Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Ouders

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

Romeinse familie

2. Ouders

De Romeinse familie bestond uit de huisvader, zijn wettige vrouw en twee of drie kinderen. Verder bestond deze uit het vrije personeel (pedagogen, filosofen etcetera), de huisslaven, de vrijgelatenen en de beschermelingen die 's ochtends en 's avonds hun opwachting maakten bij hun beschermheer of patroon.

Huisvader[bewerken]

Een bemiddeld man wiens ouders gestorven waren, kon huisvader (pater familias) worden. Hij was gezinshoofd, echtgenoot, eigenaar van het erfgoed, slavenhouder en patroon (beschermheer) van zijn vrijgelatenen en beschermelingen. Hij mocht recht spreken over zijn kinderen en de slaven. Een huisvader bewoonde zo mogelijk met zijn familie een eigen huis.

De huisvader was de baas in huis, hij gaf 's ochtends zijn bevelen aan de slaven, en verdeelde de taken. De huismeester legde hem de rekeningen voor.

Huisvrouw[bewerken]

De vrouw des huizes mocht soms van de huisvader het huisgezin leiden. Ze kreeg soms zelfs de sleutel van de brandkast. Vaak mocht zij het middagmaal bereiden. Er waren vaak ruzies over de verdeling van de leiding over het huishouden. Mannen vonden het heilzaam dat hun echtgenotes iets om handen hadden, zoals de slaven in de gaten houden, toezicht houden op de huismeester, de hoeveelheid in te kopen levensmiddelen bepalen en het huis inspecteren. Gewoonlijk echter had de rijke dame niets anders te doen dan te spinnen, zich op te maken en de goden te eren.

Zij maakte zich op met behulp van een gepolijste, metalen spiegel die door een slavin werd vastgehouden. Ook het kistje met haar juwelen werd door een slavin vastgehouden. Als de domina buiten in de zon ging wandelen, hield een slavin haar parasol vast.

Men hechtte aan de vroomheid van de dame. Zij bracht de goden hulde als dezen haar of haar echtgenoot een gunst hadden bewezen. Elk huis had een nis met godenbeeldjes (lararium) en op zo'n moment moest een slavin het beeldje van de betreffende god gaan halen voor de domina. Ze brandde daar dan wierook voor. Ook liet ze wel een slavin in het openbaar een bord dragen waarop de meesteres had laten schrijven welke gunst de goden haar hadden verleend.

Als de huisvrouw van adellijke afkomst was, was ze door haar vader aan haar echtgenoot gegeven (eigenlijk: uitgeleend). Als zij ontevreden werd over haar man, keerde zij terug naar haar vader, niet naar haar moeder. Wat betreft erfrecht stond zij gelijk aan de man. De bruidsschat die zij bij haar huwelijk had meegenomen, bleef van haar en die kon zij dus meenemen als zij haar man verliet.

Sommige dames waren van hogere afkomst (en rijker) dan hun echtgenoten. Deze dames accepteerden het gezag van hun echtgenoten niet zonder meer. Een enkele van die dames heeft zelfs een grote politieke rol gespeeld. Er waren ook dames die hun echtgenoten volgden in ballingschap en zelfmoord.

Nooit alleen[bewerken]

De rijken waren nooit alleen. Altijd was er een slaaf in de buurt. De slaaf moest hen aan- en uitkleden en hun schoenen aan- en uitdoen. De rijken poetsten wél zelf hun tanden. Ze hadden weliswaar grote huizen, maar woonden daarin dichter op elkaar dan wij tegenwoordig in een woningwetwoning. Ze waren niet eens alleen in de echtelijke slaapkamer. Een minnaar die daar betrapt werd, kon altijd beweren dat hij voor het dienstmeisje kwam, want die sliep daar ook tezamen met nog een paar slaven. Slaven hielden (slapend) de wacht voor de deur van de echtelijke slaapkamer. Het zou voorgekomen zijn dat zij masturbeerden met hun oor tegen de deur gedrukt. Geliefden konden elkaar niet zomaar in huis ontmoeten, want de slaven zouden het aan elkaar en aan de meester overbrieven. Geliefden moesten elkaar treffen door een kamertje te huren in het huis van een priester, want die had zwijgplicht, of in het huis van een vriend. Deze vriend liep echter het risico beschuldigd te worden van hulp bij overspel. Slaven waren overal in huis. Maar slaven telden niet mee en werden na verloop van tijd niet meer gezien.

Een dame die uitging deed dat in het gezelschap van dienstmeisjes en gezelschapsdames (comites) en van een ridder (custos). Een rijke vrouw woonde dus in een soort gevangenis die soms met haar mee bewoog. Oudere dames gingen zo min mogelijk uit en als ze toch uitgingen dan half gesluierd. Griekse vrouwen wilden (vanwege hun reputatie) door hun man 's nachts opgesloten worden in het gynaeceum.

