Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Mecenaat

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

9. Mecenaat

Gadiatorengevecht

Wie in het stadsbestuur zat, die moest ofwel periodiek een schenking aan de schatkist doen, ofwel de publieke spelen van dat jaar betalen, ofwel een openbaar bouwwerk laten oprichten dan wel herstellen. Maar ook notabelen zonder openbaar ambt boden vaak spontaan publieke feesten en banketten aan.

Onontkoombaar[bewerken]

Aanvankelijk deed de adel dit soort giften uit vrije wil om te laten zien dat ze bij de heersende klasse hoorden. Later werd het bijna een verplichting die de stad als haar recht kon opeisen.

In elk stadsbestuur waren ca. 100 plaatsen. Op een gegeven moment werden de stadsbestuurders niet meer door de burgers gekozen maar door het stadsbestuur zelf (coöptatie). Als het stadsbestuur een nieuw lid wilde benoemen, dan zocht men feitelijk naar een melkkoe. Men verwachtte bijvoorbeeld van hem, dat hij (eenmaal in functie) de verwarming van het openbare bad zou laten repareren. Dat was kostbaar. Vaak had niemand interesse. Iedereen wist wel een rijkere en vrijgeverige kandidaat. Soms moest de gouverneur van de provincie zorgen dat zich een kandidaat ter beschikking stelde, of het stadsvolk hielp een handje mee door een van de kandidaten luid toe te gaan juichen en op te hemelen zodat hij niet meer kon weigeren.

In ruil voor alle uitgaven mochten de stadsbestuurders de arme keuterboertjes van het platteland via de belastingheffing uitwringen.

Olicharchie[bewerken]

De adelstand bestond grotendeels uit zeer oude geslachten die onderling getrouwd waren en waarbinnen inteelt niet ongewoon was. Publieke ambten waren tot op zekere hoogte erfelijk. Als de vader een publiek ambt had gehad, had de zoon bijna de morele plicht om hetzelfde te doen. Hij was het eerstaangewezen slachtoffer om zich laten ruïneren.

De keizer had een wet uitgevaardigd die stelde, dat als zich van de rijke adel niemand ter beschikking stelde, men in plaats daarvan wel eens iemand van een rijke koopmansfamilie mocht benaderen voor een openbare functie. Dan kon hij gaan opscheppen met zijn status van de heersende klasse. Maar liever zette de adel zijn eigen groepsleden onder druk. Een enkele edelman ontvluchtte deze druk door naar zijn landgoederen te gaan.

Adellijken die tot het christendom waren overgegaan, vluchtten soms ook naar hun landgoederen, want de vroege christenen werden verschillende keren vervolgd. Ook minder hooggeplaatste christenen verborgen zich daar tijdens vervolgingen.

Adel verplicht[bewerken]

Een enkele keer stond er spontaan een nieuwe mecenas op die van alles weggaf. Als dank daarvoor benoemde het stadsbestuur hem tot 'stadspatroon', 'stadsvader' of zelfs 'vrijgevige en spontane weldoener'. Deze titels kon hij op zijn grafsteen laten beitelen. Of hij kreeg een standbeeld (dat hij meestal zelf moest betalen).

Verder moest, ook als de edelman geen openbare functie had, de hele stad uitgenodigd worden bij de bruiloften en begrafenissen van zijn familie. Of bij feesten, bijvoorbeeld als zijn opgroeiende zoon zijn jongenskleren voor zijn mannenkleren mocht verruilen. Er werden gladiatorengevechten geschonken enzovoort. Hij kon zijn feesten wel stilletjes op zijn landgoed gaan doen, maar dan werd hij door het publiek spoedig vergeten. En de notabele wilde pronken met feesten en vermaak voor het volk. Liever nog met degelijke bouwwerken, waar zijn naam in gebeiteld werd en die eeuwen lang zouden blijven staan. Of hij gaf kapitaal aan een stichting die daarvan elk jaar te zijner ere een feest hield, ook nog lang na zijn dood.

De giften die de notabele het moeilijkst kon weigeren, waren feesten of opvoeringen ter ere van de goden. Soms was het misschien beter voor de stad geweest om bijvoorbeeld een havenkade aan te leggen. In tijden van schaarste vroeg het volk aan de mecenas of hij het graan in zijn opslagzolders goedkoop wilde verkopen.

Brood en spelen[bewerken]

De mecenas werd door het volk toegejuicht en van de stadsvergadering kreeg hij eretitels en eerbewijzen voor het leven. Het volk gaf de mecenas roem (ambitus) zolang hij hun maar brood en spelen gaf.

Al deze schenkingen gingen nog door nadat de verkiezingen om ambten te verdelen waren afgeschaft en men tot coöptatie overging. Het was dus niet om kiezers te kopen maar om bij het volk populair te worden.

Het mecenaat was een kwestie van adellijke eer. Men probeerde elkaar te overtreffen in vrijgevigheid. Dit ging verder dan de noodzaak om zijn stand hoog te houden. En het ging verder dan de noodzaak om het onderscheid tussen de klassen te bevestigen. Het was een wedstrijd in verkwisting.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.