Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Rechtspraak

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

13. Rechtspraak

Voordelen van het Romeinse recht[bewerken]

  • Beide geslachten bezaten de gelijke vrijheid om te scheiden
  • Eigendom was vrij overdraagbaar
  • Men kon zijn erfenis aan iedereen nalaten
  • Men mocht vrijelijk verhuizen en van beroep veranderen
  • Hoewel elke stad haar favoriete goden had, werd er geen religie opgelegd. De overheid bestrafte godslastering niet. Men vond dat de goden daar zelf maar voor moesten zorgen. Vrije dagen ter ere van de goden moest men wèl in acht nemen.

Preutsere wetten gedurende het keizerrijk[bewerken]

Tijdens de republiek stond men in Rome tolerant ten aanzien van seksuele escapades, ook als die gepleegd werden door vrouwen. Maar latere keizers kwamen met een preutsere en meer moralistische wetgeving.

  • Augustus nam strenge maatregelen tegen overspel door de vrouw
  • Domitianus gebood geliefden om een wettig huwelijk te sluiten. Verder liet hij een Vestaalse maagd levend begraven die haar kuisheidsbelofte had verbroken. Ook verbood hij hekeldichters om obscene taal te gebruiken.
  • Severus beschouwde overspel van de man als een vergrijp en abortus als verraad tegenover de vader en de staat
  • Constantijn verving de vroegere tolerantie door strengere wetten. Deze keizers wilden mogelijk alleen maar laten zien dat ze ook op moreel gebied de baas waren. Zo gauw iedereen dat begrepen had, werden deze wetten mogelijk weer vergeten. Alleen de wetgeving van Constantijn zou tot in de middeleeuwen blijven gelden.

Rechtspraak als wapen van de machtigen[bewerken]

Romeinse rechter, ca. 425-450 na C.

Men zegt wel dat de Romeinen het recht hebben uitgevonden. Hun rechtspraak was echter niet altijd rechtvaardig, integendeel. Hoogwaardigheidsbekleders oefenden het recht naar eigen goeddunken uit. Rechtspraak was meestal een wapen in de handen van de slimmen en machtigen om anderen mee te chanteren en af te persen. De meeste mensen waren er bang voor en smeekten om het recht niet tegen hen te gebruiken.

Bijvoorbeeld:

  • A wilde de grond van B. De keizer had een hekel aan B. A kon beweren dat hij had gehoord dat B majesteitsschennis had gepleegd. Vervolgens liet de keizer B ter dood brengen en vielen zijn grond en bezit toe aan de keizer en werd verklikker (leugenaar) A beloond met een gedeelte daarvan.
  • A had gehoopt, dat hij in het testament van B zou worden genoemd. Helaas was dat niet gebeurd. Nu ging A rondbazuinen dat B niet op een natuurlijke manier was gestorven maar zelfmoord had gepleegd, of dat hij was vergiftigd en de erfgenamen hem niet hadden gewroken. Dan werd de erfenis verbroken en ging deze naar de fiscus (dus naar de keizer). De verklikker A kreeg een mooie beloning.
  • Een pasgetrouwde man was blij met de bruidschat van zijn vrouw. Jaloerse familieleden gingen hem er vervolgens van beschuldigen dat hij zwarte magie zou hebben toegepast om de vrouw te verleiden. De fiscus stond te trappelen om hem zijn bruidschat af te nemen en geloofde deze verhalen meestal maar al te graag.

De fiscus had er belang bij om deze verklikkers te geloven. De fiscus was niet alleen het belastingwezen maar het omvatte ook het geheel aan landgoederen die de keizer had geconfisqueerd. De fiscus had zijn eigen rechtspraak en was bij conflicten niet alleen partij, maar ook aanklager en rechter. Op die manier was de keizer de grootste grootgrondbezitter van het rijk geworden. De fiscus geloofde de verklikkers dus maar al te graag want het leidde tot uitbreiding van het keizerlijk bezit. Natuurlijk zetten de verklikkers die op dit soort manieren grond en bezit als beloning hadden gekregen later de keizer in hun testament als mede-erfgenaam. Dan kregen keizer en fiscus alweer een stuk erfenis.

Wilde Westen[bewerken]

Het Romeinse rijk had de eerste 3 eeuwen na Christus geen politie en geen openbare aanklagers. Iedereen moest maar voor zijn eigen rechten opkomen. De soldaten van de keizer onderdrukten opstanden en joegen wel eens op roverbendes. Met de dagelijkse onveiligheid op straat hielden ze zich echter nauwelijks bezig. Sommige notabelen hadden een privélegertje, meestal bestaande uit hun gewapende slaven. Minder vooraanstaande mensen moesten zich maar onder hun bescherming zien te plaatsen, ervan uitgaande dat deze notabele krijgsheren hen wilden beschermen en niet overvallen en plunderen.

