Verklarende woordenlijst biologie voor het secundair onderwijs/O

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z


- O -

obligaat - oedeem - oeratmosfeer - oerdarm - oersoep - oestradiol - oestrogeen - oestron - okselknop - olie - oligotroof - omgericht gedrag - omnipotent - omnivoor - onafhankelijkheidswet - onderwerpingsgedrag - ongeslachtelijke voortplanting - ontbossing - ontgifting - ontogenese - ontregelde groei - ontsluiting - ontwikkelingsreeks - onverzadigd vetzuur - oöcyt - oögenese - open kringloop - opperhuid (mens) - opperhuid (plant) - oppervlakte-volume verhouding - oppervlaktewater - opslag (planten) - optimumkromme - oraal - orde - ordening - orgaan - orgaantransplantatie - organel - organenstelsel - organisatieniveau - organische stof - organisme - orgasme - orthosympathicus - orthosympathisch - osmoreceptor - osmoregulatie - osmose - osmotische waarde - osteoblast - osteoclast - osteocyt - osteoporose - ovale venster - ovarium - overgangsvorm - overspronggedrag - ovulatie - ovulatiecyclus - oxidatieve fosforylering - oxyhemoglobine - oxytocine - ozon - ozongat - ozonpollutie


obligaat[bewerken]

= verplicht. De term komt van het Latijn obligare = verbinden. Wordt gebruikt in uitdrukkingen zoals obligaat anaëroob, wanneer men doelt op een organisme dat niet kan leven in aanwezigheid van zuurstofgas.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oedeem[bewerken]

De term is afkomstig van het Grieks oidein = zwellen Oedeem (spreek uit als 'eudeem') of waterzucht is een opeenhoping van extracellulair vocht in weefsel, leidend tot een zwelling zonder toename van het aantal cellen. Bekende vormen van oedeem zijn de zwelling van de huid bij een reactie op een muggenbeet of brandnetelsteek (urticaria) en het oedeem van de onderbenen dat vele oorzaken kan hebben. Wat bepaalt er de hoeveelheid extracellulair vocht?=== De hydrostatische druk in de aders en haarvaten maakt dat een deel van het plasma naar buiten wordt geperst door de vaatwand. De vaatwand laat wel water door, maar geen grote moleculen zoals eiwitten. Deze oefenen een colloïdosmotische tegendruk uit, waardoor er weer een zekere hoeveelheid water uit de weefsels wordt onttrokken. De druk in de aders hangt af van hun vullingsgraad en stijgt als er defecte kleppen in de aders zijn (spataders), of als het hart het aanbod van terugvloeiend bloed niet goed kan opnemen door welke oorzaak dan ook. Spieren, vooral in de benen en in de kuiten drukken bij contractie de venen leeg en pompen de inhoud richting hart (bij functionerende kleppen). Vocht tussen de cellen en weefsels in wordt verzameld in lymfecapillairen die samenkomen tot lymfebanen die uiteindelijk (in de borstkas) uitmonden in een ader.

Hoe ontstaat oedeem?[bewerken]

Bij ontstekingsreacties, infecties en kneuzingen raakt de vaatwand beschadigd en wordt onder invloed van allerlei zeer lokaal afgegeven stoffen meer doorlatend. eiwitten treden uit de bloedbaan en de colloidosmotische tegendruk wordt minder. Er ontstaat oedeem. Hetzelfde doet zich voor bij allergische reacties, waar de permeabiliteit van de vaatwand ook wordt vergroot (bv. door histaminen) Oedeem kan ook ontstaan door verstopping van de lymfeafvoer. Hierdoor gaat het betrokken lichaamsdeel sterk opzwellen.

Als de nieren niet in staat zij om voldoende vocht uit te scheiden zal het lichaam meer water vasthouden. Het bloedvolume neemt toe en dus ook de druk op de wand van de bloedvaten, waardoor meer water naar buiten wordt geperst.

Het hart kan door een instroombelemmering, een uitstroombelemmering of een defecte pompwerking niet voldoende terugvloeiend bloed verwerken. De druk in de aders stijgt en er treedt meer vocht uit het vaatstelsel. Er treedt vooral oedeem op in de onderbenen.

Ook veel overigens gezonde mensen hebben een merkbare opzwelling van de voeten, vooral als ze ouder zijn, overgewicht hebben, veel lopen of staan, spataders hebben of als het warm is. Dit heeft geen grote betekenis.

Longoedeem[bewerken]

is een levensbedreigende vorm van oedeem en kan het gevolg zijn van longbeschadiging of van hartfalen. In extreme gevallen gaat zich vocht opstapelen in de longblaasjes, waardoor gasuitwisselingen belemmerd worden.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oeratmosfeer[bewerken]

is de atmosfeer die zich boven de aarde bevond in de oertijd (het Hadeïcum), ca. 4 miljard jaar geleden. De oeratmosfeer bestond uit grote hoeveelheden waterdamp, stikstofgas, ammoniak, waterstofgas, methaan, diwatersofsulfide en koolstofmonoxide, die uit het inwendige van de aarde vrijkwamen. Een vergelijkbaar gasmengsel komt ook nu nog vrij bij vulkaanuitbarstingen.

Uit de oeratmosfeer regende water op de aarde neer. Samen met het water dat door inslaande kometen (als ijs) op de aarde terechtkwam, vormde dit de eerste oceanen. Ook kwam er water vrij bij vulkaanuitbarstingen.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oerdarm[bewerken]

Holte die in de gastrulafase door het endoderm gevormd wordt en uitgroeit tot het maag-darmstelsel.

oersoep[bewerken]

De atmosfeer van de aarde bestond oorspronkelijk uit waterstof, ammoniak, methaan, diwaterstofsulfide en waterdamp. Door UV, bliksem en ioniserende stralingen werden de eerste eenvoudige organische stoffen gevormd zoals aminozuren, melkzuur, mierenzuur en formaldehyde. Via de neerslag hoopten deze verbindingen zich op in de oceaan en vormden zo wat men de 'oersoep' noemt. De verbindingen in de oersoep gingen onderling reageren en via eenvoudige eiwitten(proteïnoïden) en microsferen zouden de eerste primitieve levensvormen ontstaan zijn.
Zie Wikipedia

oestradiol[bewerken]

oestradiol is het belangrijkste oestrogeen

Hormoon dat behoort tot de groep van de oestrogenen[[... Het wordt vooral geproduceerd in de follikelcellen in de eierstokken, maar kleine hoeveelheden worden ook gevormd in de bijnierschors, in bepaalde cellen van de testes en door vetcellen. Oestradiol wordt gevormd uit andere steroïden, waaronder testosteron. Oestradiol is het krachtigste vande oestrogenen. Bij de vrouw is oestradiol verantwoordelijk voor de groei van de geslachtsorganen, voor het tot stand komen van de secundaire geslachtskenmerken, de ontwikkeling van het baarmoederslijmvlies en de beendervorming.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oestrogeen[bewerken]

Oestrogenen (of estrogenen) zijn een groep steroidhormonen die meestal vrouwelijke hormonen genoemd worden. Ze zijn o.a. verantwoordelijk voor de vrouwelijke geslachtskenmerken en vormen dus de tegenhanger van testosteron, dat verantwoordelijk is voor de mannelijke secundaire geslachtskenmerken. De oestrogenen worden gevormd door door de rijpende follikels in de eierstokken.
Zie Wikipedia

oestron[bewerken]

behoort net als oestradiol en oestriol tot de oestrogeen en het wordt eveneens in de follikelcellen van de eierstokken geproduceerd. Het is minder actief dan oestradiol, maar het komt wel in grotere hoveelheden voor tijdens de menopauze.

Net als oestradiol is het verantwoordelijk voor de groei van de geslachtsorganen, voor het tot stand komen van de secundaire geslachtskenmerken, de ontwikkeling van het baarmoederslijmvlies en de beendervorming.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

okselknop[bewerken]

Okselknop bij de Populus tremula

is een knop in de bladoksel; d.i. de ruimte tussen een bladsteel en een stengel. Uit een okselknop kan een stengel of een bloem groeien.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

olie[bewerken]

Bij kamertemperatuur vloeibaar vet. Olie is een triglyceride (reactieproduct van 1 molecule glycerol met 3 moleculen vetzuur). In tegenstelling tot vetten bevatten oliën meestal een groter percentage aan onverzadigde vetzuren (vetzuren met één of meerdere dubbele bindingen in de koolstofketen). Oliën zijn energierijke verbindingen, die bij veel organismen voorkomen. Men treft ze o.a. aan bij dieren (bv. visolie) en in planten. Bij deze laatste zijn het vooral de zaden en de vruchten die rijk zijn aan olie. Bij onverzadigde vetzuren kan de plek van de eerste dubbele binding in de keten verschillen. Bij meervoudig onverzadigde vetzuren is vooral het onderscheid tussen vetzuren met een dubbele binding op de zgn. n-3- of n-6-positie belangrijk, omdat deze vetzuren verschillende functies hebben. Het cijfer geeft aan op welke positie vanaf de CH3-groep de eerste dubbele binding zich bevindt. In plaats van de letter n wordt soms de Griekse letter omega gebruikt (bijv. omega-3 i.p.v. n-3).

N-3 vetzuren[bewerken]

De bekendste vetzuren in de n-3-familie zijn alfa-linoleenzuur (ook bekend als ALA), eicosapentaeenzuur (vooral bekend als EPA) en docosahexaeenzuur (vooral bekend als DHA). EPA en DHA worden ook wel aangeduid als n-3-langeketenvetzuren, n-3-LCP’s (long chain polyunsaturated fatty acids) of PUFA’s (poly unsaturated fatty acids). EPA en DHA komen vrijwel uitsluitend voor in vis. Om die reden staan ze ook bekend als visvetzuren.