Romeinse jongens lieten zich door een ridder begeleiden als ze uitgingen omdat men ook voor hun deugdzaamheid vreesde.

Jason en Medea geven elkaar de rechterhand, symbool van hun huwelijk. Romeinse sarcofaag, late tweede eeuw n. Chr.

Vrije burgers[bewerken]

Vrije burgers waren:

  1. vrij geboren uit een wettig huwelijk van een vrije man en een vrije vrouw
  2. buitenechtelijke kinderen van een vrije vrouw (bastaarden)
  3. kinderen van vrijgelaten slaven (liberatur servus)

Huwelijk van de rijken[bewerken]

Het Romeinse huwelijk was een persoonlijke zaak. Het werd mondeling tussen de partners gesloten. Er kwam geen enkele instantie aan te pas, noch was er enig ritueel. Wel was er vaak een kleine plechtigheid, vaak met getuigen, werden er vaak cadeaus uitgewisseld en als de familie van de vrouw bemiddeld was, nam zij een bruidsschat mee.

Er was dus ook nauwelijks bewijs dat het huwelijk inderdaad voltrokken was. Bij juridische geschillen was het vaak moeilijk om aan te tonen dat de kinderen wettig waren en de naam van de vader konden krijgen en van hem konden erven. De rechter moest dan uitgaan van aanwijzingen.

De huwelijksnacht was meestal onprettig voor de vrouw. Vaak was zij nog erg jong. Vaak bleef zij maagdelijk tot aan haar huwelijk. Haar man was gewend zijn slavinnen te verkrachten. Soms weerhield hij zich ervan om haar de eerste nacht te ontmaagden (uit respect voor haar verlegenheid) maar dan mocht hij (ter compensatie) sodomie met haar bedrijven. [1]

Echtscheiding was net zo informeel als het huwelijk. De man kon zijn vrouw verstoten en de vrouw kon (met medeneming van haar bruidsschat) het huis verlaten. De kinderen bleven meestal bij de vader. Beide partners hertrouwden in de regel. Het was niet ongebruikelijk dat er in één huis kinderen waren van drie huwelijken en ook nog een aantal geadopteerde kinderen.

De man trouwde:

  1. vanwege de bruidsschat
  2. om uit een wettig huwelijk wettige kinderen te krijgen die van hem zouden erven en zijn familienaam zouden krijgen.

Verandering van het idee over het huwelijk[bewerken]

Het idee over het huwelijk veranderde rond de overgang van de Republiek naar het Keizerrijk, ca. 50 n. Chr.

Huwelijk tijdens de Republiek[bewerken]

In de eerste eeuw voor onze jaartelling trouwde de rijke, vrije man om aan zijn burgerplicht te voldoen. Er moesten wettige kinderen komen en daarmee nieuwe staatsburgers. De vrouw diende om deze kinderen te baren. Ook kon zij het vermogen van de man vergroten met haar bruidsschat. Zij zwaaide de scepter over het huispersoneel bij volmacht van haar man.

De vrouw stond in het gezin op dezelfde hoogte als de kinderen en het personeel. Als een man raad nodig had, luisterde hij naar zijn vrienden en niet naar zijn vrouw. Mogelijk nam de man zijn vrouw niet eens mee als hij uitging en mocht ze niet blijven als hij bezoek kreeg. Als zij haar vriendinnen bezocht, moest er een chaperone bij zijn. Twee heren konden een vrouw vriendschappelijk aan elkaar overdoen. Na verloop van tijd konden ze haar ook weer zonder problemen terugnemen.

De aristocratische vrouw werd als onbelangrijk beschouwd. Ze speelde geen rol in het politieke leven van haar man. Het was een 'schepseltje'. Ze kon doen wat ze wilde zolang ze haar man maar niet afleidde met haar sensualiteit of hem gek maakte als hij hartstochtelijk verliefd op haar werd. Een vrouw werd door de man gezien als een groot, wispelturig kind. Ze moest ontzien worden vanwege de bruidsschat en haar adelijke vader. Als de man op reis was, kon zij van hem scheiden en met een ander trouwen met medenemen van haar bruidsschat. Maar ze bood wel eens uitkomst in moeilijke tijden door haar moed en goede raad.

Als de vrouw overspel had gepleegd, kon ze een wrede wraak van haar man verwachten. Maar haar overspel verkleinde het publieke aanzien van de man in het geheel niet. Het was voor de man niet zozeer belachelijk als wel vervelend. De man kon zoiets het beste maar meteen publiekelijk aan de kaak stellen om te laten zien dat hij het niet met dit soort zedenverwildering eens was. Er was geen sprake van dat hij zich persoonlijk gekwetst zou voelen. In Constantinopel leefden de aristocratische dames in afzondering vanwege hun ‘eerbaarheid’.