Vrijheidsberoving en diefstal door dit soort legertjes waren aan de orde van de dag. Onwillige debiteuren werden in privégevangenissen gestopt. Elke stadstaat had wel een of meer van dit soort 'krijgsheren' die meestal ook nog eens onder hoge protectie stonden. Zij daagden soms zelfs de provinciegouverneur uit. Zij vielen met hun privélegertje de landgoederen van zwakkere notabelen aan en pikten hun grond en boerderijen in. Daar kon het slachtoffer doorgaans weinig tegen ondernemen. Ging hij naar de provinciale gouverneur, dan had hij een gerede kans dat de gouverneur de krijgsheer de hand boven het hoofd hield omdat ze samen in een oude-jongens-netwerk zaten. Ook als dat niet zo was, dan zou een veroordeling van een krijgsheer het machtsevenwicht tussen de overgebleven gewapende groeperingen kunnen verstoren en daarmee een oorlog tussen hen uitlokken. De provinciegouverneur liet daarom liever alles bij het oude.

Genoegdoening[bewerken]

Er waren veel rangen en standen en dwars daardoorheen liepen dan nog eens de netwerken van de beschermheren. Voor een zwakkere was het vrijwel zinloos om tegen een machtig iemand een proces aan te spannen. Meestal zegevierde het recht van de sterkste. Maar zelfs gesteld dàt het recht juist werd toegepast, dan was er nog steeds nauwelijks de mogelijkheid tot genoegdoening voor slachtoffers van een misdaad.

  • Een machtige buurman A had het op de boerderij van B voorzien. A viel (aan het hoofd van zijn privélegertje van gewapende slaven) de boerderij van B aan, doodde diens slaven, liet B een flink pak slaag geven, joeg hem weg en verklaarde vervolgens dat hij de baas was van de veroverde boerderij.

Pas tegen het einde van de oudheid was het mogelijk dat slachtoffer B de overvaller A voor het gerecht kon slepen (litis denunciatio) en vervolgens de sterke arm van de overheid (manu militari) kon inschakelen om zijn bezit terug te krijgen. Want pas toen kwam er strafrecht en kwamen er openbare aanklagers. De eerste drie eeuwen konden er alleen maar civiele rechtszaken gevoerd worden. Slachtoffer B zou dus overvaller A voor het gerecht moeten brengen. Dan zou hij hem echter eerst moeten zien te vangen. Vervolgens zou hij hem in zijn privégevangenis moeten vasthouden totdat het proces zou plaatsvinden. Dus moest B (die toch al zwakker was dan A) eerst een machtige beschermheer zien te vinden die bereid zou zijn om hem te helpen (tegen een gepaste vergoeding, uiteraard). En zelfs als dat allemaal zou lukken en zelfs al zou het proces eerlijk zijn en ten gunste van B uitvallen, dan nog zou B het vonnis zelf ten uitvoer moeten brengen. Dus hij moest een legertje op de been brengen en zijn boerderij terugveroveren. Maar zo stond het niet in de wet. Als de rechter B gelijk had gegeven, stond hij B toe om alle bezittingen van A te veroveren en die op een veiling te verkopen. B mocht dan de geldsom (waarop de rechter zijn boerderij had geschat) behouden en de rest moest hij aan A terug geven. Dit voor het uiterst onwaarschijnlijke geval dat het recht juist toegepast zou zijn. Dus niemand haalde het in zo'n geval in zijn hoofd om de rechterlijke macht in te schakelen, behalve:

  1. machtige en koppige heren die hun geschil voor het volk wilden uitvechten. Het volk genoot massaal van dit soort zaken;
  2. de veel zwakkere tegenstander (bijvoorbeeld een onwillige debiteur) die geen tegenstand kon bieden. Een dergelijke debiteur zou niet meer de markt op durven te gaan uit angst voor de schuldeiser, en als deze hem toch zag, dan zou hij zich snel verstoppen.

Volksgerecht[bewerken]

Het volk nam wel eens het recht in eigen hand. Een onwillige debiteur werd hinderlijk gevolgd door de schuldeiser en de zijnen. Hij werd in het publiek uitgescholden of er werden gemene liedjes over hem gezongen. Dat was juridisch in orde, zolang men de debiteur maar niet geheel uitkleedde en de tekst van het liedje maar niet obsceen was. De debiteur verstopte zich echter en deed een beroep op het medelijden van het publiek door rouwkleding te dragen en zijn haren te laten groeien.

Over het algemeen was er in het Romeinse rijk veel angst voor de publieke opinie. Als iemand zich niet volgens de regels gedroeg, kon de menigte hem grijpen en hem op een lijkenwagen vastbinden. Daar liep men dan huilend en lachend achter.

Het kwam ook voor dat de erfgenamen van een gestorven notabele het volk geen gladiatorengevecht gaven. Het volk nam dan wel eens het lijk van de overledene in beslag totdat zij hun spelen kregen.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.