Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Beschermheerschap

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

7. Beschermheerschap

Beschermeling[bewerken]

Agrippa ontvangt zijn cliëntele

Beschermelingen (cliens) waren vrije mensen. Zij moesten elke ochtend een bezoek komen brengen bij hun beschermheer of patroon. Voor een familie in de heersende klasse gold het als een statussymbool als veel vrijgelatenen en beschermelingen eer aan hen kwamen bewijzen.

Er waren 4 soorten beschermelingen:

  1. mensen die een ambtelijke loopbaan wilden beginnen en daarbij de hulp van de patroon zochten.
  2. zakenmensen die de politieke invloed van de patroon wilden gebruiken.
  3. arme drommels zoals (vaak Griekse) dichters en filosofen die van de aalmoezen van hun patroon moesten leven. Het zou beneden hun waardigheid zijn geweest om te gaan werken.
  4. Sommige beschermelingen waren ongeveer even rijk en machtig of zelfs rijker en machtiger dan de patroon. Maar die patroon was oud en had geen erfgenamen. Zijn beschermelingen wilden dan graag in diens testament komen.

Als men iemands beschermeling was, bazuinde men dat overal rond om te imponeren. Soms liet men zelfs een standbeeld van de patroon voor of in zijn huis neerzetten. De patroon kon geloven dat hij uit pure vriendschap handelde. Hij gaf de jongemannen op vaderlijke en minzame wijze goede raad en noemde zich hun 'vriend'.

De beschermelingen en vrijgelatene stonden elke ochtend bij het eerste hanengekraai in de rij voor de deur van de patroon. De beschermelingen waren gekleed in toga, de vrijgelatenen mochten geen toga dragen. Soms waren het er tientallen, soms honderden. Onbeduidende lieden legden veel bezoeken af en ontvingen er geen. Iedere bezoeker kreeg een aalmoes (sportula). Voor de armen was dat genoeg om die dag van te kunnen eten. In volgorde van belangrijkheid ging men vervolgens de wachtkamer in. Ook bij een diner werd die hiërarchische volgorde gehandhaafd. Belangrijke mensen kregen beter eten en betere wijn dan onbelangrijke mensen. Beschermelingen hadden aan tafel vaak ruzie met de vrijgelatenen.

Beschermheerschap[bewerken]

Er waren patronen die de beschermheer waren van hun vrijgelatenen en beschermelingen, en er waren grootgrondbezitters die de beschermheer waren van hun pachters op het platteland. Die beschermheren waren niet alleen materieel maar ook moreel en politiek gesproken de baas. Werd de patroon christen, dan werden zij allemaal christen. Kwam hij in opstand tegen de Republiek of de keizer, dan kwamen ook zij in opstand. Ging hij in ballingschap, dan gingen zij vaak mee.

Elk lid van de adel, of hij nu senator was of ridder, moest de titel patroon (patrones) krijgen als hij geld aan een stad of dorp had geschonken, een bouwwerk had opgericht of hersteld, als hij de stad in rechte had verdedigd of een grensgeschil gunstig had opgelost. Hij kreeg dan van die stad een eervolle brief die hij in zijn huis mocht ophangen. Stierf er iemand van zijn familie, dan kreeg hij een troostbrief. Als hij de stad bezocht, dan kreeg hij er een plechtige intocht.

Een deel van de adel zat in de senaat of in de stadsbesturen. Een adellijk persoon kon ook beschermheer worden van een volksvereniging (collegia). Meestal ging het in zo'n vereniging alleen maar om lekker eten en dan mocht hij het menu bepalen. Als beroemdheden zoals acteurs, wagenmenners en artsen uitgingen, lieten zij zich vergezellen door een menigte bewonderaars. Uiterlijk vertoon, vleierij en eerbewijzen door beschermelingen waren belangrijk.

In Griekenland was dit soort uiterlijke vertoon onbekend. Vrijgelatenen konden in Griekenland geen vooraanstaande plaats innemen dus ze hoefden hun vroegere meester ook niet op te hemelen. In Griekenland konden echter machtige personen soms hun stad gaan tiranniseren.

Aanzien[bewerken]

De patroon had beschermelingen nodig om zijn aanzien te vergroten: hoe meer beschermelingen hem elke ochtend kwamen groeten, hoe meer aanzien hij blijkbaar genoot. Als een edelman geen patroon wilde zijn, dan had hij geen kring van mensen meer om zich heen, dan liep er niemand meer achter zijn draagstoel aan en waren er geen bezoekers meer in zijn wachtruimte.

Politiek[bewerken]

Tijdens een burgeroorlog zochten steden en landen vaak de bescherming van een heerser waarvan men hoopte dat hij tot de winnende partij zou gaan behoren. Het was gevaarlijk om zich daarin te vergissen[1].

Soms leek het beschermheerschap op het functioneren van de maffia: je moest je laten beschermen, voornamelijk om je te beschermen tegen de andere beschermheren.

Noten[bewerken]

  1. De heersers van Cappadocië stonden erom bekend dat zij (zelfs van die grote afstand) goed konden inschatten wie er in Rome als winnaar uit een politiek conflict tevoorschijn zou komen. Dit heeft Cappadocië beslist geen windeieren gelegd
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.