Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Vermogen

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

12. Vermogen

Nobelen[bewerken]

Bij gebrek aan beter noemen we de hoogste stand: notabelen, edelen of nobele, en soms ook patriciërs. De huisvader was niet alleen de baas over zijn familie en het huis, maar ook over het vermogen. En dat vermogen wilde hij vergroten door ermee te speculeren en het te beleggen in grond of in handelsmaatschappijen. Hij probeerde zijn erfgenamen een grotere erfenis na te laten dan hij zelf had gehad.

Een adellijke jongeman zal een ambtelijke loopbaan beginnen om te proberen het familievermogen te vergroten. Het werd als een verdienste gezien om zich op eerlijke wijze geld te verschaffen.

De nobele zag erop toe dat zijn landgoederen goed bebouwd werden, hij verkocht de opbrengsten voor de hoogste prijs en het geld dat dat opbracht, leende hij uit tegen woekerrente of hij belegde het.

Deze bezigheden van de nobele werden niet als werk gezien. Een nobele was op de eerste plaats een nobele. De rest kwam op de tweede plaats. De nobelen noemden zichzelf de "niet-werkende klasse". Alleen onbeduidende mensen "werkten". Welgestelde mensen hadden altijd een leidinggevende functie (cura of epimeleia). Het was echter beslist niet de bedoeling om lui te zijn. IJver werd zeer gewaardeerd. Men moest zijn vriendschappen bijhouden, zorgen dat men bekend raakte (en bleef) en de staatszaken niet verwaarlozen. Een hoge ambtenaar moest van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat de boekhouding uitpluizen.

Nobelen konden dus ook: handel drijven, fabrikant zijn, speculeren, woekeraar zijn, evenals de vrijgelatenen en de rijkere middenstand. De nobelen belegden hun geld in grond, visvijvers, warmwaterbronnen, vollerijen[1], pekfabrieken, bossen, scheepvaartmaatschappijen, transportbedrijven en kudden dieren. Als ze van een vriend de vertrouwelijke tip kregen dat er ergens geld te verdienen viel, gingen ze daar meteen op in, al hadden ze iets dergelijks nog nooit gedaan en moesten ze alles improviseren[2]. De heersende klasse speelde elkaar doorlopend de bal toe.

Andere manieren om eerlijk aan geld te komen, waren:

  • Gedurende een ereambt van een jaar de bevolking uitwringen
  • trouwen om een hoge bruidsschat
  • erfenissen verkrijgen door een oude, alleenstaande man als beschermheer te eren
  • het uitbuiten van medeburgers door woekerrente te vragen voor uitgeleend geld

Rentmeesters en pachters[bewerken]

Een huisvader deed een enkele keer alles zelf als een drukke zakenman. Meestal echter gebruikte hij vrijgelatenen en slaven als tussenpersoon. Hij kon een van zijn slaven financiële autonomie en juridische beschikkingsbevoegdheid geven. Ze konden dan zaken doen als vrije mannen op rekening van de meester. Dit waren eigenlijk de echte zakenlieden van deze tijd. Deze rentmeester was soms een vrijgeborene, en soms een telg van een oud maar geruïneerd adellijk geslacht, die zich als slaaf aan een rijke had verkocht om carrière te kunnen maken. Hij beheerde de landgoederen van de meester, verkocht de opbrengst en regelde soms alle economische activiteiten van zijn meester. De Romeinse economie draaide voor een groot deel om de rentmeesters. Hij genoot vertrouwen. Hij hield in een boekhouding de inkomsten en uitgaven bij. Die hoefde hij niet periodiek te overleggen. Er werd maar een enkele keer naar gevraagd, bijvoorbeeld bij de dood van de meester, als het landgoed of bedrijf verkocht werd, als de rentmeester vrijgelaten werd of als de meester kwaad op hem was. Dan moesten inkomsten, uitgaven en geld in balans zijn (pariari). Als de balans klopte, werd de rentmeester 'pariator' genoemd, hetgeen hij op zijn grafsteen mocht laten beitelen.