N-6 vetzuren[bewerken]

Het bekendste n-6-vetzuur is linolzuur. Arachidonzuur (AA) (dat het lichaam uit linolzuur maakt) is een n-6-langeketenvetzuur. Gamma-linoleenzuur (GLA) is een n-6-vetzuur dat voorkomt in bepaalde plantaardige oliën zoals teunisbloemolie en bernagieolie (borage of komkommerkruid). Deze oliën worden toegepast in voedingssupplementen. Van GLA is geen duidelijk effect aangetoond.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oligotroof[bewerken]

De term is afgeleid van het Grieks oligos = weinig en trophè = voeding. Wordt gezegd van een midden dat arm is aan voedingsstoffen. Zo moet de concentratie aan orthofosfaat minder dan 0,01 mg/l bedragen en mogen er geen nitraten voorkomen. Hoogveen is een voorbeeld van een oligotroof milieu. Het ligt voor de hand, dat slechts goed aangepaste planten in zo'n midden kunnen gedijen. Voorbeelden van planten die in oligotroof veen voorkomen zijn zonnedauw, veenmos, wollegras en struikheide. Het tegenovergestelde van oligotroof is eutroof.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

omgericht gedrag[bewerken]

Dit is een vorm van conflictgedrag dat optreedt wanneer er weliswaar een sterke motivatie bestaat om een bepaald gedrag uit te voeren, maar dit om de één of andere reden niet mogelijk is.

Voorbeeld: in een verhitte discussie kan het gebeuren dat, wanneer je jezelf grondig zit te ergeren aan hetgeen door de tegenpartij gezegd wordt, de neiging ontstaat de ander een klap voor zijn kop te geven. Omdat dit echter in de meeste gevallen taboe is terwijl het eveneens onmogelijk is deze aandrang te bedwingen, wordt de agressieve respons gericht op een ander voorwerp, bijvoorbeeld door een klap te geven op een tafelblad. We noemen dit omgericht gedrag.

Wanneer twee dieren in conflict zijn, bijvoorbeeld om een territorium te verdedigen, maar tegelijkertijd een daadwerkelijk gevecht willen vermijden uit angst voor de gevolgen, komt het veelal voor dat één van beiden plots besluit een ander voorwerp, bijvoorbeeld een graspol, aan te vallen. Bv. Het graspikken bij meeuwen.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

omnipotent[bewerken]

van het Latijn omnipotens = almachtig, "alles kunnend"; wordt gezegd van cellen die in staat zijn alle mogelijke weefseltypes te vormen (vb. bevruchte eicel of blastomeren). In 1998 zijn wetenschappers er voor het eerst in geslaagd omnipotente stamcellen te isoleren uit cellen van een menselijke blastocyste en uit primordiale geslachtscellen van een foetus. De kweek van omnipotente stamcellen is de aanzet tot de kweek van diverse weefseltypes, die kunnen gebruikt worden voor transplantaties. Verder heeft men vastgesteld dat het soms voldoende is omniptente stamcellen in een beschadigd of defect weefsel te injecteren om nieuw en normaal functionerend weefsel aan te maken.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

omnivoor[bewerken]

van het Latijn omnis = alles + vorare = slikken, verslinden.

Een omnivoor is een alleseter. De term "omnivoor" wordt ook gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. We kunnen dus zeggen "de mens is een omnivoor" of "de mens is omnivoor". Met "alleseter" wordt gewoonlijk bedoeld dat het organisme zich zowel voedt met plantaardig als met dierlijk materiaal. Uiteraard kunnen ook zwammen op het menu voorkomen.

Enkele voorbeelden van omnivoren[bewerken]

Als typische alleseters worden bijvoorbeeld bij de insecten de kakkerlakken beschouwd (hoewel bij insecten ook het woord 'polyfaag' veel gebruikt wordt), bij vogels raaf, meeuwen en diverse spreeuwen, bij de zoogdieren de bruine beer en de wasbeer, veel Marterachtigen, Varkens uit de oude en de nieuwe wereld, chimpansees en de Mens.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

onafhankelijkheidswet[bewerken]

Zie Mendelwetten

onderwerpingsgedrag[bewerken]

Gedrag dat een zwakker dier t.o.v. een dominant dier vertoont. Zo zal een onderdanige hond de oren naar achteren draaien, soms plat leggen, de staart laag houden en geen rechtstreeks oogcontact zoeken. In een extreem geval van onderwerping gaat hij op de rug liggen en presenteert hij zijn keel aan het dominante dier.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ongeslachtelijke voortplanting[bewerken]

Ook wel vegetatieve voortplanting genoemd is een manier van voortplanten, waarbij hetnieuwe individu ontstaat uit een deel van het ouderindividu. Hierbij treedt er geen meiose op en is er geen versmelting van kernen.

Doordat er geen sprake is van genetische recombinate levert ongeslachtelijke voortplanting individuen op, die onderling genetisch gelijk zijn en die een kopie zijn van de ouder. In een stabiele omgeving hoeft dit geen nadeel te zijn, want het mechanisme biedt minder kans op (nadelige) mutaties.

Ongeslachtelijke voortplanting bij eencelligen[bewerken]

Deze organismen vermenigvuldigen zich meestal door gewone celdeling. Eerst deelt het kernamateriaal zich, waarna een celdeling volgt. Sommige eencelligen, zoals de ciliaten, kennen hiernaast ook een vorm van geslachtelijke voortplanting, waarbij kernmateriaal wordt uitgewisseld.

Ongeslachtelijke voortplanting bij planten[bewerken]

Zeer veel planten kunnen zich naast geslachtelijk ook ongeslachtelijk voortplanten. Dit kan door

  • Fragmentatie; Hierbij valt het oorspronkelijke plantenlichaam in stukjes uiteen, waarbij ieder stukje uitgroeit tot een nieuwe plant. Dit doet zich bv. voor bij (lever)mossen.
  • Produceren van uitlopers; een mooi voorbeeld vormen de aardbeien: de plant vertoont uitlopers; waar deze de grond raken schieten ze wortel en op die plaats groeit een nieuw plantje.
  • Bollen; een bol bestaat een bolschijf met rokken; verdikte bladeren waarin een grote hoeveelheid reservevoedsel is opgeslagen. Tussen deze rokken bevinden zich de knoppen.

In het voorjaar ontstaat uit één van deze knoppen (de eindknop) een nieuwe plant. Voor zijn groei gebruikt de plant het reservevoedsel uit de rokken, die daardoor verschrompelen. De knoppen waaruit geen plant is ontstaan, ontwikkelen zich tot nieuwe bollen. Deze kunnen in het najaar geplant worden en in het voorjaar uitgroeien tot nieuwe planten.Lelies, tulpen, narcissen... zijn enkele voorbeelden van planten die zich op deze manier kunnen vermenigvuldigen.

  • De wortelstok of rhizoom is een ondergrondse, meestal horizontaal lopende, al of niet opgezwollen stengel. Het eind van de wortelstok buigt vaak weer omhoog en vormt zo een nieuwe plant.e onderscheiden stengelknollen en wortelknollen. Uit beiden kunnen nieuwe planten groeien.
  • Een stengelknol is een opgezwollen ondergrondse stengel met reservevoedsel. Naakte stengelknollen worden beschermd door een kurklaagje bij, bijvoorbeeld, de aardappel. Gerokte stengelknollen worden beschermd door vlezige delen, de oude bladscheden. Dat is het geval bij de herfsttijloos, de krokus en de gladiool
  • Een wortelknol is een opgezwollen bijwortel met reservevoedsel. Uit de knolletjes ontstaan nieuwe planten. Klaverzuring, dahlia en speenkruid zijn voorbeelden van planten die wortelknollen vormen
  • Ongeslachtelijk via zaad (apomixie). Bij apomixis blijft de bevruchting van de eicel, en soms ook die van de centrale cel achterwege. In de eerste plaats vindt er in het vruchtbeginsel geen reductiedeling van de eicel plaats, waardoor de eicel diploïd blijft. Deze diploïde eicel kan zich vervolgens parthenogenetisch (d.w.z. maagdelijk, zonder bevruchting) gaan ontwikkelen tot een volwaardig embryo. Het komt wijdverbreid voor in de grassenfamilie (veldbeemdgras), rozenfamilie (braam en lijsterbes), composietenfamilie (duizendblad, streepzaad, havikskruid, paardenbloem) en wijnruitfamilie (citrus).

Ongeslachtelijke voortplanting bij dieren[bewerken]

  • Bij parthenogenese ontwikkelt de eicel zich zonder bevruchting door een zaadcel tot een volledig individu. De snelheid waarmee bladluizen zich op onze kamer- en tuinplanten kunnen vermenigvuldigen, is te danken aan parthenogenese.
  • Ook regeneratie kan leiden tot een nieuw individu. Zo kan een afgebroken arm van een zeester, weer uitgroeien tot een nieuw dier.


Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ontbossing[bewerken]

Ontbossing is het kappen van bomen, vaak op grote schaal.

ontgifting[bewerken]

Ontgifting is de omzetting van giftige (toxische) stoffen in niet giftige.

Ontgifting is dus neutralisatie van zowel exogene (uitwendige) toxines, ingenomen via drank of voeding of ingeademd, als endogene (inwendige) toxines die door het lichaam, tijdens de stofwisseling zelf worden gemaakt. Zie ook lever en uitscheidingstelsel

ontogenese[bewerken]

van het Grieks ontos =wezen + -geneia = oorsprong De ontogenese (ontogonie of ontwikkellingsfysiologie) beschrijft de oorsprong en de ontwikkeling van een organisme vanaf de bevruchte eicel of zygote tot volwassen organisme. Dit is een proces dat gestuurd wordt door genen en hormonen

ontregelde groei[bewerken]

Groei in delen van het lichaam, waar geen groei meer hoort op te treden; dit leidt tot gezwelvorming (ontstaan van tumoren)

Het lichaam is opgebouwd uit cellen die normaliter continu afsterven en weer aangemaakt worden. Nieuwe cellen ontstaan door middel van celdeling. Door verschillende oorzaken kan een cel zichzelf steeds blijven vermeerderen. Er wordt dan een klompje cellen gevormd, dat we een tumor noemen.

tumoren kunnen onderverdeeld worden in goedaardige en kwaadaardige.

