenden, want die waren alleen maar nuttig en daarom getuigde het bezit ervan niet van een verfijnde smaak.

Er hingen kostbare schilderijen en tekeningen aan de muren, er was een zaal met muziekinstrumenten (harp, orgel, draailieren, gitaar, psalterium) want een edelman of patriciër musiceerde doorgaans, verder een zaal met gezelschapsspellen (schaakspellen, speeltafels enzovoort). Er was een kapel met kostbare boeken die van heinde en ver kwamen, er waren studeerkamers versierd met edelstenen en geurende specerijen, er was een kamer versierd met bont en in veel kamers stond meubilair dat versierd was met houtsnijwerk. Ook de buitenkant van het huis was rijk versierd.

Een dergelijk huis bezat bijvoorbeeld wel eens een vierkante kamer, zeer hoog gelegen, met aan alle kanten ramen waardoorheen je de hele stad kon zien liggen. Het eten werd met een speciale lift omhoog getakeld want de kamer lag te hoog om alles steeds maar te voet via de trappen te brengen.

Er wordt zelfs melding gemaakt van een aristocratisch huis met een raam waar je een hol, ijzeren hoofd doorheen kon steken, waardoor je de mensen beneden op straat kon zien en ermee kon praten zonder dat zij jou te zien kregen.

Pauselijk paleis te Avignon, gebouwd tussen 1335-1352.
Het wat kleinere paleis Musée national du Moyen Âge of Hotel de Cluny, gebouwd in de 13de eeuw door de abden van Cluny, verbouwd rond 1500.

Paleizen[bewerken]

Paleizen lagen vrijwel altijd in de stad. Ze waren meestal rondom een binnenplaats gebouwd. Soms hadden ze een aantal hoge torens, waren ze versterkt en konden ze aanvallen weerstaan. Ze werden bewoond door een koning of een paus, soms ook wel door rijke kardinalen, (aarts)bisschoppen, abden en vooraanstaande graven of hertogen: dan waren ze doorgaans iets kleiner. Het is soms moeilijk om een klein paleis van een groot herenhuis te onderscheiden. Zelfs het onderscheid met een kasteel is soms moeilijk te maken. Men gebruikte het woord "paleis" vooral als de eigenaar ervan een zeer hoge status had en niet zozeer omdat het een bepaalde grootte had of al dan niet versterkt was.

De paleizen waren groter en luxueuzer ingericht dan de grootste herenhuizen met nog meer vertrekken en personeel:

  • Vertrekken als: schatkamers, kapellen, studeerkamers, kleedkamers, een garderobe, een bibliotheek, een zaal voor officiële banketten, een statiezaal, een wapenkamer, een badkamer met een ketel en een badkuip, logeerruimtes voor hoge gasten, een gevangenis, een ruimte voor het garnizoen, meerdere keukens, een eetzaal, een bottelarij, broodbakkerij, buffet, opslagruimtes voor hout en steenkool, kelders, bergruimten en een aantal latrines waar soms honderden mensen gebruik van maakten.
  • Personeel als: ministers, curieleden, kamerheren en soldaten.

Een paleis verenigde vaak een drietal functies:

  • Een militaire functie, het was dan een vesting met een garnizoen.
  • Een bestuurlijke functie: er woonden ministers of curieleden in het paleis.
  • Een paleis: er was het nodige vertoon van pracht en praal.

Vaak was het paleis verdeeld in drie delen: aan de ene kant lagen de privé- en ontvangstvertrekken van de paus of de koning, aan de andere kant lagen de ruimtes van de huishoudelijke diensten en de vertrekken van het personeel. In het derde gedeelte lagen dan de bestuurlijke kantoren.

De paleizen zagen er vanaf ~1300 zo uit als hier beschreven. Het is moeilijk te bepalen hoe de paleizen er voor die tijd uitzagen omdat er weinig betrouwbare documentatie over bestaat. De reconstructies van de paleizen (en kastelen) uit de hoge middeleeuwen en eerder berusten voor een (groot) deel op fantasie. De architectuur van de paleizen was mogelijk afgeleid van die van de kloosters, die op haar beurt mogelijk weer was afgeleid van die van de paleizen en villae van het late Romeinse keizerrijk.

Vertrekken van de vorst[bewerken]

Er was al vanouds een onderscheid tussen de zaal (sala of aula) en de slaapkamer (camera)[8]. In de late middeleeuwen veranderde de zaal van een vorst of een belangrijke graaf geleidelijk aan van een ontvangstruimte in een soort voorkamer of wachtkamer. Het zat er meestal stampvol mensen, het was er warm en benauwd en het stonk er. Mensen probeerden al duwend en stompend binnen te komen terwijl de reeds aanwezigen hen buiten probeerden te houden. De poortwachter sloeg intussen de aanwezigen met zijn roede op het hoofd. Iedereen wachtte erop dat de ontvangstzaal van de vorst werd geopend.

