Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Slaven

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Ouders
  3. Kinderen
  4. Slaven
  5. Huisgenoten
  6. Vrijgelatenen
  7. Beschermheerschap
  8. Openbare ambten
  9. Mecenaat
  10. Werk
  11. Technologie
  12. Vermogen
  13. Rechtspraak
  14. Publieke opinie
  15. Vermaak
  16. Keuken
  17. Kleding
  18. Seksualiteit
  19. Notabel gedrag
  20. Magie
  21. Religie
  22. Filosofie
  23. Bronnen en links

4. Slaven

Romeinse slavenmarkt, geschilderd rond 1882 door Gustave Boulanger
Slavin toont baby aan haar moeder. Ca. 470-460 v. Chr. Eretria
Meester en slaaf, 350 v. Chr.
Acteur speelt slaaf en draagt komisch masker. Bronzen beeld, vroege derde eeuw n. Chr. Rome
Een advocaat krijgt een kleitablet van zijn slaaf

Relatie slaaf-meester[bewerken]

De slaaf werd behandeld als een wezen dat van nature inferieur was op grond van zijn lotsbestemming. De relatie met de meester was die van de vader tot zijn kind. De slaaf moest gehoorzamen, anders werd hij bestraft of gedood. Hij moest de meester liefhebben en de meester had hem lief zoals een baas zijn hond liefheeft. De slaaf was een bezit dat de meester toebehoorde. Zijn macht over de slaaf was totaal. Hij noemde hem meestal "kleine" of "kind" (pais of puer) en de slaven noemden elkaar ook zo. Hun namen vormden een apparte klasse zoals bij ons de namen van honden (Fikkie, Lassie etc.). Slaven waren onbeduidende wezens zonder maatschappelijk belang. Ze hadden tot in de tweede eeuw geen vrouw of eigen kinderen, want hun liefdesleven en hun voortplanting waren als van een kudde dieren.

Aanwas van de slaven[bewerken]

Het getal van de slaven groeide door:
1. Onderwerping van overwonnen volkeren.
2. Slavenhandel aan de grenzen van het rijk.

Dit was echter maar een klein deel van de aanwas van slaven. De meeste slaven kwamen voort uit:
1. Voortplanting van de slaven onderling. Kinderen van slavinnen (ongeacht of de vader slaaf was of vrij) werden bij hun geboorte eigendom van de meester. Hij kon ze grootbrengen, te vondeling leggen of verdrinken.
2. De (ook door vrije mensen en rijken) te vondeling gelegde kinderen werden door slavenhandelaren opgehaald van de vuilnisbelten of tempels.
3. De verkoop van vrije mensen als slaaf. Arme vrije mensen verkochten soms hun pasgeborenen aan slavenhandelaren nog vóór hun moeder zich aan hen kon hechten.
4. Volwassen vrije mensen verkochten soms zichzelf als slaaf omdat dat beter was dan van honger te sterven.
5. Soms kon een vrij mens, door zich aan een aanzienlijk of adellijk persoon als slaaf te verkopen, hogerop komen.
6. Als iemand zijn schulden niet kon betalen, werd hij met vrouw en kinderen tot slaaf van de schuldeiser verklaard.
7. Sommige mensen werden door het gerecht veroordeeld tot dwangarbeid (onder zweepslagen) op een van de keizerlijke domeinen van de fiscus. Daarbij waren veel (vroege) christenen, die verschillende keren zijn vervolgd.

Soorten slaven[bewerken]

De Romeinse maatschappij berustte niet volledig op slavernij. Dit was alleen in Zuid-Italië en Sicilië het geval. Egypte daarentegen kende vrijwel geen slavernij.

Slaven als landarbeider[bewerken]

De boeren waren de harde werkers van de Romeinse maatschappij. Op het platteland werden de meeste belastingen van het rijk geheven. De grootgrondbezitters (meest notabelen van de steden) verhuurden het land aan pachters. De pachters werkten soms zelf op het land maar het meeste werk lieten ze doen door zeer arme dagloners. Verder waren er kleine, vrije boeren. Dan waren er nog de slaven en helemaal onderaan de kettingslaven.

De kettingslaven in de landbouw hadden het zwaarste leven. Het waren "slechte" slaven die voor straf door hun meester waren verkocht onder het beding dat hun nieuwe eigenaar ze dwangarbeid zou laten doen terwijl ze geketend bleven.