Goedaardige tumoren groeien meestal langzaam, en verspreiden zich niet naar andere delen van het lichaam.

Kwaadaardige tumoren (kankergezwellen) daarentegen groeien vaak snel, en dringen het omringende weefsel binnen. Ze richten vaak schade aan en kunnen ook druk uitoefenen op het omringende weefsel. Kanker kan ook ontstaan in bepaalde bloedcellen die in het beenmerg worden aangemaakt, of in het lymfestelsel.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ontsluiting[bewerken]

De ontsluiting is de eerste fase van de zwangerschap waarbij de baarmoederhals geleidelijk aan meer opening vertoont om de doorgang van de baby te vergemakkelijken.

De eerste fase begint wanneer de baarmoedermond platter wordt en zich opent. Deze fase eindigt als er sprake is van volledige ontsluiting.

De baarmoederhals vormt de verbinding tussen het baarmoederlichaam en de [[../Vvagina#{{{2}}}| {{{2}}}]]. Het is een stevige spier die de baarmoeder ondersteuning biedt en afsluit gedurende de zwangerschap. Op het moment dat de doorgang vrij moet worden gemaakt voor de baby, opent de baarmoeder zich geleidelijk.

Het zijn de weeën die de ontsluiting mogelijk maken. Deze pijnlijke samentrekkingen van de baarmoeder resulteren in het verstrijken van de baarmoederhals. D.w.z. dat de baarmoederhals platter wordt omdat de dikke wanden ervan korter en dunner worden als gevolg van de eerste weeën. Bij een eerste zwangerschap kan het verstrijken 8 tot 12 uur in beslag nemen. Bij een volgende zwangerschap beperkt zich dit meestal tot 4 à 5 uur.

Vervolgens opent de baarmoederhals zich. Dit is wat men ontsluiting noemt. Deze ontsluiting wordt gemeten in centimeters van 0 tot 10 cm. Bij 10 cm is er dus sprake van volledige ontsluiting. Bij een eerste baby gebeurt de ontsluiting geleidelijk aan : het duurt tamelijk lang voor het 5 à 6 cm bedraagt maar daarna gaat het snel. In het algemeen kan je vanaf dan rekenen op 1 cm meer ontsluiting per uur.

Tijdens de ontsluitingsfase maakt het lichaam het hormoon endorfine aan. Dit hormoon is een natuurlijke "doping", en heeft een bewustzijnsvernauwend effect waardoor de pijn minder gevoeld wordt.

ontwikkelingsreeks[bewerken]

Ontwikkelingsreeks van het paard

Chronologische reeks van fossielen welke men kan gebruiken als argument voor de evolutie ban een bepaald organisme. Zo zijn volledige ontwikkelingsreeksen gekend van het paard, de olifant, het varken ...

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

onverzadigd vetzuur[bewerken]

Is een vetzuur met minstens één dubbele binding in de koolstofketen. Vetzuren met slechts één dubbele binding zijn mono-onverzadigd. Vetzuren met meerdere dubbele bindingen zijn poly-onverzadigd. Men maakt een onderscheid tussen cis- en trans vetzuren, naargelang de ruimtelijke configuratie. Bij natuurlijke enkelvoudig of meervoudig onverzadigde vetzuren zijn de verbindingen meestal van het cis-type.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oöcyt[bewerken]

Zowel de primaire als de secundaire oöcyt vormen tussenstappen in de ontwikkeling van de eicel (de oögenese) De primaire oöcyt Tijdens de embryonale ontwikkeling ondergaan moedercellen in de eierstokken van het vrouwelijk embryo Ooögonia voortdurend mitoses, waardoor talrijke dochtercellen gevormd worden. Sommige van deze dochtercellen zullen het begin van de meiose ondergaan, maar blijven wel steken in het diploteen van de profase I. Deze dochtercellen noemt men primaire oöcyten. Tijdens de omvorming van Ooögonia tot primaire oöcyten ondergaan de cellen een structuurverandering, waardoor ze tegen het einde van profase I omringd zijn met een laagje afgevlakte follikelcellen. Het geheel noemt men een primordiaal follikel.

De secundaire oöcyt[bewerken]

Vanaf de puberteit groeit er periodisch een primordiaal follikel uit tot een groot, met vocht gevuld blaasje: een Graafse follikel. Onder invloed van het luteïniserend hormoon (LH) kent de primaire oöcyt nu het verder verloop van de meiose I. Dit resulteert in twee haploïde dochtercellen; de secundaire oöcyt en het eerste poollichaampje. Van deze twee krijgt de secundaire oöcyt nagenoeg al het cytoplasma mee, terwijl het poollichaampje verder geen rol speelt. De secundaire oöcyt ondergaat nu meiose II, maar weer is de deling niet volledig. Ze blijft steken in de metafase van meiose II. Het is in dit stadium dat de ovocyt vrijkomt (ovulatie). Hetgeen meestal een "rijpe eicel" genoemd wordt is dus in wezen een secundaire ovocyt, in metafase II van de meiose. Het is maar wanneer deze oöcyt bevrucht wordt, dat de meiose zicht voltrekt.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oögenese[bewerken]

Proces waarbij een eicel gevormd wordt, vertrekkend van eicelmoedercellen (oögonia).

Wat nu volgt is een beschrijving van het fenomeen bij de mens.

De oögenese begint reeds tijdens de embryonale ontwikkeling wanneer tussen de 15de en de 28ste zwangeschapsweek moedercellen (oögonia) sterk in aantal toenemen door mitoses en de ermee gepaard gaande celdelingen. Een deel van deze oögonia begint aan een meiose, maar dit proces stopt reeds tijdens de profase van meiose I. Deze cellen noemt men primaire oöcyten.

Tegen het einde van de embryonale ontwikkeling zijn alle primaire oöcyten omringd door een laagje afgevlakte follikelcellen en het geheel vormt een primordiaal follikel. Op het ogenblik van de geboorte hebben we in feite twee structuren, die niet synchroon met elkaar zullen evolueren. Enerzijds hebben we de primaire oöcyten en anderzijds het follikelepitheel. Dit laatste kan zich verder ontwikkelen, zonder dat er iets met de primaire oöcyt gebeurt.

Het overgrote deel van de follikels blijft in het primordiaal stadium tot aan de puberteit. Onder hormonale invloed beginnen verscheidene primordiale follikels zich te ontwikkelen. De follikelcellen worden groter en we spreken nu van een primair follikel. Wanneer het primair follikel niet afsterft ontstaan meerdere lagen follikelcellen (het stratum granulosum bestaande uit granulosacellen). Verder vormt zich tussen deze granulosacellen en de primaire oöcyt een glycoproteïnelaag: de zona pellucida. De primaire oöcyt neemt ondertussen in volume toe. Het geheel wordt een secundair follikel. Rondom nestelen zich zgn. thecacellen. Als ook het secundair follikel overleeft gaat er zich tussen de granulosacellen een met vocht gevulde ruimte vormen. De oöcyt ligt aan één kant, omringd door granulosacellen. De thecacellen hebben zich gedifferentieerd tot twee types bindweefsel: de theca interna, met grote lipidenrijke cellen, en de theca externa.

Onder hormonale invloed ondergaat in één follikel (het zg. dominant follikel) de primaire ovocyt (die verkeerde in profase van meiose I) het verder verloop van de meiose, en dit tot aan de metafase van meiose II. We bekomen een haploïde secundaire oöcyt en een eerste poollichaampje. We hebben nu te doen met een tertiair follikel, dat verder uitgroeit tot een zg. Graafse follikel. Het is dit follikel dat bij de ovulatie zal openbarsten, waarbij de secundaire ovocyt (in metafase II van de meiose) vrijkomt. Het is maar wanneer de vrijgekomen secundaire oöcyt bevrucht wordt, dat de laatste fasen van meiose II doorlopen worden.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

open kringloop[bewerken]

Term uit de ecologie. Dit is een kringloop met veel uitwisseling met de omgeving. Het is een kenmerk van een pioniersecosysteem.

Een open kringloop is in evenwicht, wanneer de instroom even groot is als de uitstroom.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

opperhuid (mens)[bewerken]

De opperhuid is de buitenste laag van de huid. De opperhuid zelf bestaat uit diverse lagen: Van buiten naar binnen onderscheiden we dus respectievelijk

De hoornlaag (Stratum corneum)[bewerken]

Deze bestaat uit verhoornde of gekeratiniseerde cellen (corneocyten) met ertussen een kitmassa, die rijk is aan lipiden. Aan de buitenkant schilferen de cellen gemakkelijk af, terwijl de onderliggende lagen compacter zijn.

Een typische hoornlaagcel bestaat uit een taaie celmembraan, die een vezelachtige celinhoud omgeeft die rijk is aan keratine.

De hoornlaagis bedekt met een hydrolipidenfilm, die een uistekende beschermingsfilm voor de huid vormt. Belangrijke componenten van deze hydrolipidenfilm zijn

  • natuurlijke vochthoudende factoren
  • een hele reeks lipiden
  • de huidflora (diverse soorten micro-organismen)

De glanslaag (Stratum lucidum)[bewerken]

Zij wordt ook wel lichtbrekende laag genoemd door haar sterk lichtbrekende werking. De cellen zijn zeer plat en liggen dicht tegen elkaar aan. Deze laag komt alleen voor op de handpalmen en de voetzolen.

De korrellaag (Stratum granulosum)[bewerken]

Dankt haar naam aan het korrelige uitzicht, dat het gevolg is van de aanwezigheid van keratohyalinekorrels, die een mengsel zijn van verschillende soorten eiwitten. De korrellaag is een drietal cellagen dik en de cellen zelf zijn eerder afgeplat. In deze laag grijpt de verhoorning plaats.