Ook de pachters voerden een dergelijke boekhouding. Bij de dood van de meester of als de meester zijn landgoed verkocht, moest het verschuldigde restant (reliqua colonorum) uitgerekend kunnen worden.

Geld verdienen[bewerken]

De notabele kon de directeur zijn van een landbouwbedrijf of van een handelsonderneming. Hij kon aandelen hebben in een handelsmaatschappij of in de belastingpachterij van de overheid.

De aristocraten van die tijd waren net zo op winst belust als de kapitalisten van onze tijd. Alles wat zij teveel hadden, probeerden zij middels een veiling te verkopen. Veel Romeinen kochten dingen tweedehands.

Mensen leenden vaak geld bij de aristocraten en daar vroegen deze (woeker)rente voor, zelfs als vrienden onderling geld leenden. Woekerrente vragen vond men een nobele manier om zich te verrijken, net zo nobel als inkomsten uit landerijen of het verwerven van een bruidschat of een erfenis. De woekeraars in die tijd waren niet de bankiers maar de notabelen en de senatoren. Wie geld had, bestemde een deel daarvan voor leningen tegen woekerrente. Het geld lag in een kist (calendarium), samen met de boekhouding en de schuldvorderingen, op een afnemer te wachten. Een schuldvordering (Nomina debitorum) werd vaak ook weer verkocht en werd daarmee een object van speculatie.

Romeinen verrijkten zichzelf door beleggingen te doen, door de productie en verkoop van allerlei goederen, door een erfenis of een bruidschat binnen te halen, door smeergeld aan te nemen en zelfs door geweld te plegen. Ze gingen uit van de wet van vraag en aanbod maar maakten ook gebruik van hun politieke invloed of van die van hun beschermheren. Ze speelden elkaar de bal toe als er interessante zaken te doen vielen.

Als een man uit de hogere kringen een minnares had (die haar man bedroog), dan moest hij daarvoor veel geld betalen aan die vrouw. Dat werd niet als prostitutie beschouwd. Liefde en seks moesten (net als goederen) betaald worden naar gelang de kwaliteit.

Andere manieren om geld te verdienen[bewerken]

Omdat de Romeinen maar 2 of 3 kinderen hadden en de kindersterfte hoog was, waren er veel oudere mannen die al hun kinderen verloren hadden. Elke oude, rijke Romein werd omgeven door een groep hielenlikkers (waarvan sommigen rijker en machtiger dan hijzelf waren) die hoopten geld van hem te erven. Die grote schare beschermelingen en hielenlikkers gaf de oude man het gevoel dat hij belangrijk was. Iedereen vond dit gedoe belachelijk, maar iedereen deed er aan mee. Soms liet zo'n oude man al zijn geld toch na aan zijn zonen en dochters. Het publiek vond soms dat hij gelijk had, maar soms dat hij ondankbaar was geweest jegens zijn vrienden. Het hing er een beetje van af hoe hoog de rang was van de overgeslagen 'vrienden'.

Er waren veel trucjes om een erfenis binnen te halen, ook bij familie onderling. Een gescheiden moeder die haar einde voelde naderen, wilde bijvoorbeeld haar zoon als haar erfgenaam. Haar ex-echtgenoot zou echter op het erfdeel van zijn zoon gaan loeren, want zolang de vader leefde, stond de zoon onder zijn gezag en als de zoon een erfenis kreeg zou deze naar zijn vader gaan. De moeder moest dus in haar testament de bepaling laten opnemen dat de zoon de erfenis pas zou krijgen als hij niet meer onder het gezag van de vader stond (strikt genomen: als de vader dood zou zijn). Nadat de moeder gestorven was, kon de vader zijn zoon echter zelfstandig verklaren. Dan kreeg de zoon dus de erfenis. Vervolgens begon de vader naar de gunsten van zijn eigen zoon te dingen (diens beschermeling te worden). Hij gaf hem cadeau's, speelgoed en huisdieren. Als de troetelzoon dan voortijdig stierf, had hij de vader mogelijk in zijn testament gezet en dan had de vader alsnog zijn slag geslagen. Alles was op eigenbelang gericht en dat hinderde het publiek nauwelijks.