In heel Italië vormden de slaven een kwart van de landarbeiders. Zij woonden in slaapzalen onder toezicht van een opzichter (die zelf ook slaaf was). Zijn gezellin bereidde de maaltijden.

Slaven in de handwerknijverheid[bewerken]

De handwerknijverheid (als de pottenbakkerij) dreef wèl voornamelijk op slaven en vrijgelatenen.

Slaven als huisknecht[bewerken]

Iemand uit de hoogste klasse had vaak tientallen slaven als huisbediende. Iemand uit de middenklasse had er vaak twee of drie. Deze slaven werden soms behandeld als een stuk oud vuil, maar soms hadden ze een goed leven, bijvoorbeeld als ze rentmeester waren. De rentmeester was rijk en erg machtig en kreeg de beste artsen als hij ziek was. Sommige huisslaven hadden alles voor hun meester over, ze verdedigden hem met hun leven en volgden hem in de dood. Anderen beduvelden hun meester. Dit kon echter bestraft worden met dwangarbeid op het land. Verder waren er vertrouwensslaven die voor hun meester iedereen in huis bespionneerden: de vrienden en beschermelingen als zij op bezoek kwamen, alsmede het vrije huispersoneel, de onderwijzers en de filosofen. Zij gaven alles aan hun meester door.

Slaven die hogerop kwamen[bewerken]

De meeste slaven waren slechts productiemiddelen, maar er waren ook slaven in de politiek en de cultuur werkzaam en dezen konden rijker en machtiger worden dan de meeste vrije mensen.

  • Ambtenaren van de keizer waren slaven, zelfs de schatbewaarder van de keizer.
  • Vaak verkochten letterkundigen, architecten, zangers en toneelspelers zich als slaaf aan een prominent of adellijk persoon die hun talent gebruikte. Men kon dan zijn talent ontplooien en vroeg of laat zou de meester hem wel vrijlaten.
  • Er bestonden geen scholen voor geneeskunde dus een Romeinse arts leidde persoonlijk een slaaf op tot zijn opvolger en liet hem daarna vrij.
  • Een slaaf kon rentmeester worden bij een aanzienlijk persoon. Vaak kreeg hij dan een kapitaal van de meester om er zelfstandig handel mee te drijven. De winst was meestal grotendeels voor de meester. Deze slaven mochten contracten sluiten en processen voeren, zolang het maar ging om de zaak van de meester.

Maar hoe rijk of machtig de slaaf ook was, hij werd altijd aangesproken zoals men tegen een kind of een lager wezen sprak. Hij kon elk moment verkocht of bestraft worden.

Eigen leven van de slaaf[bewerken]

Slaven voelden zich aangetrokken tot religies. De meeste andere gebieden waren voor hen ontoegankelijk. Buitenshuis konden zij een priester zijn van een sekte of van de christelijke kerk (die er overigens niet over piekerde om de slavernij af te schaffen). Op feestdagen hadden de slaven vrij, net als de rechtbanken, de schoolkinderen en de last- trek- en ploegdieren. Ze gingen dan graag naar het theater, het circus of de arena.

Vrije mensen vonden een slaaf die verliefd was erg grappig maar het was ook ongepast. Een slaaf hoorde alleen zijn meester te dienen. Als een slaaf teveel geïnteresseerd was in de affiches voor de gladiatorenwedstrijden, of als hij fanatiek godsdienstig was of te vaak verliefd of te vaak naar het theater ging, dan werd dit als een gebrek van de slaaf gezien. Degene die hem verkocht was verplicht dit soort morele fouten en geestelijke kronkels aan de koper te melden.

Goede slaven[bewerken]

Een goede slaaf gehoorzaamde vol toewijding vanuit het binnenste van zijn ziel en niet op grond van voorschriften en vaste werktijden. Hij zou zijn meester met zijn leven verdedigen en hem in de dood volgen.

Slechte slaven en hun straffen[bewerken]

Een slechte slaaf was iemand die zijn meester niet goed diende. Hij kon een gokker worden, een dronkaard, een lanterfanter of een rokkenjager. De meester moest het goede voorbeeld geven en niet te slap of familiair met hem worden. Je kon een aanklacht indienen tegen iemand die jouw slaaf had verpest. Het was een misdrijf om onderdak te bieden aan een voortvluchtige slaaf of om hem aan te moedigen om weg te lopen.

