Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Vermaak

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

15. Vermaak

Danseressen, 1e eeuw
danseres
muzikant
Dronken vrouw met wijnamphora. 2de eeuw
Dobbelaars
Bacchus, 3de eeuw

Ideaal van ongedwongenheid[bewerken]

De eerste keizers gaven op ongedwongen wijze bevelen op voet van gelijkheid. Zij speelden niet de 'god op aarde' of de potentaat. Zij wilden als intellectuelen of als rechtschapen mensen gezien worden en eigenlijk als gewone mensen. Nero wilde zichzelf graag als kunstenaar en ingenieur zien (artifex). Als een keizer ten val werd gebracht, was dat zelden vanwege zijn politiek of economisch beleid. Het was meestal omdat de burgers zijn stijl van leidinggeven kwetsend vonden vanwege zijn onzedelijk privéleven of zijn grootheidswaan.

Deze ongedwongen manier van leiding geven (zoals wij die kennen uit de correspondentie, het proza en de grafschriften) geeft ons wel eens het idee dat in Rome humanisme, redelijkheid en vrijheid heersten, maar mogelijk was het niet meer dan een laagje vernis.

Vriendschap was ook een ideaal. Men sprak er vaak over, hoewel patronen en hun beschermelingen elkaar ook 'vriend' noemden.

Op het einde van de oudheid komt er een zwartgallige retorica en een autoritaire politieke stijl. Keizers lieten zich afbeelden als mysticus of als een potentaat. Daardoor zijn wij gaan geloven dat het Romeinse rijk in verval was, dat de bevolking afnam, dat het sociale leven, de productie en de economie achteruit gingen en dat de politieke macht verzwakte.

Ideaal van wellevendheid[bewerken]

Tijdens de eerste twee of drie eeuwen van het Romeinse rijk was wellevendheid belangrijk in het stadsleven. De notabelen gingen tijdens de hete zomerdagen naar hun landgoederen. Daar hielden ze jachtpartijen in de woeste natuur, hetgeen ze van zichzelf bijzonder moedig vonden, want ze hielden niet zo van de ongerepte natuur. Ze hielden meer van fraai aangelegde tuinen en stadsparken (met op een mooie plaats een tempeltje). Verder hielden ze van badhuizen en openbare gebouwen die luister uitstraalden zoals theaters, marktplaatsen, aquaducten, fonteinen, het gymnasium. Men voelde zich alleen in de stad thuis. Een stad met een muur eromheen was eigenlijk een groot huis. ’s Nachts gingen de poorten op slot en stonden er wachters. Mensen met slechte bedoelingen lieten zich door medeplichtigen in een mand naar beneden zakken op plaatsen waar de stadsmuur niet bewaakt werd.

Gastmalen[bewerken]

De notabele nodigde graag mensen uit voor het diner, zoals vrienden en vriendinnen, bekende zangeressen of actrices, senatoren of anderen waarvan hij het gezelschap op prijs stelde. Hij dineerde met beschermelingen en vrienden van alle rangen en standen. De notabele vergat op zo'n diner zijn waardigheid en kon dan zijn eigen persoonlijkheid laten zien. De tafelmanieren waren waarschijnlijk eenvoudig. Maar er waren strenge regels over de (hiërarchische) schikking van de aanligbanken aan de pronktafel. Bij een feestmaal lag men aan. Alleen tijdens gewone maaltijden werd zittend gegeten.

Tijdens de eerste helft van het diner werd er alleen maar gegeten en tijdens de tweede helft alleen maar gedronken. Men droeg kransen of hoeden van bloemen en was ingewreven met parfumolie (men maakte de parfums op basis van oliën). Men zag er dus nogal vettig en glimmend uit, net als tijdens de liefdesnachten.

Er werd gepraat over verheven onderwerpen, men deed ontboezemingen. De huisfilosoof of de privéleraar voerde het woord, er traden muzikanten en dansers op die de heer des huizes had ingehuurd. Er werd over literatuur gesproken. Dan was het feest geslaagd.