Het huwelijk was in deze periode niet populair. Er waren tijden dat men zich collectief van het huwelijk afwendde en tot het celibaat overging. Keizer Augustus vaardigde wetten uit ter bevordering van het huwelijk.

Echtscheidingen kwamen in de hogere kringen zeer vaak voor en misschien ook wel onder het gewone stadsvolk. Romeinen vonden het niet erg om een gescheiden vrouw te trouwen. Monogamie was lofwaardig maar het was nog geen verplichting zoals het bij de christenen zou worden. De christenen zouden zelfs gaan proberen om weduwen te verbieden om te hertrouwen.

Het ideaal van tederheid bestond al lang maar was geen plicht of norm. Liefde was een pluspunt in een huwelijk, maar het was niet de basis of een voorwaarde ervoor.

Huwelijk tijdens het keizerrijk[bewerken]

In de eerste eeuw begon het idee over het huwelijk te veranderen. Het werd niet langer meer uitsluitend gezien als een instituut om kinderen te krijgen, een plicht aan de staat. De rijke, vrije man moest een goede echtgenoot zijn en zijn vrouw respecteren. De vrouw werd een vriendin en levensgezellin.

Het ideale echtpaar dat teder voor elkaar was en constant diep bevriend, werd een plicht. Als het misging, ging dat met schaamte gepaard. De vrouw was nu gelijkgesteld aan de vrienden van de man.

Het is echter mogelijk dat dit ideale echtpaar niet echt bestaan heeft. Dat de mannen alleen maar anders zijn gaan praten over hun vrouwen en tegen hun vrouwen als er anderen bij waren. En dat ze in feite nog steeds trouwden met gehoorzame kindvrouwtjes die hun carrière en vermogen ten goede kwamen.

Men bleef de vrouw waarschijnlijk nog steeds als een aardig, kokket ding zien, dat meer geïnteresseerd was in de seksuele potentie van haar man dan in zijn politieke aspiraties en filosofische diepgang. De man moest haar heropvoeden om haar gedrag in overeenstemming te brengen met de publieke eisen aan mannen van hoge stand. De man moest zijn vrouw dus zowel liefdevol in de armen sluiten als met vaste hand leiden. Als zij verstandig was, ondergeschikt en gehoorzaam, dan zou haar echtgenoot haar respecteren. Op een gegeven moment liet men vrouwen zelfs toe tot de kringen van de prominente elite.

Overspel van de man werd nu óók als een vergrijp gezien, net zo erg als overspel van de vrouw (de oude moraal oordeelde niet op grond van een moraal maar op grond van de maatschappelijke realiteit: de man was nu eenmaal superieur en mocht dus zijn gang gaan). De man mocht zelfs zijn eigen slavinnen niet meer verkrachten terwijl die toch zijn bezit waren.

Deze overgang van een huwelijk gebaseerd op plicht naar een huwelijk gebaseerd op wederzijdse vriendschap vond in de eerste eeuw n. Chr. plaats, zowel bij de de stoïcijnse christenen als bij heidenen[2].

De nieuwe moraal stelde ook dat seksualiteit alleen bedoeld was om kinderen te krijgen en niet voor het genot. Een fatsoenlijk mens had overal een goede reden voor en leefde niet lukraak. Seksuele onthouding was dus geen (christelijk) ascetisme maar (stoïcijns) rationalisme. De wetgeving werd in de loop van de tweede eeuw steeds preutser.

Huwelijk van minder rijke vrije mensen en slaven[bewerken]

Dat het idee over het huwelijk misschien principieel veranderde, kan van hooguit een tiende deel van de vrije bevolking gezegd worden. En wel dat deel van de bevolking dat rijk was en zichzelf beschaafd vond. Over de wat minder rijken en de plattelandsbewoners is te weinig bekend om te kunnen zeggen of zij de keus hadden tussen een huwelijk uit burgerplicht of een stoïcijns huwelijk waarin men zijn vrouw respecteerde.

Slaven mochten tot in de derde eeuw niet trouwen. Zij hadden volledige seksuele vrijheid, behalve de weinige vertouwensslaven (rentmeesters van de rijke burgers en ambtenaren van de keizer) die langdurig een concubine namen of toegewezen kregen.

Noten[bewerken]

  1. Waarschijnlijk wordt hier anale gemeenschap bedoeld [1]. Als de echtgenote zwanger was, onthield zij zich van seksueel verkeer tijdens haar hele zwangerschap.
  2. Het is onduidelijk of de nieuwe huwelijksmoraal door de stoïcijnen is "uitgevonden". Ook de neoplatonisten preekten de nieuwe moraal. En zelfs de heidenen kregen haar in dezelfde periode. Het is mogelijk dat de stoïcijnen slechts beweerden dat zij haar hadden uitgevonden. Het stoïcisme had zoveel succes bij de elite gehad, dat het verwaterd was tot een vorm van conformisme: het volgde de nieuwe moraal mogelijk slechts.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.