Een huisgerecht kon een ongehoorzame slaaf de doodstraf geven. Dat huisgerecht bestond uitsluitend uit de meester zelf. De doodstraf werd op zijn verzoek uitgevoerd door de plaatselijke beul. De meester verstrekte dan vaak ook nog de pek en de zwavel die bij de executie gebruikt werden[1]. Men kon tijdens een openbare rechtzitting een slaaf op de pijnbank martelen. Men kon hem zelfs de wandaden van zijn meester laten bekennen. Vrije mensen mochten niet gemarteld worden. Slaven konden door de rechter lijfstraffen opgelegd krijgen. Bij vrije mensen was dat niet toegestaan. Ook kon de slechte slaaf door zijn meester als kettingslaaf verkocht worden voor dwangarbeid op het platteland.

Slechte meesters[bewerken]

Zij behandelden de slaaf onmenselijk. Dat was niets bijzonders, maar de meester die zijn slaven mishandelde, daalde in aanzien bij de andere rijke burgers. Het concilie van Elvira veroordeelde christenvrouwen die hun dienstmeisjes dermate mishandelden dat ze er binnen vier dagen aan stierven. Het gold als onhandig om je slaven zelf te straffen. Het was beter om daar een dag mee te wachten en het dan een ander te laten doen.

Goede meesters en vrijlating[bewerken]

Wat slaven het liefste wilden, was om ooit vrijgelaten te worden. De meester beschouwde het vrijlaten van slaven (bij testament) als iets nobels. Dat ontkrachtte niet de vanzelfsprekendheid van de slavernij. Slaven vrijlaten was een verdienste, geen plicht, het liet het wezen van de slavernij onaangetast. Vrijlating maar ook clementie (in het geval dat de slaaf iets fout had gedaan) mochten niet door de slaaf zelf aan de meester gevraagd worden. De slaaf moest het vragen aan een derde, een vrije burger, deze zou het aan de meester vragen.

De meester had twee vaderbeelden: hij kon streng zijn of vergevingsgezind. Alleen een vrij mens mocht de meester aanspreken op zijn vergevingsgezindheid. Clementie kon slechts tussen gelijken gevraagd en gegeven worden. Als een slaaf de meester zèlf om vrijlating of clementie zou vragen, dan zou hij zo arrogant zijn om voor een van de twee vaderbeelden te kiezen. En alleen de meester zelf mocht die keuze maken.

In de praktijk ging het als volgt. De meester was toch al van plan om de slaaf vrij te laten of clementie te geven en hij kon dat goed alleen af. Dan zorgde de meester er zelf voor dat de slaaf het aan een bemiddelaar vroeg: bijvoorbeeld aan zijn maitresse of aan zijn vriend.

De hele gang van zaken herbevestigde feitelijk het gezag van de meester. Geen enkele slaaf of meester trok ooit de vanzelfsprekendheid van de slavernij in twijfel.

Verkopen[bewerken]

Als een slaaf verkocht werd, zat er vaak een soort clausule bij. Zo kon de verkoper bedingen dat de nieuwe eigenaar de slaaf aan de ketting moest houden. Of de verkoper kon bij de verkoop van een slavin vastleggen dat de nieuwe eigenaar haar niet mocht prostitueren. Bleef de koper in gebreke, dan kon hij zijn eigendom verliezen.

Slavernij vanzelfsprekend en onaantastbaar[bewerken]

Slaven konden op hun lot reageren met totale berusting dan wel met ingehouden woede. Het is waarschijnlijker dat de meesten zich zo goed mogelijk hebben aangepast aan het onvermijdelijke. Daardoor leden ze minder en konden ze hun onaantastbare meester liefhebben. Ze noemden hem "ipsimus" of "ipsissimus". Een slaaf was er trots op om zijn meester goed te dienen. Ze kozen zijn partij en verdedigden zijn leven. Kwam de meester (grootgrondbezitter) zijn boerderij bezoeken, dan stond de rentmeester zijn vriendin af voor de nacht. De meester mocht elke slavin ontmaagden ("ius primae noctis"). Ook daar legde de slaaf zich bij neer. Het gezegde was: "je hoeft je niet te schamen om te doen wat de meester beveelt". Gehoorzaamheid was voor de slaaf het toppunt van deugdzaamheid. Ongehoorzame medeslaven keurde hij af. Slechts een enkele keer kon die gehoorzaamheid bij een teleurgestelde slaaf omslaan in bloeddorstige razernij en vermoordde hij zijn meester.