  • de zaal was dus in tweeën verdeeld: een deel (de benedenzaal) diende als wachtkamer voor het gemene volk en een tweede deel (de bovenzaal) als ontvangstzaal (reception).
  • De slaapkamer werd ook in tweeën gedeeld: een deel werd de eigenlijke slaapkamer en het tweede deel werd de pronk- sier- of staatsiekamer, rijk behangen met mooie wandkleden, goed verwarmd door een mooi vuur en er stond een mooi gedekte tafel met een mooi servies en een mooie maaltijd erop. Daar stond ook het praalbed (waar niemand in sliep). Hoewel deze kamer openbaar was, moest je tot de intieme vriendenkring van de vorst horen om er te mogen komen. Hier pronkte de vorst met zijn rijkdommen. Aan het einde van de middeleeuwen pronkte en praalde men graag om te laten zien hoe rijk en hoe machtig men was. Men bezat staatsiepaarden, staatsiedegens, sierlakens en sierbuffetten.

De privékamer van de vorst was vol wandtapijten, kleden, bedden, enzovoort. Hier bewaarde hij zijn juwelen, zilverwerk, rekeningen, schuldbrieven en privébrieven in buffetten, koffers, doosjes en kisten van eikenhout of cipressenhout die soms van ijzerbeslag voorzien waren en altijd goed op slot.

De kleedkamer van de vorst was daar vlakbij evenals zijn studeervertrek, zijn privékantoor, de huiskapel en het "stilletje" met w.c. en vaak ook met een badkuip, een kachel en een ketel.

In zijn privévertrekken kon de vorst zich vermaken met gezelschapsspelletjes, luisterde hij naar muziek, keek naar toneelstukjes en hier kon hij zich afzonderen om bijvoorbeeld brieven te schrijven. Bij de rijken waren de privéruimtes voor de man en zijn vrouw samen bestemd, maar bij de heel hoge aristocratie hadden de man en de vrouw ieder hun eigen vertrekken[9].

De kapel[bewerken]

Alleen in de kastelen en paleizen van de hoge aristocratie bevond de kapel zich in een apart gebouw. De vorst kon deze kapel vaak ongezien via een speciale, gesloten gang bereiken. Hij kon (ook ongezien) vanaf een hooggelegen kamertje op het altaar en de aanwezigen neerkijken.

De meeste kapellen in de herenhuizen bevonden zich in het huis en waren daarvan afgescheiden door een stenen of houten balustrade of door een ijzeren hek. Een kapel had eigen meubilair en een eigen schat. De wat minder rijken hadden verplaatsbare huiskapelletjes.

In de kapel zaten de mannen en de vrouwen vaak gescheiden, elk aan een kant van het middenpad

Verwarming[bewerken]

Op het einde van de dag werden in de huizen de vuren gedoofd (vanwege het brandgevaar), de deuren gesloten en de sleutels opgeborgen of aan een vertrouwenspersoon gegeven. Niemand mocht zonder toestemming van de heer des huizes het huis betreden of verlaten[10].

In de keuken werd op een vuur gekookt dus die was overdag meestal wel verwarmd. De slaapkamers en de kamer van de meester konden desgewenst verwarmd worden. De zaal kon wel verwarmd worden, maar dat gebeurde alleen als daar ontvangsten waren of als er een banket gegeven werd.

Vertrekken zonder stookplaats waren: de voorraadkamers, de werkplaats, het kantoor, het studeervertrek en de kapel. Ook de kapel in een kasteel of paleis was onverwarmd en de aristocraten namen wel eens een voetenwarmertje of stoof mee naar de kapel. In Noord-Frankrijk waren die van ijzer of brons.

In Duitsland was het 's winters koud en dan werden sommige vertrekken permanent verwarmd. De Duitsers hadden geen gebrek aan brandhout en ze hadden een soort kachels (een gesloten stookplaats) die veel warmte gaven. In die verwarmde vertrekken zochten de vrouwen en de kinderen hun toevlucht, deden de ambachtslieden hun werk en zaten de edelen en de krijgslieden te spelen, te zingen, te drinken en te dansen.

In Duitsland had men dus wel kachels maar nog geen schoorstenen. In Frankrijk kreeg men na ~1400 wel schoorstenen maar men stookte onder de schouw nog een open vuur (net als bij "onze" open haard), behalve in de Provence, in Savoye en Bourgondië waar ze wel kachels hadden. In de vijftiende eeuw installeerden de Fransen steeds meer kachels, bijvoorbeeld in de kastelen. Vaak liet men dat doen door Duitse specialisten.

Noten[bewerken]

  1. Ramen van geolied linnen en later van glas zijn in Toscana uitgevonden.
  2. Welgestelden in Toscane kregen eigen kamers.
  3. Schoorstenen zijn in Toscana uitgevonden.
  4. De Toscaanse man had een eigen studeervertrek: de studio.
  5. Sommige rijke burgers in de stad hadden versterkte huizen.
  6. De adel liet vaak zijn herenhuizen in de stad leegstaan.
  7. Van waaruit een stad, een streek of een bisdom bestuurd werden.
  8. Sala en camera in de kastelen van de hoge middeleeuwen.
  9. Eigen kamers in Toscane.
  10. Ook in Toscane werd 's nachts het huis afgesloten.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.