De stekelcellenlaag (Stratum spinosum)[bewerken]

Bestaat uit verschillende cellagen. De cellen zijn minder afgeplat en onderling met elkaar verbonden via talrijke cytoplasmabrugjes (desmosomen). Het zijn deze desmosomen die de cellen een stekelig uitzicht geven. In deze laag ontwikkelen zich de keratinosomen (odland-bodies); dit zijn kleine holtes die door een membraan zijn omgeven en die een vetachtige substantie bevatten.

De onderste laag (Stratum basale)[bewerken]

Is slechts één cellaag dik; de cellen delen zich voortdurend en de gevormde dochtercellen schuiven systematisch op naar de buitenste lagen. De cellen liggen los t.o.v. elkaar, maar zijn wel via plasmambrugjes met elkaar verbonden. De basis van elke cel bezit uitlopers, waardoor ze stevig verankerd zijn in de basismembraan. De onderste laag bevat ook de pigmentproducerende cellen (melanocyten). Doordat de cellen in de basale laag zich voortdurend delen en deze uiteindelijk aan de bovenkant afschilferen, vernieuwt de opperhuid zich ongeveer één keer per maand. Het vermogen tot aanmaak van nieuwe cellen in de basale laag, maakt dat de huid bij een verwonding vrij snel dichtgroeit. De delingsactiviteit van de basale laag wordt door verschillende factoren bepaald. Bij jonge mensen verloopt de celdeling sneller dan bij ouderen. De afschilfering aan het oppervlak is, behalve op het behaarde hoofd bij roos en bij bepaalde huidziekten (zoals psoriasis), gewoonlijk niet zichtbaar.

De opperhuid vormt in zijn geheel een natuurlijke barrière tegen chemische stoffen en fysische invloeden zoals zuren, tegen uitdroging en beschadiging door zonlicht. De huid beschermt ons ook tegen het binnendringen van bacteriën, schimmels en virussen.

Huidpigmentatie[bewerken]

De kleur van de huid wordt voor een groot deel bepaald door het aanwezige pigment. Pigment of melanine is een bruine kleurstof die wordr aangemaakt door de pigmentcellen ( melanocyten) in de basale laag van de opperhuid. In de melanocyt wordt de pigmentkleurstof; het melanine , verpakt in kleine bolletjes, de melanosomen (pigmentkorrels). en zo afgegeven aan de hoorn- cellen (keratinocyten) van de huid. Pas wanneer het pigment zich in deze hoorncellen bevindt, is een huid zichtbaar gepigmenteerd. Ieder mens, blank of donker, heeft ongeveer evenveel pigmentcellen. De activiteit van deze pigmentcellen en de hoeveelheid en rijpheid van de melanosomen bepalen iemands huidskleur. Bij donkere rassen bevatten de pigmentcellen veel meer en rijpere melanosomen en zijn ook de hoorncellen veel voller beladen met melanosomen dan bij blanke rassen. Onder invloed van zonlicht neemt de activiteit en de pigmentproductie van de pigmentcellen toe.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

opperhuid (plant)[bewerken]

De opperhuid van de plant is de buitenste cellaag van het primaire plantenlichaam. Bladeren, kruidachtige stengels en bloemblaadjes behouden gewoonlijk gans hun levensduur hun epidermis (van het Grieks epi = "op" + derma = "huid".

Houtachtige stammen behouden hun opperhuid voor één tot meerdere jaren, waarna deze vervangen wordt door een zg. periderm (bestaande uit kurkweefsel, kurkcambium en vulweefsel). Bij wortels heeft het epidermis slechts een korte levensduur. De opperhuid heeft verschillende taken, zoals

  • het bieden van bescherming tegen diverse chemische en fysische invloeden, het beschermen tegen vraat en tegen parasieten
  • het beschermen van de plant tegen uitdroging
  • het deelnemen aan gasuitwisseleingen, het afgeven van stofwisselingsproducten en de opname van water en mineralen
  • het opvangen van lichtprikkels en van mechanische stimuli, die helpen om signalen uit de omgeving om te zetten voor de plant.

Om dit alles mogelijk te maken beschikt de opperhuid over verschillende celtypes, die aangepast zijn aan specifieke taken. We onderscheiden drie hoofdtypes:

  • de 'gewone' opperhuidcellen
  • de cellen van de stomacomplexen
  • de trichomen (van het Grieks trichoma = "haar)

De 'gewone' opperhuidcellen[bewerken]

Dit zijn de minst gespecialiseerde cellen, die de overgrote meerderheid van de opperhuidcellen uitmaken. Wanneer men ze van boven bekijkt kunnen ze langwerpig zijn ofwel veelhoekig. Hun wanden zijn vaak gegolfd. Langwerpige cellen vindt men meestal in plantendelen, die zelf langwerpig zijn zoals stengels, bladnerven of bladeren van eenzaadlobbigen. Meestal bestaat de opperhuid uit slechts één cellaag, hoewel meerlagige epidermissen bekend zijn (bv. bij Ficus, Piperaceae, Begoniaceae...)

De celwand van een opperhuidcel van een blad, die naar de buitenkant gekeerd is, is vaak dikker dan de andere celwanden. Dit is vooral goed te zien bij de opperhuid van naalden van coniferen en bij planten die voorkomen in een droge omgeving (xerofyten). de opperhuidcellen bedekt met een waterafstotend laagje: de cuticula. Dit laagje is doordrenkt van en bedekt met wasachtige substanties, waarvan cutine het best gekend is.

De bladeren van de heilige lotus (Nelumbo nucifera) zijn gekend om hun uitgesproken waterafstotende en zelfreinigende eigenschappen. Dit heeft de wetenschappers op het pad gezet om speciale waterafstotende producten te maken voor textielvezels. De cellen van de stomacomplexen

De cellen van de stomacomplexen[bewerken]

Om gasuitwisselingen met onderliggende weefsels mogelijk te maken, is het nodig dat de opperhuid openingen vertoont. Deze huidmondjes (stomata, van het Grieks stoma = "mond") zijn een onderdeel van een zg. stomacomplex, bestaande uit twee bladgroen bevattende sluitcellen en twee tot vier helpstercellen. Volgens de onstandigheden openen of sluiten de sluitcellen het huidmondje, waardoor de gasuitwiselingen geregeld worden. Het aantal stomata kan sterk variëren naargelang de plantensoort en het beschouwde onderdeel.

De trichomen[bewerken]

Dit zijn epidermale aanhangsels die sterk variëren in vorm, structuur en functie. Zij ondersteunen en beschermen het blad, vormen kliertjes of dienen voor wateropname (wortelhaartjes). Zij kunnen één- of meercellig zijn.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oppervlakte-volume verhouding[bewerken]

Dit is de verhouding tussen de oppervlakte en het volume van een organisme. Dit houdt in, dat kleine cellen in verhouding tot grotere een groter oppervlak hebben. Hierdoor kunnen ze makkelijk voldoende stoffen met de omgeving uitwisselen om in leven te blijven. Naarmate cellen groeien zullen ze meer en meer problemen krijgen om voldoende stoffen uit de omgeving op te nemen, tot op een punt, waar ze verplicht worden te delen, willen ze overleven.

Op grotere schaal hebben kleine organismen zoals muizen en kleine vogels een relatief groot lichaamsoppervlak, waardoor ze gemakkelijk warmte verliezen. Zij moeten dan ook veel eten om hun temperatuur op peil te houden en beschikken over een isolerende pels of veren om warmteverlies zoveel mogelijk te beperken. Olifanten daarentegen hebben een groot volume voor een verhoudingswijze kleiner lichaamsoppervlak. Zij zullen dus moeilijker afkoelen. Verder hebben zij behoefte aan zware beenderen en een grote spiermassa. Om succesvol te zijn moet een grotere cel de kleinere oppervlakte-volume verhouding ergens kunnen compenseren, wil ze voldoende voedingsstoffen kunnen opnemen.

oppervlaktewater[bewerken]

Water op aarde, waarvan het oppervlak in rechtstreeks contact staat met de atmosfeer. Dit is niet het geval met grondwater. Oppervlaktewateren kunnen natuurlijke of kunstmatige wateren zijn. De natuurlijke oppervlaktewateren worden gevormd door

  • Oceanen
  • Zeeën
  • Meren
  • Rivieren en beken
  • Vennen

opslag (planten)[bewerken]

Hieronder verstaan we het opslaan van reservevoedsel in speciale organen. Zo kennen we volgende opslagplaatsen voor reservevoedsel:

  • penwortels: vb. peen
  • wortelknollen: vb. dahlia, zoete aardappel
  • wortelstokken: vb. iris
  • stengelknollen: vb. aardappel, krokus
  • bollen: vb. ui
  • fruit
  • zaden: stockeren vooral sachariden, maar ook lipiden (vb. zonnebloempitten)
Gebaseerd op het biologielexicon VOB

optimumkromme[bewerken]

Optimumcurve van enzymactiviteit in functie van temperatuur

Is een kromme, waarbij het verband wordt uitgezet tussen een factor en een activiteit, en waaruit we dan kunnen afleiden voor welke waarde van de factor de activiteit optimaal is.

Voorbeeld: de activiteit van een enzym (invloed op de reactiesnelheid) in functie van de temperatuur, of in functie van pH

oraal[bewerken]

Met of via de mond (afkomstig van het Latijn. Os)

orde[bewerken]

Rang in de taxonomie. Onderverdeling, gebruikt in het classificatiesysteem. Een 'orde' is een taxonomische groep, die volgens door een taxonoom gehanteerde criteria een welbepaalde eenheid vormt.

In de classificatie komt 'orde' tussen 'klasse' en 'familie'. Volledige uitleg bij taxonomie

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ordening[bewerken]

Zie taxonomie

orgaan[bewerken]

van het Latijn organum = "instrument", "werktuig"

Onderdeel van een organisme met een specifieke structuur en functie. Een orgaan bestaat meestal uit verschillende weefseltypes, waarvan er één overheerst.