Ruigere methodes om geld te verdienen[bewerken]

Sommige notabelen hadden een privélegertje, meest bestaande uit hun gewapende slaven. Zij vielen daarmee de landgoederen van zwakkere notabelen aan en pikten hun grond en boerderijen in. Daar kon het slachtoffer doorgaans weinig tegen ondernemen. Ging hij naar de provinciale gouverneur, dan had hij een gerede kans dat de gouverneur de krijgsheer de hand boven het hoofd hield omdat ze samen in een oude-jongens-netwerk zaten. En ook als dat niet zo was, dan zou een veroordeling van een krijgsheer het machtsevenwicht tussen de overgebleven gewapende groeperingen kunnen verstoren en daarmee een oorlog tussen hen uitlokken. De provinciegouverneur liet daarom liever alles bij het oude.

Onsamenhangende ondernemingen[bewerken]

Ondernemingen van de notabelen kwamen vaak toevallig in hun handen, bijvoorbeeld omdat ze door een vriend getipt waren dat er geld viel te verdienen of omdat ze een erfenis hadden gekregen. Daardoor hadden hun ondernemingen nauwelijks enige onderlinge samenhang. De notabelen zaten in onroerend goed, lakenverkoop, ververijen, transportbedrijven, landbouw, zeetransport, onderwijs, import van koopwaar uit Egypte en Athene, vollerijen, mijnbouw, warmwaterbronnen, enzovoort.

Ziek van het geld verdienen[bewerken]

De geneesheer Galenus

De Romeinse zakenman was een druk type die zich door Galenus liet behandelen omdat hij zweetaanvallen kreeg onder het zakendoen. Hij bleef echter plechtigheid uitstralen. Geneeskunde was een zeer kostbare aangelegenheid. Galenus had slechts de meest aanzienlijken als patiënt, en bovendien alleen mannen die in een stad woonden, zoals stadsbestuurders en filosofen.

Bezittingen[bewerken]

Landelijk bezit[bewerken]

De notabele ontleende zijn gezag aan zijn grondbezit. Soms was die grond versnipperd over allerlei provincies. Soms had hij de keizerlijke gunst verworven om op zijn landgoed een markt te houden. De landbouw bracht niet zo heel veel op dus 80% van de bevolking moest in de landbouw werken om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en ook in dat van de overige 20% van de bevolking. Verder bracht het platteland zoveel belasting op dat de notabelen er al die monumentale gebouwen in de steden van konden neerzetten. De opbrengst van het land werd dan geruild voor de bouwmaterialen.

Op het land werden voornamelijk graan, wijnranken of olijfbomen verbouwd. Sommige streken hadden zich in een van deze drie gewassen gespecialiseerd. Maar de meeste landgoederen verbouwden meer dan alleen maar aan deze drie kostbare gewassen. Ook in slechte tijden moest het land het levensonderhoud kunnen opbrengen. Daarom hadden de rijken ook bossen, heide en visvijvers als spaarpot. Deze gaven weliswaar een laag maar constant inkomen. Wie schulden had, moest dan ook niet zijn bossen verkopen, maar zijn wijngaard.

Stedelijk bezit[bewerken]

De notabele kon ook grond in de steden hebben met daarop huizen die hij verhuurde. Soms bezat hij baden bij zijn huizen. Soms bezat hij ook havens, kroegen, bordelen of pakhuizen (die kooplieden konden huren om hun koopwaren in op te slaan). Verder bezat hij in de stad warmwaterbedrijven en vollerbedrijven als spaarpot.