Ook het plebs (90% van de bevolking) hield feestavonden. Bij hen zat de man en de vrouw bediende hem staand.

Kroeg[bewerken]

Er waren heel veel kroegen (cauponae) in elke stad. Daar kwamen reizigers op doorreis en de gewone mensen warmden er hun eten op, want lang niet elke arme had thuis een fornuis. Men flirtte er met de dienstertjes die fonkelende sieraden droegen. Op de muur stonden liefdesverklaringen. Als een aanzienlijk man zich in een kroeg vertoonde, werd daar schande over gesproken. De keizers van de eerste 4 eeuwen voerden een felle strijd tegen de kroegen om te verhinderen dat je er ook kon eten. Want dat werd ondeugdzaam geacht: een mens hoorde thuis te eten.

Broederschappen[bewerken]

Het plebs kwam voor zijn plezier samen in de kroegen en in de broederschappen (colleges). Verder ontmoette men elkaar bij de kapper en in het Turkse bad.

Elke stad had wel een paar broederschappen (collegia). Daar konden zowel vrije mannen als slaven (maar geen vrouwen) lid van worden tegen betaling van een kleine contributie. De leden hadden hetzelfde beroep of vereerden dezelfde god.

Elk college had zijn eigen bestuur, hoogwaardigheidsbekleders en mecenas. Dit bestuur bootste vaak het stadsbestuur na. Men schreef mooie dankbrieven aan de mecenas. Het samenkomen vanwege beroep of godsdienst was doorgaans maar een voorwendsel om feestmalen te kunnen geven. De mannen konden bijeen zijn met gelijkgestemden zonder hun vrouwen. Ze kregen bij hun dood een fatsoenlijke begrafenis. Dit was vooral belangrijk voor de slaven, van wie de lijken anders op de vuilnisbelt gegooid zouden worden. Na deze begrafenis volgde een feestmaal.

Ook de colleges werden gewantrouwd door de keizer. Tijdens de Republiek moest men bij verkiezingen toch wel rekening houden met de colleges en proberen hun gunsten te winnen. De leden van de colleges werden wel eens erg dronken en begonnen dan over politiek te discussieren. Soms gingen ze zelfs de straat op om te demonstreren.

Bacchuscultus[bewerken]

Door het mecenaat kon het volk feesten vieren. Gezellig eten en drinken werden een ritueel dat op vaste dagen werd uitgevoerd. Bacchus was weliswaar een mythologische god, maar in Rome vereerde haast niemand hem. Niettemin was hij belangrijk. Zijn afbeelding werd gebruikt in mozaïeken en muurschilderingen in huizen en kroegen, verder op vaatwerk en huiselijke voorwerpen, zelfs op sarcofagen. De afbeelding van Bacchus en zijn gevolg was de meest gebruikte afbeelding in het Romeinse rijk. Hij was de beminnelijke god van het plezier en het aangename verpozen. Met een gevolg van dronken vertrouwelingen en mooie, schaarsgeklede aanbidsters in extase. Deze afbeeldingen bezaten geen religieuze betekenis, maar waren wel meer dan alleen versiering. Ze bevestigden het belang van gezelligheid en plezier. Hercules daarentegen was het symbool van de burgerlijke en filosofische deugdzaamheid.

Er waren nogal wat colleges met volgelingen van Bacchus. Zij hielden zich voornamelijk bezig met drinken. Er waren echter ook sekten die Bacchus vereerden met geheime riten en een inwijdingsritueel. Deze hadden een hiërarchie waar ook vrouwen een plaats in hadden. Bij de geestelijke omwenteling op het einde van de oudheid werden deze sekten belangrijk.

Offerfeesten[bewerken]

Erediensten bestonden uit een offer en een feest. In het Grieks en Latijn was het woord voor offer hetzelfde als het woord voor feest. Vroomheid was: een offer brengen aan de goden, dit gaf het feest een plechtig karakter. Dit offer werd met stille aandacht gevolgd. Het offerdier werd op het altaar geslacht, gekookt en daarna opgegeten. Grote tempels hadden keukens en koks die door de tempel ter beschikking gesteld konden worden. De mensen kregen het vlees van het offerdier en de goden kregen de rook. De resten van de maaltijd werden op het altaar achtergelaten voor de bedelaars (bomolochoi). De priesters kregen voor hun diensten een deel van het offerdier, dat zij meestal aan de slagers verkochten om inkomsten te verwerven. Men kan zich afvragen of men een dier primair wilde offeren en het daarna op at, ofwel dat men een dier offerde omdat men toch al van plan was om het op te eten.

