Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Filosofie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

21. Filosofie

Verinnerlijking[bewerken]

Tot 100 n. Chr. hielden de Romeinen zich niet zo bezig met zwaarwichtige onderwerpen, zoals eenzaamheid. Zij stelden zich niet zoveel innerlijke vragen als "wie ben ik? Waarom besta ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen?" Dit soort vragen stelde men zich pas later en ze zijn voornamelijk uit het christendom voortgekomen.

In de tweede eeuw kwam er echter een nieuwe stijl in de filosofie. Men raakte meer op het innerlijke gericht, zoals we ook zagen bij het huwelijk[1] en bij de behandeling van de slaven. Men werd zwaarmoediger en sentimenteler. Men kon geobsedeerd raken door het eigen lijden, het eigen onvermogen en de diepte van de ziel.

Een afwezigheid van diepzinnigheid en veel sociale controle hadden tot die tijd tot elegantie geleid en tot een sierlijke kunst. Door de verinnerlijking verdween veel van die elegantie en schoonheid. De wereld werd diepzinniger maar ook lelijker.

Hiernamaals[bewerken]

Sarcophage centaure.jpg
Calydonian hunt Musei Capitolini MC917.jpg
Konya archeological museum - sarcophagus1.jpg
Sarcophagus Orestes Vatican Inv2513.jpg
Dioscuri rape Vatican Inv2796.jpg

De Griekse en Romeinse godsdiensten deden nauwelijks uitspraken over de dood, het hiernamaals of een heilsverwachting. In de onsterfelijkheid van de ziel geloofden alleen de neoplatonisten en een paar kleine sekten. De epicuristen geloofden er helemaal niet in, de stoïcijnen maar een beetje. Het volk dacht aan de dood als het niets. Het voortleven van de ziel als een schim in de onderwereld zagen de meeste mensen als een verzinsel. Het leven was een reis en de dood was het eindpunt of een rustpunt. Dat zag men als een troostrijke en berustende gedachte.

Van 13 tot 21 februari vierden de Romeinen hun dodendagen. Zij brachten dan offergaven naar de graven van hun familie en vrienden. Maar ze geloofden niet dat de doden die kwamen opeten. In Griekenland legde men terracotta beeldjes van Amor, Victoria of de Sirenen (beschermgoden van de dood) in de graven. Maar tijdens het keizerrijk verdwenen deze gebruiken. Zowel Romeinen als Grieken legden nog slechts kleine, gewijde voorwerpen in de graven: lampen, glaswerk en reukflesjes.

Bacchus was een vrolijke en welwillende god, altijd open voor iets nieuws. In de gangbare godsdienst speelde hij slechts een kleine rol. Hij werd als troost op veel sarcofagen afgebeeld, vooral op kindergraven. Men schreef dan op de grafsteen: "hij is door Bacchus meegenomen om diens metgezel te worden". Bacchus werd dus eigenlijk een god van een soort prettig hiernamaals. Men vond dit idee troostrijk. En wie weet was het wel waar, je wist maar nooit. Zeker niet alle mensen die dit deden waren lid van een Bacchussekte. Uit deze gebruiken sprak geen overtuiging. Toch was dit gebruik van Bacchusafbeeldingen ook niet alleen maar als versiering bedoeld.

Plato, Epicurus en Lucretius zeiden dat de ziel van een stervende vaak werd verscheurd door schuldgevoelens, als hij bijvoorbeeld misdaden had begaan. Hij was dan bang dat hij voor de rechtvaardige en vergeldende goden zou moeten verschijnen en dat dezen hem zouden straffen. En dat zij hem naar de onderwereld zouden sturen, waar hij nog meer straf zou krijgen. Ook hieruit blijkt enig geloof in het hiernamaals.

De Romeinse godsdienst gaf geen leefregels. Men mocht van de godsdienst gerust een misdadiger worden. Voor leefregels moesten de Romeinen bij de filosofen zijn.

Sarcofagen[bewerken]

Dat de overgang van elegante esthetiek naar verinnerlijking maar heel langzaam gebeurde, blijkt uit de afbeeldingen op de sarcofagen waarin de welgestelde Romeinen zich vanaf de tweede eeuw lieten begraven. Noch de inhoud noch de stijl van deze basreliëfs had iets met de dood te maken.

Deze fraaie en gracieuse mythologische voorstellingen hadden nauwelijks enige symbolische betekenis en dienden ook niet als pure versiering. Welke mythe werd uitgebeeld was niet belangrijk. De bedoeling ervan was om de dood mooier en minder droevig te maken. De angst voor de dood verdween door het wonderbaarlijke en het mythologische, het wellustige en het lichamelijke.

Filosofische sekten[bewerken]

Filosofie had in de oudheid als doel om het individu (door middel van een rationele methode) leefregels en een moraal te geven waardoor hij gelukkig kon worden (gemoedsrust verwerven). Men kon stoïcijn worden, epicurist, (neo-)platonist, cynicus, pythagoreeër, volgeling van Bacchus en Christen. De meeste sekten kenden geen hiërarchie of structuur.

Epicurische sekte[bewerken]

Een mens kon dezelfde gemoedsrust krijgen als de goden. Hij kon leven zonder angst voor mensen, goden, toeval en de dood. Hij moest van al die denkbeeldige en nutteloze angsten af zien te raken. Epicuristen hadden minachting voor overbodige behoeften als geld en ereambten. Zij schreven een sober leven voor, waarin alleen vriendschap belangrijk was. En deze vriendschappen konden gerust uit eigenbelang zijn aangegaan.