Enkele voorbeelden[bewerken]

Dierlijke organen: ogen, hart, longen, lever, nieren, maag, huid, baarmoeder, blaas, enz.

Organen bij planten: hier kan men het onderscheid maken tussen vegetatieve en generatieve organen. De vegetatieve organen zorgen voor het normaal functioneren van de plant (zij spelen een rol in vitale processen zoals fotosynthese), terwijl de generatieve organen een rol spelen in de voortplanting. Zo zijn de wortel, stengel en bladeren vegetatieve organen, terwijl bloemen, zaden en fruit generatieve organen zijn. Wanneer vegetatieve organen aan de basis liggen van de vermenigvuldiging, krijgt men het ontstaan van klonen.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

orgaantransplantatie[bewerken]

Ingreep waarbij organen van één individu worden overgebracht op een ander. Dit gebeurt meestal tussen organismen van dezelfde soort, maar transplantaties tussen individuen van verschillende soort bestaan ook. Deze laatste noemt men xenotransplantaties.

Bij transplantaties tussen organismen van dezelfde soort wordt nog een onderscheid gemaakt tussen

  • autotransplantaties: dit systeem geldt niet voor organen, maar wel voor weefsels. Donor en ontvanger zijn immers hetzelfde individu.
  • allotransplantaties: transplantatie tussen verschillende individuën van dezelfde soort. De meeste transplantaties behoren tot dit type. Men spreekt van een isotransplantatie wanneer het gaat om een transplantatie tussen een eeneiïge tweeling.

Het grote probleem bij transplantaties zijn de afstotingsverschijnselen, die het resultaat zijn van de reactie van het immuunsysteem op het vreemde orgaan. Dit bevat immers vreemde stoffen ( antigenen) waartegen vooral T-cellen reageren. T-cellen zijn witte bloedcellen, die een rijpingsproces in de thymus hebben ondergaan. Op hun membraan hebben zij receptoren, waarmee zij op het vreemde antigeen kunnen binden.

organel[bewerken]

Deel van een cel, dat naar bouw en functie te onderscheiden is van andere. Organellen zijn vaak (maar zeker niet altijd!) door een membraan van het cytosol gescheiden. De belangrijkste celorganellen zijn:


Zie Wikipedia

organenstelsel[bewerken]

Groep van samenwerkende organen, bv. het spijsverteringsstelsel, het ademhalingsstelsel ...

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

organisatieniveau[bewerken]

Niveau waarop het leven kan worden bestudeerd.

In biologische systemen kent menverschillende organisatieniveaus. Gewoonlijk onderscheidt men volgende niveaus:

organische stof[bewerken]

  1. Synoniem voor een organische verbinding: is een chemische verbinding waarvan een molecuul minstens een koolstofatoom bevat. Uitzonderingen vormen de carbonaten, cyaniden, cyanaten en thiocyanaten, die, hoewel ze een koolstofatoom bevatten, toch tot de anorganische verbindingen gerekend worden. Naast koolstof bevatten organische verbindingen vrijwel altijd waterstofatomen. Ook zitten er vaak stikstof, zwavel en zuurstof in organische verbindingen.
  2. Synoniem voor humus. Organische stof in de bodem is grotendeels afkomstig van planten en voor een klein deel van dierlijke organismen en wordt geleverd door plantenwortels, graanstoppels en stalmest. Organische stof in de bodem wordt humus genoemd, vandaar de naam humeuze zandgrond.

organisme[bewerken]

Iedere één- of meercellige levende structuur, die in staat is te groeien en te reproduceren. De term wordt gebruikt voor lichaam, individu, soort... Volgens deze definitie zijn virussen en prionen geen organismen. Organismen vormen het object van studie van de biologie. Organismen kunnen op verschillende niveaus worden onderzocht: moleculair, cellulair, histologisch, op het niveau van organen of orgaanststelsels, individu, populatie of ecosysteem.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

orgasme[bewerken]

Euforisch gevoel bij het klaarkomen. Gaat gepaard met zaadlozing bij de man en met samentrekken van de baarmoeder bij de vrouw.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

orthosympathicus[bewerken]

of orthosympatisch Zie sympatisch zenuwstelsel

osmoreceptor[bewerken]

Is een onderdeel van een groep van structuren in de hypothalamus, die reageert op wijzigingen in de osmotische druk van het bloed, door het regelen van de afscheiding van het antidiuretisch hormoon door de hypofyse.
Gebaseerd op het biologielexicon VOB

osmoregulatie[bewerken]

Het min of meer constant houden van de osmotische waarde van vloeistoffen in het organisme. Vloeistoffen in een organisme zitten altijd in begrensde ruimtes en kunnen voorkomen onde de vorm van

Water is essentieel voor alle levende organismen.[bewerken]

Deze kunnen aan water geraken door

  • te drinken
  • door het op te nemen via vast voedsel, waar het vrij kan in voorkomen of als hydraatwater
  • via hun stofwisseling (condensatiereacties)
  • rechtstreeks via het celoppervlak door osmose

Organismen kunnen op diverse manieren hun waterbalans in evenwicht houden:[bewerken]

Veel eencelligen beschikken over eigen technieken om hun osmotische balans in evenwicht te houden. Een mooi voorbeeld is het pantoffeldiertje (Paramecium sp.). Dit organisme leeft gewoonlijk in een hypotonisch midden, waardoor water via de membraan door osmose wordt opgenomen. Het overtollige water wordt vervolgens met behulp van kloppende vacuolen actief uit de cel gepompt. Deze vacuole n zijn blaasjes, die met radiaal uistralende buisjes in verbinding staan. Het zijn deze buisjes die het water aanvoeren naar de vacuole. Wanneer deze met water gevuld is, trekken buisje en blaasje samen, waardoor water uit de cel wordt geperst. Verder beschikken pantoffeldiertjes en andere protisten over nog een ander systeem om de waterbalans te regelen: in hun cytoplasma zitten zoutkristallen, die zoutionen vrijmaken wanneer de waterconcentratie in het organisme te groot wordt. Hierdoor stijgt de osmotische waarde van het plasma , waardoor verdere wateropname wordt tegengegaan.

Bij de meeste dieren mogen er geen grote schommelingen optreden tussen de interne osmolariteit (aantal mol opgeloste stof per liter oplossing) en de externe. Zij zijn stenohalien (van het Grieks stenos = "nauw" + hals = "zout"). Sommige dieren kunnen zich wel gemakkelijk aanpassen aan schommelingen in de uitwendige zoutconcentratie (vb. de zalm). Zij zijn euryhalien (van het Grieks eurys = "breed" + hals = "zout").

Waar de celmembraan de grens vormt tussen de cel en haar directe omgeving, vormen de huid, longen, kieuwen, nieren e.d. de grens tussen het lichaam en de buitenwereld.

Waterverlies kan optreden door verdamping (bij landdieren), faeces en urine. Via de excretie worden er ook constant een zeker hoeveelheid zouten uit het lichaam verwijderd. De osmoregulatie moet ervoor zorgen dat er een evenwicht tot stand komt.

We zullen nu enkele voorbeelden geven van osmoregulatie bij diverse diergroepen.

Zoetwaterdieren:[bewerken]

Zijn altijd hyperosmotisch: dit betekent dat ze een hogere osmotische waarde hebben dan hun omgeving. Dit resulteert in een neiging tot zoutverlies en het opnemen van water. Dit wordt gecompenseerd door

  • verdunde urine: veel water uitscheiden en weinig zouten
  • zoutopname: actief proces (kost energie)
  • huid impermeabel houden (slijmlaag)
  • niet drinken.

Zoutwaterdieren:[bewerken]

Je hebt iso-osmotische dieren waar de osmotische waarde van de lichaamsvloeistoffen gelijk is aan die van het zeewater, (bv bepaalde invertebraten). Zij moeten dus geen arbeid leveren om hun osmolariteit op peil te houden. De meerderheid van de dieren zijn echter hypo-osmotisch: ze hebben een lagere osmotische waarde dan de omgeving. Hierdoor verliezen ze veel water aan de omgeving en nemen veel zouten op. Het waterverlies wordt gecompenseerd door zeer veel te drinken, terwijl zouten actief via de kieuwen worden verwijderd (actief transport van chloride-ionen, waarna natriumionen passief volgen) Zeezoogdieren kunnen geen water drinken en moeten al het vocht uit hun voedsel halen.

Landdieren:[bewerken]

Worden voortdurend aan uitdroging blootgesteld. Waterverlies via de huid wordt zoveel mogelijk beperkt door

  • een waslaagje op het exoskelet van insecten
  • de huisjes van landslakken
  • de lagen van dode, gekeratiniseerde cellen op de opperhuid bij vertebraten

Niettegenstaande deze voorzieningen verliezen landdieren heel wat water in urine, zweet, in hun uitwerpselen en via de ademhalingsorganen. Zij compenseren dit waterverlies door veel te drinken en vochtrijk voedsel op te nemen.

Sommige diersoorten zijn zeer goed aangepast aan extreme omstandigheden. Een mooi voorbeeld vormt de kangoeroerat. Dit diertje dankt zijn naam aan zijn huppelende maniervan voortbewegen en komt voor in de Amerikaanse woestijnen. Het beestje verliest zo weinig water, dat het 90 % van zijn waterverlies kan compenseren met water geproduceerd door zijn metabolisme. De resterende 10 % wordt gehaald uit zaden die het eet als voedsel.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

osmose[bewerken]

Begin- en eindtoestand bij osmose doorheen een semipermeabele membraan

Verplaatsing van water doorheen een semipermeabele membraan. wanneer de osmotische waarde aan weerskanten van deze semipermeabele membraan verschilt, dan zal het water zich verplaatsen in de richting van de kant met de hoogste osmotische waarde, totdat de osmotische waarde aan beide kanten gelijk wordt. Als in een cel de osmotische waarde hoger is dan in de omgeving, dan zal ze door osmose opzwellen. Een plantencel verkrijgt daardoor stevigheid: turgor. Aanverwante begrippen: diffusie, plasmolyse, deplasmolyse
Zie Wikipedia

osmotische waarde[bewerken]

De osmotische waarde is rechtstreeks afhankelijk van de concentratie aan osmotisch actieve deeltjes in het beschouwde midden.