Als het niet helemaal duidelijk was of de meester per testament zijn slaven had vrijgelaten, koos de rechter er altijd voor om ze vrij te laten. Op de beslissing een slaaf vrij te laten, kon niet terug gekomen worden. Dat lijkt menselijk, maar de bedoeling was slechts om de scheidslijn tussen slaven en vrijen vooral duidelijk te houden. De slavernij zelf bleef onaangetast.

Schijnbare verbetering van het lot van de slaaf[bewerken]

Onder invloed van het stoïcisme schijnt er in het laat-Romeinse rijk een vermenselijking van de slavernij in te treden (parallel aan de veranderingen binnen het huwelijk). Deze humanisering was echter slechts schijn.

Vanaf 200 n. Chr. mochten slaven trouwen en konden ze een soort huisvader worden. Meesters lieten steeds meer deze slavengezinnen intact.

De nieuwe moraal wilde dat mensen zouden veranderen van staatsburgers die hun plicht deden in mensen met een geweten. Deze nieuwe moraal gold ook voor de slaaf. Die bleef gewoon slaaf, maar hij moest zijn meester niet meer alleen uit plichtsbesef gehoorzamen, maar nu ook omdat zijn geweten hem dat opdroeg. De slaaf kreeg de plicht om goed te zijn voor zijn vrouw en kinderen, ook al bleven allen gewoon eigendom van de meester.

Slaven werden nu zelfs vaak behoorlijk begraven. Eerder werden hun lichamen op de vuilnisbelt gegooid. Dit alles gebeurde niet zozeer uit menselijke scrupules. Er was een op zichzelf staande verandering gaande van de heersende moraal die de gang van zaken bij huwelijk en slavernij beïnvloedde. De slavernij zelf werd echter geen moment in twijfel getrokken. De straffen bleven wreed, het eten bleef slecht, de morele en materiële ellende bleven, alsmede de tirannie van de meester.

De christenen piekerden er tot in de vierde eeuw niet over om de slavernij af te schaffen. De vroege christenen hadden, als zij welgesteld waren, zelf ook slaven. Of zij hun slaven minder wreed straften, hun beter te eten gaven en tegen hen minder tiranniek waren dan de andere notabelen, is niet erg waarschijnlijk. Augustinus van Hippo rechtvaardigde aanvankelijk de slavernij.

De stoïcijnen vonden dat het lot de bestemming van de mensen bepaalde. Slaaf zijn zagen ze als een vervelend maar onontkoombaar lot. Als het lot iemand tot meester had gemaakt, moest hij proberen om een goede meester te zijn. Als het lot iemand slaaf had gemaakt, moest hij proberen een goede slaaf te zijn. De Romeinen hadden altijd al meer achting gehad voor een goede meester of echtgenoot, maar de nieuwe filosofie van de verinnerlijking had van deze verdienste van de enkeling een plicht gemaakt voor iedereen.

Een ander voorbeeld van schijnbare humanisering was het volgende. Keizer Antoninus Pius vaardigde een wet uit die het de meester verbood om zijn slaven direct na een vergrijp uit woede dood te slaan. De meester zou dan de doodstraf kunnen krijgen. De werkelijkheid was anders. Wie zijn slaaf direct uit woede doodsloeg, moest aan de rechter gaan uitleggen waarom hij dat gedaan had. Als hij de slaaf niet direct doodsloeg maar een dag wachtte, kon hij de slaaf ter dood laten veroordelen door het huisgerecht (dat uit niemand anders bestond dan de meester zelf). Deze ter dood veroordeling gebeurde zonder veel formaliteiten om dezelfde redenen die hij anders aan de rechter had moeten vertellen. De wet van Antoninus Pius herinnerde de meester er alleen maar aan dat hij alles volgens het boekje moest doen, omdat hij anders iets uit te leggen had.

In de periode van de adoptiefkeizers werd het als hoogst ongepast gezien als een Romein zijn slaaf in een vlaag van woede afranselde. Niet omdat men dacht dat dat inhumaan was, maar door zo'n uitbarsting kon het harmonieuse zelfbeeld van de meester instorten. Hij had zich verlaagd tot het niveau van de slaaf. Dit werd als een vorm van morele corruptie gezien. Het was beter om de slaaf de volgende dag door een ander te laten straffen.

Noten[bewerken]

  1. De veroordeelde kreeg een hemd aangetrokken dat met pek was besmeerd. Vervolgens werd hij vastgebonden en in brand gestoken
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.