Stoïcijnse sekte[bewerken]

Een mens moest niet zomaar lukraak leven, hij moest zichzelf kunnen beheersen. Met behulp van oefeningen moest hij proberen om een onwankelbare geest te krijgen. Stoïcijnen geloofden in het belang van de rede en het bestaan van de voorzienigheid. De mens zou een aangeboren liefde hebben voor zijn familie en zijn stad. Als hij deze liefde niet nakwam, zou hij vanzelf een ongelukkig gevoel krijgen.

Bekeerlingen[bewerken]

De christenen gingen ervan uit dat op een dag de wereld hun gelijk zou aanvaarden. De Griekse en Romeinse sekten gingen ervan uit dat ze maar een beperkt aantal mensen zouden kunnen overtuigen en hadden daar vrede mee. De geestelijke leidsman van een sekte kon niets anders doen dan eventuele nieuwe leden proberen te overreden. Men werd uit vrije wil lid van zo'n sekte en omdat men hoopte er persoonlijk iets aan te hebben. Als men toetrad tot een sekte, moest men een gelofte afleggen om zich aan de filosofie te wijden.

Soms waren er bekeerlingen uit de kleine burgerij: mensen met een klein vermogen of helemaal geen vermogen. Zij moesten dan voor hun levensonderhoud als filosofieleraar bij een notabele gaan werken, of de beschermeling worden van een invloedrijk persoon, of rondreizend spreker worden.

Af en toe bekeerde een rijke notabele zich tot zo'n sekte. Hij had voldoende vermogen om niet te hoeven werken, dus filosofie hoefde voor hem geen broodwinning te worden. Als de rijke bekeerling zeer overtuigd was, droeg hij het filosofenkleed (bijna een uniform) en de filosofenbaard. Hij weigerde dan om van zilveren servies te eten en hij sliep op een matras op de grond. Hij ging nog maar zelden naar het badhuis. Maar meestal ging de rijke bekeerling niet verder dan het lezen van de boeken van zijn sekte. Hij nam ook nog een huisfilosoof in dienst die hem de dogma's van de sekte leerde. Door het in dienst nemen van die filosoof toonde hij de buitenwereld dat hij geestelijk verheven was. Hij had het meestal te druk om verder te gaan dan dat.

Bekeerlingen probeerden natuurlijk ook weer om nieuwe aanhangers te winnen.

Invloed van de filosofie[bewerken]

Natuurlijk moest het volk lachen om de bekeerlingen die zich kleedden en spraken als filosofen maar die in feite stinkend rijk waren, overvloedig aten en maîtresses hadden. Maar een senator of zelfs een keizer die tevens filosoof was, werd toch wel door iedereen bewonderd en gerespecteerd. Als hij een beetje naar zijn leer leefde, kon hij het geweten van zijn tijd worden. Hij mocht publiekelijk terechtwijzingen en adviezen geven of een verheven moraal preken. Ook een minder hooggeplaatste filosoof kon mensen raad geven en bijstaan. Een filosofische leer had invloed op het maatschappelijke en politieke leven.

Leefregels[bewerken]

De Romeinse godsdienst gaf, in tegenstelling tot het latere christendom, geen leefregels. Voor leefregels moesten de Romeinen bij de filosofen zijn. Het naleven van de dogma's of leefregels van een sekte gaf het sektelid het gevoel dat hij goed leefde en niet bang hoefde te zijn.

Filosofen waren trouw aan hun dogma's. Het was hoogst ongebruikelijk om deze dogma's kritisch te onderzoeken. De leer werd zo letterlijk mogelijk overgeleverd. De paar kleine wijzigingen die in de loop der eeuwen waren binnengeslopen, waren waarschijnlijk per ongeluk aangebracht. De leefregels moesten ook in de praktijk gebracht worden. Men moest er doorlopend mee bezig zijn, anders gaan leven en geestelijke oefeningen doen. Men moest in stilte over de dogma's mediteren als er anderen bij waren. En als men alleen was, moest men ze hardop repeteren of ze opschrijven. Men moest openbare lezingen bijwonen of ze geven.

De leer van de andere sekten werd als fout gezien.

Filosofie als kwestie van beschaving en cultuur[bewerken]

Ontwikkelde mensen die geen filosoof wilden worden, wilden desondanks vaak op een intellectuele manier kennis nemen van de filosofie. Voor hen hoorde die kennis bij de beschaving en de ontwikkeling. Op hun persoonlijk leven had het echter nauwelijks invloed. Filosofie werd ook een vorm van cultuur. Want de ontwikkelde Romeinen gingen graag naar de openbare lezingen van beroemde en welbespraakte filosofen. Net zoals men beroemde schrijvers las en naar beroemde redenaars luisterde.

Zelfmoord[bewerken]

Filosofen van alle sekten waren in sommige gevallen vóór zelfmoord. Van het leven telde de waarde, niet de lengte. Als iemand vervolgd werd en waarschijnlijk geëxecuteerd zou worden, als zijn leven dus angstig en ellendig was geworden, of als iemand ernstig ziek was en na een ellendige tijd zou sterven, dan moedigden de filosofen zelfmoord aan. Een mens moest zelf over zijn leven kunnen beschikken in plaats van zijn leven aan een god of aan de natuur over te laten. Een mens moest afstand kunnen doen van onnodig bezit. En een ellendig leven zagen zij als "overbodig bezit'.

Noten[bewerken]

  1. Het is onduidelijk of de nieuwe huwelijksmoraal (en de verinnerlijking zelf) door de stoïcijnen is "uitgevonden". Ook de neoplatonisten preekten de nieuwe moraal. Het is mogelijk dat de stoïcijnen slechts beweerden dat zij haar hadden uitgevonden. Het stoïcisme had zoveel succes bij de elite gehad, dat het verwaterd was tot een vorm van conformisme: het volgde de nieuwe moraal mogelijk slechts
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.