Deze concentratie kan uitgedrukt worden in

  • osmol per kg oplosmiddel, en wordt in dit geval de osmolaliteit genoemd
  • osmol per liter oplossing, en wordt dan de osmolariteit genoemd.

Eén osmol = de hoeveelheid stof die één mol aan osmotisch actieve deeltjes oplevert in een waterige oplossing

Voor een stof die niet dissocieert is de osmolaliteit (osmolariteit) = molaliteit (molariteit). Voor een stof die wel dissocieert zal de osmolaliteit (osmolariteit) groter zijn dan de molaliteit (molariteit) en wel in de mate van het aantal deeltjes waarin de stof dissocieert. Bovendien speelt de ligging van het evenwicht eveneens een rol.

Een hypertonische oplossing heeft een grotere osmotische waarde dan een hypotonische. Hierdoor zal ze water 'aanzuigen' van de hypotonische oplossing. Wil men dit binnenstromen van water beletten, dan moet men een extra hydrostatische tegendruk uitoefenen. De grootte van deze extra druk noemt men de osmotische druk.
Gebaseerd op het biologielexicon VOB
Zie Wikipedia

osteoblast[bewerken]

Van het Grieks osteon = been

Osteoblasten zijn beenvormende cellen. Ze ontstaan uit moedercellen die aanwezig zijn in het beenmerg en in het periosteum (één van de buitenlagen van beenderen).

Osteoblasten hebben één kern en staan onderling met elkaar in verbinding via cytoplasmatische uitstulpingen. Zij produceren osteoid, een eiwitmengsel dat rijk is aan type 1 collageen. Men vindt ze terug aan de oppervlakte van nieuw been, waar ze in groep osteoid afzetten en waar ze verder een rol spelen in de afzetting van calciumfosfaten en carbonaten, wat zorgt voor de verharding van de beenderen. Een groot deel van de osteoblasten wordt ingesloten in de matrix die zijn produceren en differentiëren tot osteocyten, die ook een rol spelen in de beenvorming.

Naast osteoblasten en osteocyten heeft men ook nog osteoclasten, die zorgen voor botresorptie
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

osteoclast[bewerken]

Van het Grieks osteon = been + klastos =gebroken.

Osteoclasten zijn grote, polynucleaire cellen, die beendermateriaal resorberen. Zij onstaan door versmelting van mononucleaire osteoclasten, die zelf ontstaan zijn uit hematopoëtische stamcellen.

Het cytoplasma van de osteoclasten heeft een schuimachtig uitzicht. Dit is te wijten aan de grote hoeveelheden blaasjes en vacuolen. De botafbraak door osteoclasten begint met de hechting aan het bot met behulp van diverse receptoren. Na de hechting ondergaan de osteoclasten specifieke morfologische veranderingen. In de osteoclasten ontstaan drie membraanzones met elk een eigen functie. Het eerste is de verzegelingzone (‘sealing zone’) die veel filamenteus actine bevat en zorgt voor een stevige interactie tussen de cellen en de matrix, waardoor het botoppervlak als het ware wordt afgesloten van zijn omgeving. De tweede membraanzone staat in contact met de omgeving en is het ‘lichaam’ van de osteoclast. De functioneel belangrijkste zone is de ruwe randzone (‘ruffled zone’), het afbrekende deel van de osteoclast. Deze zone heeft uitstulpingen die in de botmatrix doordringen. Na de morfologische veranderingen begint het afbraakproces, waarbij de eerste stap het afbreken van hydroxylapatiet [Ca5(PO4)3(OH)] is. Dit begint met de productie van protonen (H+) en bicarbonaat (HCO3- ) uit koolstofdioxide en water . Deze reactie vindt plaats onder invloed van het enzym carbonaatanhydrase II. De ontstane protonen komen door een speciaal pompsysteem in de ruwe randzone terecht, waardoor deze zone een hoge zuurgraad krijgt. Dit pompsysteem bestaat uit een adenosinetrifosfatase-kanaal. Het ‘pompen’ van de protonen in de ruwe randzone is een actief proces en kost dus energie. Deze energie wordt geleverd door het vrijmaken van fosfaat (Pi) uit adenosinetrifosfaat. Adenosinetrifosfaat wordt hierbij gereduceerd tot adenosinedifosfaat. Het zuur zorgt voor de afbraak van de mineralen in het bot.

Het door carbonaatanhydrase II ontstane bicarbonaat wordt via een speciaal transport uitgewisseld tegen chloride, waardoor bicarbonaat wordt afgegeven aan de omgeving. De hierdoor ontstane overmaat intracellulair chloride wordt weer afgegeven aan de ruwe randzone. Dit is een passief proces en kost dus geen energie. Door deze mechanismen kunnen osteoclasten een hoge zuurgraad handhaven en zuren uitscheiden waardoor de anorganische matrix kan worden afgebroken Na de afbraak van hydroxylapatiet beginnen de osteoclasten met de afbraak van de organische matrix, die voor ongeveer 90% uit collageen bestaat. Hoe dit deel van de botafbraak precies werkt, is nog niet geheel duidelijk, maar in ieder geval zijn er proteolytische activiteiten noodzakelijk.

Regulering[bewerken]

Osteoclasten worden gereguleerd door diverse hormonen, waaronder het bijschildklierhormoon en calcitonine geproduceerd door de schildklier.

Er bestaat een nauwe samenwerking tussen osteoblasten, osteoclasten en osteocyten, waardoor er een evenwicht is tussen botopbouw en botafbraak.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

osteocyt[bewerken]

Van het Grieks osteon = been + kytos = hol

Osteocyten zijn de meest voorkomende cellen in beenderen. Zij ontstaan uit osteoblasten, wanneer deze ingesloten geraken in de matrix die zij geproduceerd hebben.

Het zijn stervormige cellen die onderling met elkaar in verbinding staan via lange uitlopers, die in kanaaltjes (de canaliculi) in het bot liggen. Deze uitlopers spelen een rol in de uitwisseling van voedingsstoffen en van afvalstoffen. De osteocyten reageren op wijzigingen in de botstructuur of belasting door activatie van osteoblasten en osteoclasten.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

osteoporose[bewerken]

Van het Grieks osteon = been + poros = opening

Osteoporose betekent letterlijk 'poreuze botten'. Deze aandoening wordt ook wel botontkalking genoemd. Er wordt hierbij te weinig bot gevormd of er is een overmatig botverlies. Het gevolg: dunne, broze botten die makkelijk kunnen breken. Osteoporose komt vaak voor bij vrouwen na de menopauze. Ook oudere mannen kunnen osteoporose krijgen. Vaak wordt osteoporose wordt pas ontdekt als een oudere iets breekt.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ovale venster[bewerken]

(lat. Fenestra ovalis)
Het ovale venster is een membraan van het middenoor, op het grensvlak met het binnenoor, meer bepaald het slakkenhuis. Trillingen die het trommelvlies opvangt worden door de drie gehoorbeentjes meer dan twintig keer versterkt doorgegeven aan het ovale venster. De versterkte trillingen van dit ovale venster veroorzaken een vloeistofstroming in het slakkenhuis.
Zie Wikipedia

ovarium[bewerken]

Van het Latijn ovum = "ei"

Algemeen[bewerken]


Orgaan waarin eicellen geproduceerd worden. Bij zaadplanten bv is dat het gedeelte van vruchtbeginsel waarin zich de zaadknoppen ontwikkelen

Ovaria bij de mens[bewerken]


De ovaria zijn de vrouwelijke geslachtsklieren ( gonaden) en bevinden zich in het kleine bekken, aan weerszijden van de baarmoeder. Ze zijn met de baarmoeder verbonden via een peritoneale (buikvlies) omslagplooi. De ovaria hebben de grootte van een amandel (3-4 cm lang en 2-3 cm breed). De ovaria zijn de organen waar de ontwikkeling van eicellen ( oöcyten) gebeurt en waar vrouwelijke geslachtshormonen geproduceerd worden.

Op doorsnede kunnen we in een eierstok duidelijk twee onderdelen onderscheiden: een schorslaag en een merglaag. Het is in de schorslaag dat de oögenese plaatsvindt. In blaasvormige structuurtjes ( follikels) komen eicellen periodisch tot rijping ( ovulatiecyclus). In de eierstokken worden diverse hormonen geproduceerd: oestrogeen en progestageen.

De activiteit van de ovaria wordt vooral geregeld door [[Verklarende woordenlijst biologie voor het secundair onderwijs/H#hormoon|hormonen}} en afgescheiden door de hypofyse ( FSH en LH)
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

overgangsvorm[bewerken]

Soort die, met betrekking tot zijn eigenschappen, het midden houdt tussen een oud taxon en een daaruit geëvolueerd nieuw taxon.

Tegenwoordig worden (evolutieve) verwantschappen strikt uitgedrukt in zogenaamde cladogrammen (zie ordening), waarin de reële vertakkingen van de evolutionaire lijn worden weergegeven. De verschillende natuurlijke ofwel monofyletische groepen vormen in elkaar geneste eenheden die niet overlappen. Binnen deze vorm van [[Verklarende woordenlijst biologie voor het secundair onderwijs/T#taxonomie|classificeren}} is er in principe geen sprake meer van overgang tussen categorieën, maar van differentiatie binnen categorieën.

In deze context kunnen overgangsvormen gedefinieerd worden als de verschillende aftakkingen van een cladogram tussen één bepaalde aftakking en de kroongroep, d.i. de groep die aan het uiteinde van het cladogram wordt geplaatst.

