Naar inhoud springen

Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Vrijgelatenen

Uit Wikibooks
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links
Romeinse leerverkoper

6. Vrijgelatenen

Vrijgelatenen

[bewerken]

De meester die een slaaf vrijliet werd de patroon van die vrijgelatene. De vrijgelatene kreeg zijn familienaam. Een meester liet zijn slaven vrij als:

  1. de slaaf op sterven lag en de meester hem in vrijheid wilde laten sterven. Dan werd hij fatsoenlijk begraven in plaats van dat zijn lijk op de vuilnisbelt werd gegooid;
  2. de meester op sterven lag en per testament een aantal of alle slaven vrijliet. Daarmee liet hij zien dat hij een goede meester was geweest;
  3. er een financiële regeling getroffen was tussen de meester en de slaaf. Het vrijkopen kostte zeer veel geld. Een slaaf die zaken deed voor zijn meester mocht soms delen in de winst. De meester kon dan met de slaaf afspreken dat deze zijn vrijheid mocht kopen. Bijvoorbeeld doordat de slaaf na zijn vrijlating niet alleen voor zichzelf zou werken maar ook een afgesproken hoeveelheid werk voor de meester zou doen (operae libertorum). Of de slaaf werkte voor zichzelf en deelde de winst met zijn vroegere meester. Er waren vele regelingen denkbaar.

De meeste keizerlijke ambtenaren kregen op een bepaald moment hun vrijheid. Schatbewaarders werden echter nooit vrijgelaten, ook niet door de keizer. Als er geld uit de kas was verdwenen, wilde men de schatbewaarder kunnen martelen. Een vrij mens mocht echter niet gemarteld worden.

Lastige situaties

[bewerken]

Soms bleven vrijgelatenen in het huis van de meester wonen. Ze gingen dan door met hun vroegere werkzaamheden, alleen nu als vrije burger. Door het vrijlaten konden er vreemde situaties ontstaan:

  • Soms was de moeder eerder vrijgelaten, rijk geworden en kocht zij het kind van de meester vrij. Dan was haar kind haar vrijgelatene en was zij de patroon van het kind.
  • Soms was het kind eerder vrijgelaten en rijk geworden en kocht zijn moeder vrij. Dan was hij de patroon van zijn moeder.

Dit soort situaties kwam geregeld voor en konden soms lastig zijn om mee te leven, bijvoorbeeld als een vader door zijn eigen zoon was vrijgekocht. In plaats van zijn zoon dankbaar te zijn kon hij hem misschien wel gaan haten, omdat hij nu feitelijk onder de zoon kwam te staan.

Vrijgelatene en hun beroep

[bewerken]

Vrijgelatenen werden bijna altijd zelfstandige ambachtslieden, handelaren of winkeliers. Degene die een slaaf vrijliet, gaf hem meestal ook voldoende geld en mogelijkheden mee om zo'n vak te beginnen. Hij kreeg soms een stuk grond of een pensioen (alimenta). Waarschijnlijk liet men tevens voornamelijk die slaven vrij die in staat waren om geld te verdienen. Ze werden door het publiek vaak afgeschilderd als hebzuchtige uitbuiters van het volk, omdat deze ex-slaven vaak de vrijgeborenen financieel voorbij streefden.

Worsteling met de hogere standen

[bewerken]

Als de vrijgelatenen rijk geworden waren, imiteerden ze vaak de hogere standen. Dit wekte slechts de lachlust op van de hogere standen die hen nooit als een van hen accepteerden. De vrijgelatenen hadden geen vrije opvoeding gehad met literatuur, filosofie en retorica dus ze vielen meteen door de mand. De kinderen van vrijgelatenen waren vrije burgers. Als een vrijgelatene rijk werd, kon zijn zoon toegelaten worden tot de adelstand. Hij kon zelfs senator worden. De hogere stand vernieuwde zichzelf gedeeltelijk door de intrede van de zonen van rijke of keizerlijke vrijgelatenen. Een vrijgeboren kind van arme familie had deze kansen nauwelijks.

Vrijgelatenen woonden ongetrouwd samen

[bewerken]

Ambtenaren waren keizerlijke slaven die tijdens hun ambtsperiode een concubine hadden gehad. Als ze beiden vrijgelaten waren, hadden ze meestal al kinderen. Dit waren dan bastaarden (als de vrouw vrij was) of slaven van de meester van de moeder (als zij slavin was) en dat bleef zo, ook als de moeder later zou trouwen. Zij konden deze kinderen dan wel vrijkopen van de meester, maar dan werden het nòg niet hun kinderen maar hun vrijgelatenen. Vrijgelatenen hadden dus vaak geen reden om te trouwen.

Eerbetoon aan de patroon

[bewerken]

Vele vrijgelatenen woonden niet meer in het huis van hun vroegere meester, maar moesten wèl elke ochtend hun opwachting (obsequium) komen maken bij de patroon. De patroon hechtte daar veel belang aan. Het was een eerbetoon dat de vrijgelatenen hem verschuldigd waren voor zijn goede daad. Aanvankelijk moesten zij zowel goedemorgen als goedenavond komen zeggen. Toen dit in onbruik raakte, hoefden zij alleen nog maar geregeld beleefdheidsbezoeken (salutatio) af te leggen. Dit kon door de vrijgelatenen als een grote last ervaren worden, zeker als hij ook nog voor de patroon moest werken.

Vrijgelatenen die deze beleefdheidsbezoeken weigerden, werden door het publiek als zijnde ondankbaar geminacht. De patroon kon hem onterven of hem zelfs stokslagen laten geven. Het was eigenlijk onwettig om een vrijgelatene een lijfstraf te geven, maar daar maalde men niet om.

Anderzijds wekte het ook de verontwaardiging van het publiek als de meester de vrijgelatenen meer werk liet doen dan afgesproken of zoveel voorwaarden aan de vrijlating verbond dat de ex-slaaf alleen maar in naam vrij was. Ook mocht de meester de vrijgelatene niet doen beloven dat hij niet zou trouwen en geen kinderen zou krijgen om op die manier beslag te kunnen leggen op zijn erfenis. Hij mocht hem zelfs niet verbieden om zijn concurrent te worden. Als de vrijgelatene door de patroon te eten werd gevraagd, lag hij aan tafel niet ver van de beschermelingen.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.