Elke stad had haar eigen religieuze kalender waar alle godsdienstige feesten op stonden. Dit waren (verplichte) vrije dagen. Het begrip “maand” bestond al, maar het begrip “week” zou pas tegen het einde van de oudheid in gebruik komen. Op die feestdagen nodigde men vrienden uit om aanwezig te zijn bij het offer op het huisaltaar en dit was een grotere eer dan te worden uitgenodigd voor de gewone diners.

Er waren nationale feesten ter ere van de keizer of ter ere van bepaalde goden en er was nieuwjaarsdag. Op die dagen werd er geofferd, het huis was vol genodigden en er werd wierook gebrand. Elke eerste dag van de maand offerde de welgestelde een speenvarken aan de huisgoden die zijn huis beschermden. Een van de grootste feesten was de verjaardag van de huisvader. Hij organiseerde dan een grote smulpartij ter ere van zijn beschermgeest. Een beschermgeest was een soort spiritueel evenbeeld van de mens die hij beschermde. “Moge mijn beschermgeest mij behoeden”, zei men, of “ik zweer bij jouw beschermgeest dat ik gedaan heb wat je me vroeg”.

Armen offerden ook, maar met minder dure offerdieren. Als ze geloofden dat een god hen van een ziekte had genezen, offerden ze een stuk pluimvee voor de tempel van Aesculapius dat ze daarna thuis gingen opeten. Of ze legden een koek van offermeel op hun huisaltaar.

Een eenvoudige manier om maaltijden aan de goden te wijden was de godenmaaltijd. Men nodigde de goden uit door tijdens de maaltijd hun beeldjes uit de gewijde nis van het huis in de eetkamer neer te zetten en hen gerechten voor te zetten. Deze gerechten mochten de slaven na de maaltijd opeten.

De grootgrondbezitter hield seizoensfeesten die op de agrarische kalender vermeld stonden. Ook deze feesten werden uitbundig gevierd. De grootgrondbezitter kreeg cadeaus van zijn pachters. Hij offerde een deel van de opbrengst van het land aan de veldgoden. Daarna at, danste en dronk iedereen. En als de nacht viel, hoorde men de liefde te bedrijven om deze dag van godenverering waardig af te sluiten.

Baden[bewerken]

Romeinse baden in Bath
Een marmeren bassin in de vrouwenafdeling van de thermen in Herculaneum
Gladiatoren
Gladiatoren
Gladiatoren

De openbare baden waren mogelijk gemaakt door het mecenaat: een notabele of de keizer had ze geschonken aan de stad. Vrije mannen, slaven, vrouwen, kinderen en vreemdelingen mochten er voor een bescheiden toegangsprijs gebruik van maken. Mannen en vrouwen waren doorgaans gescheiden.

Het bad was niet zozeer een kwestie van hygiëne als wel van plezier, zoals bij ons een dagje naar strand. Filosofen en christenen gingen maar een of twee keer per maand naar het badhuis. Dit deed men in verband met de soberheid die ze wilden uitstralen. Rijke mensen hadden in hun huis een privé bad dat vaak verschillende vertrekken groot was, met een vloerverwarming. Elke stad had minstens één openbaar bad. Daar hoorde een aquaduct bij voor de watervoorziening. Hetzelfde aquaduct voedde tevens de stadsfonteinen.