Vaak worden de termen 'overgangsvorm' en 'tussenvorm' als synoniemen gebruikt. Nochtans is het wenselijk een onderscheid tussen beide te maken:

  • Een overgangsvorm is morfologisch sterk gelijkend op de voorouder èn op de nakomeling
  • Een tussenvorm (zoals het vogelbekdier) heeft een reeks unieke kenmerken behouden van zijn voorganger, die men niet terugvindt bij verwanten die behoren tot eenzelfde groep (in casude zoogdieren)

Enkele voorbeelden van overgangsvormen[bewerken]

reconstructie van een Archaeopterix

De Archaeopterix:

Deze oervogel heeft kenmerken van vogels en van reptielen. Typische vogelkenmerken zijn de veren en de duim die, net als bij ons, tegenover de andere vingers kan worden gezet. Reptielenkenmerken zijn onder andere de bek met tanden, de niet vergroeide lendenwervels en de vorm van de hersenen. Uit de vele reptielenkenmerken blijkt dat Archaeopteryx, en dus ook de moderne vogels, afstamt van de dinosauriërs. De ouderdom van de fossielen van Solnhofen (Zuid-Duitsland) is 140 miljoen jaar.

De Ambulocetus:

Amfibisch, krokodilachtig zoogdier dat aan de basis staat van de walvisstamboom. In 1994 (en verder in 1996) werd in Pakistan een prachtige vondst gedaan: toen werden de resten van Ambulocetus in een afgelegen gebied ontdekt Met diverse mooie fossielen en één kompleet skelet is onze kennis over de voorouders van de walvissen met sprongen vooruit gegaan. Ambulocetus leefde zowel in het water als op het land, hij leek op een grote otter, maar zijn jachttechniek was waarschijnlijk ongeveer zoals die van een krokodil. Hij verborg zich onder water aan de rand van een meer of rivier en wachte tot er een dorstige prooi voorbij kwam. Als die zich te dicht bij het water begaf sprong Ambulocetus naar voren, en de enorme kaken deden de rest. Uit de stoffen die in de tanden zijn gevonden weten we dat hij zowel in zoet als zout water heeft geleefd. Ambulocetus had geen oren. Hij hoorde met een zogenaamd s-vormig gehoorsbeentje, dit is wat moderne walvissen al hebben, dus dat geeft aan dat de Ambulocetus, hoewel een vroege walvisachtige, al over dat ontwikkelde systeem beschikte. Walvissen hebben dit systeem ontwikkeld om onder water te kunnen horen. Met gewone oren voor boven water hoor je wel geluid onder water, maar je kunt de richting niet bepalen vanwaar het komt. Walvissen hebben dus een aangepast oor zodat ze wel goed kunnen horen onder water.

Het zwemgedrag is bij de "oudere dieren", die al langer bestaan, verschillend van die korter geleden zijn ontstaan. Vissen, amfibieën en reptielen, de "oudere dieren" zwemmen door met hun staart heen en weer golvende bewegingen te maken, en zo door het water te peddelen. De zeezoogdieren, (Met uitzondering van zeehonden en walrussen, die zwemmen ook met heen en weer bewegingen.) daarintegen bewegen hun staart op en neer, hun ruggengraad is veel meer geschikt om golvende bewegingen op en neer te maken dan zijwaarts. Eigenlijk zijn de bewegingen van de ruggengraat van een zwemmende walvis dezelfde als die van een hond of een kat als die hard rent. Dus de manier van zwemmen van walvissen is ontstaan uit het galloperen van hun op het land levende voorouders.

De Tiktaalik:

in 2006 werden in het ijs op het Ellesmere eiland (Canadees noordpoolgebied) de fossiele resten van drie exemplaren van een overgangsvorm tussen vissen en landdieren gevonden. De ontdekkers (Ted Daeschler, Neil Shubin en Farish Jenkins) gaven het de naam Tiktaalik roseae; een naam die is ontleend aan de plaatselijke taal en betekent 'grote vis in ondiep water'. De gevonden exemplaren van het dier zijn 365 miljoen jar oud en variëren in lengte van anderhalf tot drie meter. Het dier heeft een driehoekige, afgeplatte kop, zoals een krokodil. Het platte, brede lichaam doet denken aan dat van viervoeters, maar is bedekt met schubben. Echt vissig aan de nieuwe soort zijn verder de primitieve onderkaak en de vinnen. Maar de rest van zijn anatomie wijst erop dat Tiktaalik hard op weg was om het water uit te kruipen.

Zo konden hoofd en schouderpartij onafhankelijk van elkaar bewegen, wat het dier extra bewegingsvrijheid gaf. Bij vissen zijn hoofd en schouder met elkaar verbonden - ze hebben geen nek - en bewegen als een geheel. De ribben van Tiktaalik zijn verder breder dan die van een gemiddelde vis, en liggen dakpansgewijs over elkaar. Daardoor krijgt het lichaam meer stevigheid - handig, als je zonder hulp van de opwaartse kracht van het water wilt kunnen bewegen. Ook de vorm van het middenoor lijkt op die van viervoetige landbewoners.

Maar de allerbelangrijkste aanwijzing dat Tiktaalik voorzichtig aan land moet zijn gegaan, zijn de borstvinnen. Die bestaan uit een serie botjes die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen, precies zoals de ledematen van een viervoeter. De onderzoekers onderscheiden primitieve schouder-, elleboog- en polsgewrichten. Het dier kon daardoor waarschijnlijk op zijn borstvinnen steunen. Met licht gebogen schouder en elleboog, en de uiteinden - wat bij ons de vingers zijn - plat op de grond. Zeker kon het op die manier door het ondiepe water scharrelen, maar vermoedelijk ook op het land. Daar wijzen de stevige borstkas en het beweeglijke hoofd op.

Tiktaalik heeft dus zowel trekken van een vis als van een viervoeter.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB


overspronggedrag[bewerken]

Niet relevant lijkend gedrag, veroorzaakt oor een conflict tussen twee gedragssystemen, of door het uitblijven van een sleutelprikkel.

Overspronggedrag kan bijvoorbeeld voorkomen in situaties waar er weliswaar een sterke motivatie bestaat om een bepaald gedrag uit te voeren, maar dit om de een of andere reden niet mogelijk is. In plaats van het gewenste gedrag wordt een totaal ander, gezien de situatie irrelevant gedrag vertoond.

Een bekend voorbeeld van zo'n conflictsituatie is de kat die zich ineens fanatiek gaat poetsen en wassen. In stress-situaties zullen mensen vergelijkbare overspronghandelingen vertonen. Wanneer iemand zenuwachtig is zal hij vaak kleine zenuwhandelingen uitvoeren, zoals achter zijn oor krabben, aan zijn kin gaan zitten frunniken of op het tafelblad gaan trommelen. Dit zijn allemaal activiteiten die gezien de situatie geen enkele functie hebben, en ook niet te maken hebben met een plotselinge jeuk of behoefte aan muzikale expressie.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ovulatie[bewerken]

of eisprong, is het verschijnsel waarbij een secundaire oöcyt uit een rijp Graafse follikel barst. Het proces grijpt eenmaal per ovulatiecyclus plaats. De naam komt van het feit dat de oöcyt een klein "sprongetje" moet maken van de eierstok naar het begin van de eileider.

De ovulatie wordt geïnduceerd door een plotse toename in de afscheiding van LH door de hypofyse. Onder invloed van dit hormoon gaat het follikel proteolytische enzymen afscheiden, waardoor het follikelweefsel aan de buitenkant wordt afgebroken. Het blaasje barst open en de oöcyt, omringd door de stralenkrans komt vrij. Het geheel wordt opgevangen door de fimbriae (franjevormige uitstulpingen van de eileider. Wanneer per toeval meerdere eicellen tezelfdertijd worden geövuleerd bekomt men een meerling.

Na de ovulatie blijft op de eierstok een litteken achter dat zal dichtgroeien met vetrijke cellen en omgevormd worden tot het zg. geel lichaam.
Zie Wikipedia

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ovulatiecyclus[bewerken]

Ovulatiecyclus

Reeks samenhangende processen in het lichaam van een vrouw, die zich gemiddeld elke 4 weken herhalen (bij afwezigheid van een zwangerschap!)

Groei en differentiatie van follikels, alsook de eisprong en de processen die op dit gebeuren volgen, zijn slechts weggelegd voor 0,1 % van de follikels. De rijping van een oöcyt en het bijhorend follikel hangt af van de delicate wisselwerking tussen de productie van de gonadotrope hormonen FSH en LH enerzijds en de vorming van receptoren voor deze hormonen op de follikelcellen anderzijds.

Wanneer er niet voldoende gonadotrope hormonen aanwezig zijn op het ogenblik dat de receptoren zich gevormd hebben, degenereert het follikel.

Volgens afspraak begint een nieuwe cyclus op de eerste dag van de menstruatie. Onder invloed van een stimulerende hormoon geproduceerd door de hypothalamus (Gonadotropin releasing hormone) scheidt de hypofyse voorkwab het follikel stimulerend hormoon ( FSH) en het luteïniserend hormoon ( LH) af. Hierdoor beginnen een reeks primaire follikels te rijpen (zie oögenese) en de follikelcellen produceren oestrogenen. Deze zijn o.a; verantwoordelijk voor de secundaire geslachtskenmerken bij de vrouw. Verder veroorzaken ze een aangroei van het baarmoederslijmvlies, een vochtopstapeling in de borsten en bij hoge concentraties het vloeibaar worden van de cervixprop (visceuze prop die de baarmoederhals afsluit). De productie van de oestrogenen heeft een stimulerend effect op de hypothalamus en op de hypofyse, waardoor deze laatste nog meer FSH gaat produceren.

Vanaf de 10de dag van de cyclus veroorzaakt de hoge oestrogeenspiegel een sterke toename in de productie van LH, terwijl ook de productie van FSH verder gaat.