Industrie en mijnbouw[bewerken]

Als een notabele een onderneming wilde starten waar al lang behoefte aan was, maar waar nog geen initiatief toe genomen was bij gebrek aan kapitaal of belangstelling, dan moest hij proberen een exploitatievergunning te krijgen.

Als er op het land weinig werk te doen was, dan liet de notabele zijn landarbeiders in zijn mijnen of industrie werken. Industrie zoals steenbakkerijen en pottenbakkerijen werden door hem geleid of verpacht. Hij exploiteerde ook mijnen en steengroeven om er te delven naar: goud, zilver, zwavel, ijzer, stenen, krijt of zand. Omtrent het exploiteren van mijnen en groeven vond het publiek dat:

  • het omliggende bouwland niet geschaad mocht worden.
  • de mijnen meer moesten opleveren dan de verwijderde wijnranken, olijfbomen of graanvelden gedaan zouden hebben
  • de mijnen niet uitgeput mochten worden. De exploitatie moest dusdanig gebeuren, dat de ertsen et cetera de gelegenheid hadden om weer aan te groeien. Men dacht in die tijd dat marmer en ertsen onder de grond groeiden zoals planten.

Speculeren[bewerken]

Verder speculeerden de rijken met de levensmiddelen. Als er overvloed was en het graan goedkoop, dan sloegen ze een groot deel op op hun voorraadzolders. Als er dan later een misoogst kwam, konden ze dit graan duur verkopen.

Kasboek[bewerken]

Al de bezittingen en schulden van de notabele stonden in het kasboek (Rationes of libellis). Daar stond ook in of hijzelf dan wel zijn pachter de belasting betaalde en of hijzelf dan wel de pachter dan wel de rentmeester de opbrengst van het land verkocht.

Investeren[bewerken]

Investeren deed de notabele door meer wijnranken aan te planten dan er nodig waren, door pakhuizen te bouwen, een molen of een broodoven. Zelfs het geven van een opleiding aan zijn slaven zag men als een investering. De pater familias gold als verdienstelijk als hij het vermogen voor zijn kinderen vergrootte door agressief te investeren en te speculeren, ook met de bruidsschat van zijn vrouw[3]. Dat gaf wel eens problemen als die bruidsschat uit grond bestond en de man in die grond groeven had geopend. Als de vrouw dan wilde scheiden en haar bruidsschat wilde meenemen, dan vroeg men zich af of zij aan haar man de kosten moest terugbetalen die deze had gemaakt voor de groeven.

Volksaard[bewerken]

De Romeinen wilden hun vermogen vergroten, in de eerste plaats voor zichzelf en in de tweede plaats voor hun erfgenamen. Zij potten hun bezit niet op, maar ze investeerden, belegden en speculeerden. Ze wilden rijk worden. Dat onderscheidde hen van veel andere volken. Hun zakeninstinct was een wezenskenmerk, de mentaliteit van het Romeinse volk. Het productiepeil was daardoor hoog, maar de verdeling van de rijkdom was een ander verhaal.

De Romeinen trokken Griekse intellectuelen naar zich toe op wie de Romeinse intellectuelen jaloers waren, terwijl de Romeinse speculanten in Griekenland door de Grieken werden gehaat.

Noten[bewerken]

  1. werkplaatsen waar men kleding kon laten wassen en opknappen. Tevens werden er wollen stoffen vervaardigd
  2. Nog liever lieten ze het een van hun vrijgelatenen doen
  3. Een voogd daarentegen hoefde het vermogen alleen maar gelijk te houden. Hij moest niet te druk investeren, want dan liep zijn pupil daar de risico's van. Hij moest zelfs roerende goederen (die stuk konden gaan), huizen (die in brand konden vliegen), slaven (die konden sterven) etc. verkopen en het geld beleggen in dingen met een vaste waarde als grond en goud. Maar die mocht hij dan weer met rente uitlenen
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.