Een bad was aanvankelijk een eenvoudig en functioneel gebouw met een koudwaterbad, houten badkuipen voor het warme water en een stoombad. Later werden het een soort paleizen voor ontspanning en vermaak met ingewikkelde installaties zoals vloer- en muurverwarming. Het water in de badkuipen en in het zwembad werd verwarmd. De hele ruimte was warm. De meeste Romeinen hadden thuis alleen maar vuurpotten en hielden 's winters hun jas aan in huis. De baden waren plaatsen waar men in de winter voor de warmte kwam. Er waren beeldhouwwerken, mozaïeken, wandschilderingen en de hele vormgeving was schitterend. Er waren wandelpaden, sport- en speelterreinen. Men was tussen de mensen, kon praten, dicussiëren, schreeuwen en flaneren.

Spelen[bewerken]

De politici van de Republiek hadden hun beslissingen genomen onder de ogen van het publiek. De keizer, die opgesloten zat in zijn paleis, probeerde dit enigszins te compenseren door in het circus of amfitheater zichzelf voor het publiek te tonen.

Er waren wagenrennen in het circus en gladiatorengevechten in de arena. In het theater werd een soort opera’s opgevoerd (pantomimen). In Griekenland hield men erg van atletiekwedstrijden. De Grieken hadden de gladiatorenwedstrijden van de Romeinen overgenomen. Vooral het toneel werd wel door de intellectuelen afgekeurd en soms door de autoriteiten verboden omdat het het karakter slap zou maken. Iedereen ging naar de spelen, ook filosofen en senatoren. Er waren gratis plaatsen voor de armen. Daarom stonden er ’s ochtends vroeg al lange rijen voor de poorten. Voor de geliefde gladiatorengevechten kwam men van heinde en verre.

Er waren rivaliserende groepen supporters van bepaalde wagenmenners of gladiatoren. Soms werd de openbare orde verstoord, hoewel dit geweld niets te maken had met politieke-, maatschappelijke- of klassenconflicten.

Atleten, acteurs, wagenmenners en gladiatoren werden verafgood. Het volk zong er liedjes over. Ook de notabelen en de overheid vonden de spelen en wedstrijden erg belangrijk. Steden en mecenassen ruïneerden zichzelf door bijvoorbeeld amfitheaters te bouwen. Het was een openbare vorm van vermaak waar alle klassen aan deelnamen. De christenen en veel filosofen keurden dit alles af. Ze vonden de theaters te wellustig, het circus te spannend en de arena te wreed. Gladiatoren bestempelden zij als vrijwillige moordenaars en zelfmoordenaars. Dat waren ze ook enigszins, anders zou hun schouwspel niet om aan te zien zijn geweest.

Volgens onze huidige mening waren de toeschouwers bij gladiatorengevechten sadisten. Die opvatting kwam bij de Romeinen niet op. Het genot omtrent de gladiatorengevechten was volledig geaccepteerd. Men genoot ervan als het gevecht ertoe leidde dat een van de strijders uitgeput en radeloos op de grond lag en alleen nog maar gratie kon vragen. De mecenas die het gevecht geschonken had mocht dan samen met het publiek bepalen of hij gedood dan wel gespaard zou worden. Als de strijder gedood werd, liet de mecenas deze dood uitbeelden in een mozaïek, een wandschildering of een beeldhouwwerk voor in zijn wachtruimte of op zijn grafmonument. De dood van een strijder of bokser werd gezien als een heldendaad, hij was gestorven op het veld van eer. De mecenas kon ook van de keizerlijke fiscus ter dood veroordeelden hebben gekocht die hij in de pauzes van de gevechten liet terechtstellen door ze levend door de wilde dieren te laten verslinden. Ook deze terechtstellingen liet hij afbeelden.

De Grieks-Romeinse cultuur lijkt in onze ogen sadistisch, maar zichtbaar genieten van het lijden van anderen werd over het algemeen afgekeurd. Men mocht alleen onpartijdig genieten van een heldhaftig en moedig gevecht. Dat de Romeinen niet sadistisch waren blijkt uit het feit dat ze, zo gauw als ze een barbaars volk hadden gekoloniseerd, de mensenoffers verboden. De Romeinen genoten wel van de gladiatorengevechten maar ze wilden niet alles weten. De christenen zouden later dit genot afkeuren, maar niet de gruwelijkheid van de gevechten zelf.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.