Ondertussen is één van de follikels merkelijk groter geworden dan de andere en dit dominant secundair follikel groeit verder uit tot een zg. Graafs follikel. Ongeveer 36u na de piek in de LH productie barst dit follikel open en de oöcyt komt vrij (ovulatie)

Op de plaats waar het Graafs follikel is opengebarsten ontstaat een wondje. De achtergebleven follikelcellen gaan vet opstapelen en groeien uit tot een zg. geel lichaam (corpus luteum). Naast oestrogenen gaat dit nu progesteron produceren. Dit hormoon brengt het lichaam in gereedheid voor een eventuele zwangerschap: het baarmoederslijmvlies (endometrium) begint voedingsstoffen af te scheiden, baarmoedercontracties worden onderdrukt en de kliercellen in de borsten beginnen te groeien.

Als de secundaire oöcyt niet wordt bevrucht heeft de gecombineerde productie van oestrogenen en progesteron een remmende werking op de hypothalamus en de hypofyse, waardoor de productie van FSH en LH afneemt. Het geel lichaam wordt niet in stand gehouden en atrofieert. Dit veroorzaakt het afbrokkelen van het baarmoederslijmvlies en de ermee gepaard gaande menstruele bloeding. De follikelfase (zie schema hierboven) kan schommelen in lengte, vandaar de schommelingen die kunnen optreden in de lengte van de menstruatiecyclus.

Wordt de oöcyt wel bevrucht dan zal de zygote zich innestelen en het chorion zal en hormoon produceren, waardoor het geel lichaam zich omvormt tot een zwangerschaps geel lichaam dat doorgaat met de productie van progesteron. Er zal geen menstruatie optreden.

Multimedia[bewerken]

oxidatieve fosforylering[bewerken]

Men gebruikt eveneens de term eindoxidaties als synoniem. De oxidatieve fosforylering is een reactiereeks die doorgaat in de mitochondriën en die de eindfase betekent van de celademhaling bij eukaryoten. Tijdens de oxidatieve fosforylering (OXFOS) worden elektronen overgedragen van NADH (gereduceerde vorm van nicotinamide adenine dinucleotide) of FADH2 (gereduceerde vorm van flavine adenine dinucleotide) op moleculaire zuurstof. Beide vermelde structuren zijn in wezen 'waterstofdragers', die waterstof met zijn energierijke elektronen vervoeren naar eiwitcomplexen in de endomembraan van mitochondriën. Deze waterstof wordt gegenereerd tijdens de glycolyse, het vetmetabolisme of de Krebscyclus. In die endomembraan worden de elektronen van het ene complex naar het andere doorgegeven. Zo ontstaat een elektronenstroom, waarvan de energie gebruikt wordt om protonen van de matrix van de mitochondrie|mitochondriën te pompen naar het lumen tussen endo- en exomembraan. Dit genereert een protonengradiënt over de endomembraan, die de drijvende kracht wordt voor een ATP-synthetiserende complex. Inderdaad, via dit proteïnencomplex stromen protonen terug van het lumen naar de mitochondriale matrix. De energie van dit proces wordt gebruikt voor de synthese van ATP
Gebaseerd op het biologielexicon VOB
Zie Wikipedia

oxyhemoglobine[bewerken]

Vormverandering van hemoglobine bij opname of afstaan van zuurstof

hemoglobine waar zuurstofgas gebonden is aan het ijzer in de heemgroep. hemoglobine-A is het eiwit dat bij de mens voorkomt in de rode bloedcellen en dat zorgt voor het zuurstofgastransport. Het bestaat uit 4 polypeptidenketens, die twee aan twee gelijk zijn.

Verankerd in elke polypeptidenketen zit een heemgroep, met een ijzerkern; het zijn deze ijzerkernen die zuurstof binden. Naargelang de partiële druk van zuurstofgas in de omgeving neemt hemoglobine zuurstof op of staat het zuurstof af. Dit opnemen en afstaan van zuurstof gaat gepaard met een vormverandering. Men onderscheidt twee uitersten: de T-vorm en de R-vorm. Wanneer één ijzerkern van hemoglobine zuurstof bindt, wordt het binden van zuurstof door de andere ijzerkernen bevorderd door de vormverandering van de polypeptidenketen.

Wanneer het zuurstof heeft afgestaan kan hemoglobine een zekere hoeveelheid koolstofdioxide en protonen binden (de grootste hoeveelheid koolstofdioxide wordt opgelost in het plasma vervoerd). De hoeveelheid opgenomen zuurstof staat in rechtstreeks verband met de partiële druk van zuurstofgas in de omgeving. De vorm van de curve reflecteert de wederzijdse beïnvloeding van de heemgroepen.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

oxytocine[bewerken]

Van het Grieks okytokos = snelle geboorte; vandaar dat ethymologisch gezien ocytocine de voorkeurspelling zou moeten zijn, maar oxytocine wordt veel meer gebruikt.

Oxytocine (afgekort OXT) is een polypeptidehormoon, opgebouwd uit 9 aminozuren Het wordt als prohormoon geproduceerd door magnocellulaire neuronen in de hypothalamus.

Samen met zijn transporteiwitten wordt het verpakt in neurosecretorische vesikels (blaasjes) en via de axonen getransporteerd naar de zenuweinden in de neurohypofyse, waar het wordt opgeslagen ofwel uitgescheiden in de bloedstroom. Het is tijdens hettransport in de axonen dat de omvorming van prohormoon naar eigenlijk hormoon gebeurt.

De enige rol van de neurohypofyse is de osmolaliteit binnenin de vesikels te verlagen. Na depolarisatie van de neuronen wordt oxytocine samen met zijn transporteiwit door exocytose gesecreteerd, waarna het in de bloedbaan terechtkomt. Daar wordt het vervoerd naar de specifieke doelwitcellen (gladde spiercellen van melkklieren of de baarmoeder), waar het op specifieke receptoren zal binden. OXT wordt vrijgesteld na prikkeling (uitrekking, aanraking) van mechanoreceptoren gelegen in de voortplantingstractus (vagina, cervix, uterus) en in de melkklieren (tepels): deze bio-electrische signalen bereiken dan de hypothalamus, waar de magnocellulaire neuronen geactiveerd worden.

Catecholaminen verhinderen de vrijstelling van OXT en inhiberen de werking van reeds vrijgesteld OXT. OXT circuleert ongebonden in het bloedplasma en wordt afgebroken in lever- en niercellen (halfwaardetijd slechts een kleine vijf minuten)

Werking:[bewerken]

Oxytocine kan, via receptoren, contracties van gladde spieren veroorzaken door verlaging van de membraanpotentiaal van de spiervezels. Tijdens de zwangerschap wordt de baarmoeder door het in grote hoeveelheden geproduceerde hormoon progesteron ongevoelig voor oxytocine; bovendien neemt de productie van een enzym dat oxytocine afbreekt, nl. oxytocinase, toe.

Bij het einde van de zwangerschap vermindert de progesteronproductie, waardoor de remmende werking wegvalt. Oxytocine komt vrij en de baarmoedercontracties (weeën) beginnen.

Tijdens het zogen worden door oxytocine spiertjes in de borst geprikkeld, zodat de melk wordt uitgeperst. Dit is wellicht de belangrijkste fysiologische werking van oxytocine.

Reflexmatige uitstorting van oxytocine door de achterkwab van de hypofyse kan ook plaatsvinden door mechanische prikkeling van schede en baarmoederhals, bijv. tijdens de baring en voorts door de coïtus (orgasme), waarbij dan baarmoedercontracties het transport van zaadcellen bevorderen.

Synthetische oxytocine wordt in de geneeskunde vnl. toegepast bij de inleiding en bij de leiding van de baring om de weeën op te wekken of aan te zetten, alsmede voor en na een keizersnede. Het bevorderen van het toeschieten van de melk wordt veel meer in de dier- dan in de mensgeneeskunde toegepast.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ozon[bewerken]

Ozon

Van het Grieks ozein = geur. Het kreeg deze naam van zijn ontdekker Christian Friedrich Schönbein, wegens de typische reuk bij onweer.

Ozon of trizuurstof is een verbinding met formule O3. Het is een allotroop van zuurstof, dat veel minder stabiel is dan dizuurstof. (Een allotroop is om het even welke van de fysische vormen waaronder een bepaald element kan voorkomen; zo zijn grafiet en diamant allotropen van koolstof). Zoals je op de figuur kan zien is ozon een polaire molecule. Het is een blauwachtig, zeer reactief gas, dat vooral voorkomt in de stratosfeer; daar filtert het schadelijke UV-stralen (huidkanker!) van de zon waarvan de golflengte korter is dan 310 nm. Het wordt daar gevormd onder invloed van UV-stralen met korte golflengte (< 240 nm). Deze splitsen dizuurstof in atomaire zuurstof, waarna een zuurstofatoom reageert met een molecule dizuurstof en zo ozon vormt. Het gevormde ozon zal echter onder invloed van UV-stralen weer gemakkelijk O-atomen verliezen en omgezet worden in dizuurstof. We hebben hier te doen met een voortdurende cyclus.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ozongat[bewerken]

Het ozongat boven Antartica in september 2006

Ozon kan verdwijnen o.i.v. (chloor)radicalen. Deze zouden verantwoordelijk zijn voor het ozongat boven Antarctica. Het proces voor de omzetting van de chloorverbindingen in schadelijke radicalen gebeurt op de oppervlakte van stratosferische wolken.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

ozonpollutie[bewerken]

Waar ozon in de stratosfeer onmisbaar is voor de absorptie van schadelijke UV-stralen, is ozon in de onderste laag van de atmosfeer (de troposfeer) een gevaar voor de gezondheid. Hier kan het bij bepaalde concentraties ernstige ademhalingsstoornissen veroorzaken. Verder vertraagt het ook de plantengroei en vermindert het de opbrengst van gewassen.

Gebaseerd op het biologielexicon VOB

A · B · C · D · E · F · G · H · I · J · K · L · M · N · O · P · Q · R · S · T · U · V · W · X · Y · Z


Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.